RaboResearch - Economisch Onderzoek

Vaker roodstand en te laat betaalde rekeningen onder huurders

Themabericht

Delen:

Tevens verschenen in ESB (alleen voor abonnees), 10 september 2021

  • Huiseigenaren hebben het afgelopen jaar vaker dan huurders regelmatig geld overgehouden
  • Huurders hebben daarentegen vaker spaargeld moeten gebruiken voor de vaste lasten of dagelijkse uitgaven, hebben vaker rekeningen te laat betaald of rood gestaan vanwege geldgebrek
  • De kans dat huurders zich vaak zorgen maken over geld is ook groter dan voor huiseigenaren
  • Dit blijkt uit een enquête onder 1.447 zelfstandig wonende Nederlanders tussen de 20 en 70 jaar

In Nederland bestaat steeds meer onvrede over de huizenmarkt (Aalders et al., 2021, I&O Research, 2020). Zo daalt in de meeste gemeenten het eigenwoningbezit onder 40-minners (Hochstenbach & Arundel, 2021). Wie op zichzelf wil wonen, is dus vaker aangewezen op de huursector. Maar cijfers uit WoON2018 laten zien dat huurders gemiddeld een groter deel van hun inkomen besteden aan woonlasten dan huiseigenaren (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2019).

Figuur 1: Huurders financieel kwetsbaarder
Figuur 1: Huurders financieel kwetsbaarderBron: RaboResearch.
Noot: exclusief ‘weet niet/geen antwoord’.

Zijn huurders ook vaker financieel kwetsbaar? Uit eerder onderzoek onder Nederlanders tot 45 jaar bleek al dat huurders vaker dan huiseigenaren moeite hebben om te sparen vanwege te veel vaste lasten, en dat ze vaker niet of nauwelijks spaargeld hebben (Prins & Vrieselaar, 2019). Onze nieuwe enquête laat zien dat de financiële kwetsbaarheid van huurders zich niet tot die zaken beperkt (zie figuur 1). 

Opzet onderzoek

Enquête en steekproef

In april 2021 hebben 1.546 Nederlanders tussen de 20 en 70 jaar een online enquête ingevuld, van wie 1.447 respondenten zelfstandig wonen. Bijna 30 procent daarvan woont in een gereguleerde huurwoning (maandelijkse huur van 752 euro of minder), en 6 procent in een vrijesector huurwoning (huur van meer dan 752 euro per maand). Het merendeel van de respondenten, 61 procent, woont in een koophuis. Van 4 procent is het type woning onbekend.

Afhankelijke en onafhankelijke variabelen

In het onderzoek kijken we of er een relatie bestaat tussen het type woning (gereguleerde huur, vrije huur, koop) en vijf afhankelijke variabelen. Om de financiële kwetsbaarheid in te schatten, vroegen we respondenten vroegen we respondenten 1) of hun huishouden afgelopen twaalf maanden regelmatig geld heeft overgehouden; 2) spaargeld heeft moeten gebruiken om de vaste lasten of dagelijkse uitgaven te kunnen betalen; 3) rekeningen te laat heeft betaald vanwege geldgebrek; 4) rood heeft gestaan vanwege geldgebrek. De antwoordmogelijkheden hierop waren ‘nee’, ‘ja’ en ‘weet niet/geen antwoord’. We hebben respondenten ook gevraagd naar hun verwachtingen voor de komende twaalf maanden op deze vier financiële uitkomsten (vijfpuntsschaal ‘heel onwaarschijnlijk’ – ‘heel waarschijnlijk’, plus ‘weet niet/geen antwoord’). Geldzorgen hebben we uitgevraagd met de stelling ‘Ik maak me vaak zorgen over geld’ (vijfpuntsschaal ‘helemaal oneens’ – ‘helemaal eens’ met ‘weet niet/geen antwoord’). In de regressieanalyses laten we ‘weet niet/geen antwoord’ buiten beschouwing, waardoor de N per analyse varieert tussen 1.357 en 1.388.

Controlevariabelen

Zoals eerder genoemd, zijn de woonquotes voor huurders hoger dan voor huiseigenaren. Maar een eventuele relatie van het type woning met financiële problemen kan ook door andere factoren worden beïnvloed. Om een verband tussen het type huis – en daarbij horende woonlasten – en financiële problemen beter te isoleren, gebruiken we (ordinale) logistische regressieanalyses. Daarbij houden we rekening met de volgende demografische en sociaal-economische kenmerken van respondenten: leeftijd, hoogte huishoudinkomen (in vier categorieën: rond modaal (tussen de 36.500 en 43.500 euro), beneden modaal, boven modaal en ‘weet niet/geen antwoord’), belangrijkste inkomstenbron, opleidingsniveau, stedelijkheid, geslacht, het wel of niet hebben van een partner en het wel of niet hebben van kinderen. Tegelijkertijd controleren we voor veranderingen in het huishoudinkomen en de financiële situatie in de afgelopen twaalf maanden door het gemiddelde van beide stellingen te nemen (allebei vijfpuntsschaal plus ‘weet niet/geen antwoord’, Cronbach’s α = 0,82).

Daarnaast houden we rekening met de impulsiviteit van respondenten, als het gemiddelde van hun antwoorden op de stellingen ‘Ik koop vaak dingen impulsief’, ‘Ik kom geld tekort omdat ik te veel uitgeef’ en ‘Ik heb de neiging dingen te kopen, zelfs als ik ze niet echt kan betalen’ (alle drie elfpuntsschaal plus ‘weet niet/geen antwoord’, Cronbach’s α = 0,83). Tot slot nemen we in de regressieanalyses de vraag mee of respondenten de afgelopen twaalf maanden een huis hebben gekocht, omdat dit tijdelijk dubbele woonlasten kan betekenen.

De hoogte van de huur of hypotheek van respondenten is niet bekend. Idealiter hadden we deze informatie meegenomen in de analyses, maar we veronderstellen dat de hoogte van de woonlasten na controle van bovenstaande variabelen tot uiting komen in het type huis. Causaliteit is met ons onderzoek niet vast te stellen, en een selectie-effect valt niet uit te sluiten – bijvoorbeeld doordat huurders zonder financiële problemen gemakkelijker doorstromen naar een koopwoning.

Huurders zien woonlasten vaker stijgen dan huiseigenaren

Figuur 2: Uitgaven aan huur vaker gestegen dan aan hypotheek
Figuur 2: Uitgaven aan huur vaker gestegen dan aan hypotheekBron: RaboResearch

Dat huurders gemiddeld een hogere woonquote hebben dan huiseigenaren, kan onder meer worden verklaard doordat huren vrijwel elk jaar[1] stijgen, mede als gevolg van huurindexering. De lasten van huiseigenaren kunnen – afhankelijk van de hypotheekvorm, het inkomen en de hoogte van de rente – weliswaar ook toenemen. Toch zien we in onze enquête dat huurders in de gereguleerde sector zes keer zo vaak als huiseigenaren aangeven dat hun uitgaven aan huur of hypotheek de afgelopen twaalf maanden zijn gestegen. Huurders in de vrije sector geven dit zelfs negen keer zo vaak aan (zie figuur 2).

Figuur 3: Huurders somberder over toekomst
Figuur 3: Huurders somberder over toekomstBron: RaboResearch

Huiseigenaren geven juist vaker aan dat hun uitgaven zijn gedaald, vooral vergeleken met huurders in de vrije sector. Huiseigenaren die de afgelopen twaalf maanden extra hebben afgelost, of hun hypotheek hebben overgesloten, geven vaker aan dat hun uitgaven aan de hypotheek zijn gedaald. Verder kan meespelen, hoewel we dat niet hebben uitgevraagd, dat de sterk stijgende huizenprijzen de loan-to-value-verhouding verbeteren, waar vaak een hypotheekrentekorting tegenover staat.

Vaker roodstand en te laat betaalde rekeningen onder huurders

Tabel 1 toont de uitkomsten van de (geordende) logistische regressieanalyses, uitgedrukt in odds ratio’s. Een odds ratio toont de kans dat de afhankelijke variabele verandert door een verandering van één categorie in de onafhankelijke variabele, in dit geval type huis. Een koopwoning is hierbij telkens de referentiecategorie. Een odds ratio tussen 0 en 1 betekent dat huurders een kleinere kans hebben dan huiseigenaren om hoger te scoren op de afhankelijke variabele; boven de 1 hebben huurders juist een grotere kans dan huiseigenaren om hoger te scoren op de afhankelijke variabele.

Huurders in zowel de gereguleerde als de vrije huursector hebben een significant kleinere kans dan huiseigenaren om de afgelopen twaalf maanden regelmatig geld te hebben overgehouden (de odds ratio is kleiner dan 1). De kans is daarentegen significant groter dat zij spaargeld hebben moeten gebruiken voor de vaste lasten of dagelijkse uitgaven, dat ze rekeningen te laat hebben betaald of rood hebben gestaan vanwege geldgebrek (de odds ratio is groter dan 1).

De verwachtingen van respondenten voor de komende twaalf maanden laten vergelijkbare uitkomsten zien. Huurders in beide segmenten hebben een significant kleinere kans te verwachten dat zij regelmatig geld zullen overhouden. En de kans is juist groter dat ze voorzien dat ze spaargeld moeten gebruiken voor de dagelijkse uitgaven of vaste lasten, rood zullen staan vanwege geldgebrek en rekeningen te laat zullen betalen vanwege geldgebrek.

Tot slot is de kans voor huurders groter dan voor huiseigenaren dat zij zich vaak zorgen maken over geld. In geen van de analyses zien we significante verschillen tussen huurders in de gereguleerde en die in de vrije sector.

Tabel 1: De kans dat huurders hoger scoren op de afhankelijke variabele dan huiseigenaren
Tabel 1: De kans dat huurders hoger scoren op de afhankelijke variabele dan huiseigenarenBron: RaboResearch.
Noot: * is een p-waarde < 0,05; ** is een p-waarde < 0,01; *** is een p-waarde < 0,001.

Discussie

In ons onderzoek zien we dat alle huurders, ook die in de vrije sector, financieel kwetsbaarder zijn dan huiseigenaren. Deze resultaten zijn in lijn met onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving naar betaalrisico’s, waarbij rekening is gehouden met de hoogte van de woonlasten (PBL, 2020). De uitkomsten van onze studie kunnen erop wijzen dat de verhouding tussen de huren en inkomens knelt. Intussen wijkt een groeiende groep Nederlanders noodgedwongen uit naar de huursector, omdat een koopwoning door de stijgende prijzen steeds verder uit zicht raakt.

Literatuur

Aalders, R., Hardeman, S., Raspe, O., Van Bavel, B., Van der Lippe, T., Philips, R., Rijpma., A. & Stam, E. (2021). Laat herstel brede welvaart niet weer tien jaar duren.

Hochstenbach, C., & Arundel, R. (2021). The unequal geography of declining young adult homeownership: Divides across age, class, and space. Transactions of the Institute of British Geographers, 45, 464-482

I&O Research (2020) Onderzoek woningmarkt, huren en huurverhoging. Rapport I&O Research in opdracht van SP.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2019). Ruimte voor wonen: de resultaten van het WoON2018 (interactief). https://www.woononderzoek.nl

PBL (2020) Betaalrisico’s wonen. https://themasites.pbl.nl/balans-leefomgeving/indicatoren/nl0147-betaalrisicos-wonen/

Prins, A. C., & Vrieselaar, N. (2019). Huurders hebben meer moeite met sparen. Economisch Statistische Berichten, 104, 534–535.

 

Voetnoot
[1] Een uitzondering is de periode van juli 2021 tot en met juni 2022, omdat de huren voor huurders in de gereguleerde sector niet zijn verhoogd met de algemene inflatie, maar tijdelijk zijn bevroren. Voor huurders in de vrije sector worden de huren in deze periode zoals gebruikelijk geïndexeerd.

Delen:
Auteur(s)
Nic Vrieselaar
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 2216 2257
Carlijn Prins
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 1929 6455

naar boven