RaboResearch - Economisch Onderzoek

Verenigingsleven hangt samen met welzijn, maar staat onder druk door corona

Special

Delen:
  • 42 procent van de Nederlanders tussen de 18 en 80 jaar is de afgelopen twaalf maanden betrokken geweest bij een vereniging, zo blijkt uit een enquête onder ruim 2.000 mensen
  • Het verenigingsleven hangt positief samen met het welzijn van Nederlanders
  • Verenigingsleden en andere betrokkenen zijn namelijk tevredener over hun sociale leven, voelen ze zich meer betrokken bij wat er in hun directe leefomgeving gebeurt en vinden de dingen die ze in hun leven doen meer de moeite waard
  • Deze verschillen blijven overeind, zelfs als rekening wordt gehouden met andere kenmerken van respondenten, zoals leeftijd, opleiding, inkomen en in hoeverre ze extravert of introvert zijn
  • Tijdens de strengste fase van de intelligente lockdown kreeg het verenigingsleven wel een flinke knauw: twee derde kwam in die periode minder vaak op de club dan normaal. Bijna de helft zegt dat hij of zij er die maanden zelfs zelden of nooit is geweest
  • 68 procent zegt zijn vereniging of club te hebben gemist tijdens de strengste lockdown-maatregelen tussen maart en juli van dit jaar
  • Het stilvallen van het verenigingsleven heeft mogelijk ook invloed gehad op eenzaamheid tijdens de lockdown, want betrokkenen geven vaker dan niet-betrokkenen aan dat ze zich in die periode weleens eenzaam hebben gevoeld
  • De strengere corona-maatregelen die het kabinet eind september 2020 aankondigde zullen het verenigingsleven en daarmee naar verwachting het welzijn en sociale leven van Nederlanders vermoedelijk opnieuw onder druk zetten

Het verenigingsleven in Nederland

Of het nu gaat om een sportvereniging, hobbyclub, carnavalsvereniging of toneelclub: verenigingen spelen een prominente rol in het leven van veel Nederlanders. Uit een representatieve enquête onder ruim 2.000 Nederlanders blijkt namelijk dat 42 procent van de 18- tot en met 80-jarigen betrokken is bij een vereniging (of dat is geweest in de voorbije twaalf maanden). En 72 procent van hen geeft aan dat zij normaal gesproken tenminste eens per week op de club zijn; 28 procent is het zelfs eens met de stelling dat zijn vereniging of club als een tweede thuis voelt. Het leeuwendeel van de betrokkenen, 82 procent, is ook lid van de vereniging.

Figuur 1: Samenvatting van de studie
Figuur 1: Samenvatting van de studieBron: RaboResearch

De meeste Nederlanders betrokken bij een vereniging zijn dat als speler of deelnemer, maar veel mensen geven (ook) aan vrijwilliger te zijn, bestuurslid, toehoorder/supporter of coach/begeleider. Sportverenigingen kennen de grootste aanhang, gevolgd door hobbyclubs en cultuurverenigingen (zie figuur 3). Verder kwam in de enquête naar voren dat deelname in het verenigingsleven afneemt naarmate mensen ouder zijn, maar toeneemt onder Nederlanders vanaf een jaar of zestig (zie figuur 2).

Figuur 2: Jong en oud vaker betrokken
Figuur 1: Jong en oud vaker betrokkenBron: RaboResearch
Figuur 3: Sport en hobby vaakst genoemd
Figuur 2: Sport en hobby vaakst genoemdBron: RaboResearch

Het kunnen uitoefenen van de hobby, en/of meer bewegen worden vaak genoemd als reden om betrokken te zijn bij een vereniging (zie tabel 1). Ook de meest genoemde drijfveren raken aan het welzijn van mensen en hun sociale leven. Zo wordt plezier het vaakst genoemd, gevolgd door ontspanning. Gezelligheid staat op de derde plek, mensen ontmoeten op plek zes.

Tabel 1: Redenen om betrokken te zijn bij een vereniging (meerdere antwoorden waren mogelijk)
Tabel 1: Redenen om betrokken te zijn bij een vereniging (meerdere antwoorden waren mogelijk)Bron: RaboResearch

Betrokkenheid bij verenigingen hangt samen met ons welzijn

Figuur 4: Tevredener met hun sociale leven
Figuur 3: Tevredener met hun sociale levenBron: RaboResearch

Nederlanders geven dus aan dat plezier en sociale contacten belangrijke redenen zijn om betrokken te zijn bij een vereniging. Maar hebben zij dan ook een hoger welzijn dan mensen die niet betrokken zijn bij verenigingen? Aan het begin van de enquête hebben we respondenten gevraagd naar hun sociale leven, hun betrokkenheid bij de directe leefomgeving en in welke mate ze de dingen die ze in hun leven doen de moeite waard vinden. Door de antwoorden op deze vragen te vergelijken tussen mensen die aangeven wel en niet betrokken te zijn bij een vereniging, krijgen we een beeld van het belang van het verenigingsleven voor het welzijn van Nederlanders. Daarbij houden we rekening met demografische, sociaal-economische en persoonlijkheidskenmerken van respondenten.

Rijker sociaal leven

Figuur 5: Hogere score voor betekenisvol leven
Figuur 4: Hogere score voor betekenisvol levenBron: RaboResearch

Zo blijken de Nederlanders die betrokken zijn bij een vereniging tevredener te zijn met hun sociale leven. Op een schaal van 0 (helemaal niet) tot en met 10 (heel erg) geeft 42 procent van de mensen die niet betrokken is bij een vereniging zijn of haar sociale leven tenminste een 8. Dat percentage ligt onder mensen die wel betrokken zijn bij een vereniging met 51 procent een stuk hoger (zie figuur 4). Ook vinden Nederlanders die betrokken zijn bij een vereniging hun leven doorgaans betekenisvoller. Op een schaal van 0 (helemaal niet) tot 10 (heel erg) gaf 48 procent van de Nederlanders die niet betrokken zijn bij een vereniging een score van 8 of hoger op de vraag in hoeverre zij de dingen die ze in hun leven doen de moeite waard vinden. Onder verenigingsleden en andere betrokkenen is dat 59 procent (zie figuur 5).

Figuur 6: Verenigingsmensen vaker een grotere vriendenkring
Figuur 5: Verenigingsmensen vaker een grotere vriendenkringBron: RaboResearch

Het lijkt erop dat de invloed van het verenigingsleven op het welzijn en sociale tevredenheid van Nederlanders vooral loopt via de sociale netwerkfunctie van verenigingen. We zien namelijk dat Nederlanders die betrokken zijn bij een vereniging aangeven een grotere vriendenkring te hebben dan Nederlanders die niet bij een vereniging betrokken zijn (figuur 6). En houden we rekening met die omvang van de vriendenkring in de analyse, dan vinden we niet langer een direct effect van betrokkenheid bij verenigingen op de tevredenheid met het sociale leven en de mate waarin mensen de dingen die ze doen de moeite waard vinden. Met andere woorden: verenigingsleden en andere betrokkenen hebben meer mensen die zij als vriend, vriendin of echt goede kennis beschouwen. En wie meer vrienden heeft, is tevredener over zijn sociale leven en vindt daarmee de dingen die hij of zij in het leven doet meer de moeite waard.

De positieve relatie tussen verenigingen en het sociale leven komt verder naar voren in het gevoel van eenzaamheid. Als vierde vraag vulden respondenten de verkorte eenzaamheidsschaal in van De Jong Gierveld (2006). Deze bestaat uit zes stellingen, waarvan drie gaan over ‘sociale eenzaamheid’ (de afwezigheid van een sociaal netwerk) en drie over ‘emotionele eenzaamheid’ (de afwezigheid van intieme relaties). Nederlanders die betrokken zijn bij een vereniging, beschikken niet zozeer over meer of minder intieme relaties dan Nederlanders die niet bij verenigingen betrokken zijn – en zijn dus niet meer of minder emotioneel eenzaam - maar zij voelen zich in sociale zin wel minder eenzaam. Dit laatste sluit aan bij de omvangrijkere vriendenkring van mensen die betrokken zijn bij verenigingen en bij de sociale rol die vaak aan verenigingen wordt toegedicht: 71 procent van de Nederlanders die betrokken is bij verenigingen, is het dan ook eens met de stelling dat verenigingen een belangrijke sociale functie hebben.

Meer betrokken bij de eigen leefomgeving

Figuur 7: Verenigingsleden en andere betrokkenen voelen zich meer betrokken bij wat er in hun directe leefomgeving gebeurt
Figuur 6: Verenigingsleden en andere betrokkenen voelen zich meer betrokken bij wat er in hun directe leefomgeving gebeurtBron: RaboResearch

Nederlanders die deelnemen aan het verenigingsleven geven ook aan dat zij zich meer betrokken voelen bij wat er gebeurt in hun directe leefomgeving, zoals de buurt, wijk en gemeente. Op een schaal van 1 (helemaal niet betrokken) tot en met 7 (heel erg betrokken), geeft 63 procent een score van 5 of hoger. Onder Nederlanders die niet betrokken zijn bij een vereniging is dat 52 procent (zie figuur 7). Zelfs wanneer we in onze analyse rekening houden met de hierboven beschreven sociale functie van verenigingen, blijft het verschil in ervaren betrokkenheid bij de eigen leefomgeving overeind tussen mensen die wel en niet betrokken zijn bij verenigingen.

De positieve samenhang tussen betrokkenheid bij een vereniging en betrokkenheid bij de directe leefomgeving kan deels komen doordat het leveren van een bijdrage aan de leefomgeving voor sommigen een reden vormt om betrokken te zijn bij een vereniging. Zo geeft 13 procent van de Nederlanders die betrokken is bij een vereniging aan dat het leveren van een maatschappelijke bijdrage een reden is voor deze betrokkenheid. En wanneer we onderscheid maken tussen type betrokkenen, dan zien we dat mensen die onder meer als begeleider, vrijwilliger of bestuurslid zijn betrokken bij een vereniging zich het meest betrokken voelen bij hun directe leefomgeving. Meer nog dan deelnemers en sporters.

Verenigingsleven onder druk door corona

Tijdens de lockdown naar aanleiding van Covid-19 tussen maart en juli van dit jaar viel het verenigingsleven voor een groot deel stil: competities werden opgeschort, optredens gecanceld en bijeenkomsten afgelast. De meeste betrokkenen, 68 procent, hebben hun vereniging dan ook gemist tijdens de lockdown. Niet gek, want ruim twee derde van de betrokkenen, 68 procent, is tijdens de strengste fase van de maatregelen dan ook minder vaak op de vereniging geweest. Waar in normale tijden bijvoorbeeld bijna 72 procent van de Nederlanders die betrokken zijn bij een vereniging, tenminste één keer per week op de club is, was dat in de strengste lockdown-fase nog maar 27 procent (figuur 8). En juist de Nederlanders die in die strengste fase minder op de vereniging zijn geweest, geven vaker aan dat ze hun club hebben gemist: 73 procent versus 59 procent van degenen die net zo vaak of vaker op de vereniging waren tijdens de intelligente lockdown.

Het stilvallen van het verenigingsleven heeft mogelijk ook invloed gehad op hoe eenzaam betrokkenen zich hebben gevoeld tijdens de lockdown. Want vaker dan Nederlanders die niet betrokken zijn geweest bij een vereniging, geven verenigingsmensen aan zich tijdens de lockdown weleens eenzaam te hebben gevoeld (figuur 9). Dat staat in schril contrast met de normale gang van zaken, waarbij degenen die betrokken zijn bij een vereniging juist een rijker sociaal leven lijken te leiden.

Figuur 8: Niet meer op de club
Figuur 7: Niet meer op de clubBron: RaboResearch
Figuur 9: Eenzamer tijdens de lockdown
Figuur 8: Eenzamer tijdens de lockdownBron: RaboResearch

Opnieuw maatregelen die verenigingsleven raken

Eerder onderzoek van RaboResearch liet zien dat de coronacrisis tot halverwege dit jaar zeker (nog) niet alle onderdelen van ons welzijn heeft aangetast. Wel constateerden we toen dat het sociale leven en de tevredenheid van Nederlanders wel degelijk onder druk staan - typisch onderdelen waar het verenigingsleven een bijdrage aan kan leveren. Nu blijkt dat verenigingen inderdaad een positieve rol lijken te spelen in het welzijn van hun leden en andere betrokkenen. Zij zijn namelijk tevredener over hun sociale leven, voelen zich meer betrokken bij wat er in hun directe leefomgeving gebeurt en vinden de dingen die ze in hun leven doen meer de moeite waard.

De maatregelen die van 16 maart tot 1 juni nodig waren om grip te krijgen op het coronavirus, hebben het verenigingsleven een flinke knauw gegeven. Niet alleen misten veel Nederlanders hun club, het stilvallen van het verenigingsleven heeft mogelijk ook invloed gehad op eenzaamheid tijdens de lockdown. Betrokkenen geven namelijk vaker aan dat zich in die periode weleens eenzaam hebben gevoeld dan niet-betrokkenen. Het recente oplopende aantal coronabesmettingen, en de nieuwe maatregelen, kunnen het verenigingsleven en daarmee het welzijn van Nederlanders opnieuw onder druk zetten. Angst voor het virus kan mensen weghouden, bovendien moeten supporters van amateurverenigingen wederom thuisblijven en zijn clubhuizen weer op slot.

Literatuur

De Jong Gierveld, J. & van Tilbug, T. (2006). A 6-Item Scale for Overall, Emotional, and Social Loneliness: Confirmatory Tests on Survey Data, Research on Ageing, 28, 582 – 598.

Gosling, S. D., Rentfrow, P. J., & Swann Jr, W. B. (2003). A very brief measure of the Big-Five personality domains. Journal of Research in Personality, 37(6), 504-528.

Hardeman, S., Aalders, R., & Raspe, O. (2020). De eerste haarscheurtjes in brede welvaart worden zichtbaar.

Appendix: onderzoeksverantwoording

Voor dit onderzoek hebben we een vragenlijst uitgezet in augustus 2020 onder 2.023 Nederlanders van 18 tot en met 80 jaar, die na weging representatief is voor de Nederlandse bevolking. Hieronder beschrijven we de vragen die in de huidige analyse zijn gebruikt.

De eerste vragen hadden betrekking op het welzijn van respondenten. We vroegen hen als eerste om op een schaal van 0 tot en met 10 aan te geven in welke mate ze de dingen die ze in hun leven doen de moeite waard vinden. Daarna vroegen we ze in hoeverre ze zich betrokken voelen bij wat er gebeurt in hun leefomgeving (buurt, wijk, gemeente). Deze vraag is uitgevraagd op een schaal van 1 (helemaal niet betrokken) tot en met 7 (heel erg betrokken). Vervolgens vroegen we respondenten om op een schaal van 0 tot en met 10 aan te geven in welke mate ze tevreden zijn met hun sociale leven. Daarna volgden zeven items van de De Jong-Gierveld-eenzaamheidsschaal, waarvan zes de verkorte schaal vormen. Drie daarvan vormen een maatstaf voor sociale eenzaamheid, en drie voor emotionele eenzaamheid. Ook hebben we respondenten - verderop in de vragenlijst- gevraagd hoeveel mensen zij als vriend, vriendin of echt goede kennis zien. Die vraag telde 7 antwoordcategorieën, lopend van ‘0’ tot ‘meer dan 20’ en ‘weet niet/geen antwoord’.

Om de betrokkenheid bij verenigingen of clubs vast te stellen vroegen we respondenten of ze in de afgelopen twaalf maanden betrokken zijn geweest bij verenigingen en clubs (niet discotheken). Met een vereniging of club bedoelen we een organisatie waar leden een deel van hun vrije tijd besteden en/of hobby uitoefenen. Het gaat om sportverenigingen, zang-, muziek- of toneelverenigingen, hobbyverenigingen, jeugdorganisaties, serviceclubs, carnavalsverenigingen en studentenverenigingen. Patiëntenverenigingen, commerciële verenigingen, religieuze organisaties, goede doelen en politieke verenigingen laten we hier buiten beschouwing. Respondenten konden aangeven bij meerdere verenigingen of clubs betrokken te zijn.

Betrokkenheid is breder gedefinieerd dan lidmaatschap. De rollen waarin respondenten konden aangeven betrokken te zijn, waren: deelnemer/speler, begeleider/coach/trainer, bestuurslid, commissielid, andere vrijwilliger, sponsor/donateur, supporter/toehoorder, of anders. Vervolgens vroegen we respondenten of ze lid waren van een vereniging of club, en – indien ze bij meerdere clubs betrokken zijn - welke club voor hen het meest belangrijk is. Wie bij meer dan één vereniging of club betrokken was, werd gevraagd de rest van de vragen telkens te beantwoorden met die belangrijkste vereniging of club in gedachten. Betrokken zijn bij een vereniging is een dichotome variabele, waarvan de categorieën bestaan uit ‘wel betrokken’ zijn en ‘niet betrokken zijn’. Lidmaatschap is een variabele met drie categorieën, ‘niet betrokken en niet lid’, ‘wel betrokken maar niet lid’, en ‘betrokken en lid’. Om informele (vrienden)clubs uit te sluiten, hebben we een ondergrens gelegd bij verenigingen of clubs met meer dan tien leden. Hierdoor werden 46 respondenten toegewezen aan de categorie ‘niet betrokken.

Respondenten konden via 18 verschillende antwoordcategorieën en ‘weet niet/geen antwoord’ aangeven wat voor hen redenen waren om betrokken te zijn bij een vereniging of club. Zie tabel 1 voor de antwoordopties. We vroegen respondenten verder hoe vaak ze normaal gesproken op de vereniging of club zijn, dus in de periode vóór 16 maart 2020 (vóór de lockdown-maatregelen door het coronavirus). En we vroegen ze hoe vaak ze tussen 16 maart 2020 en 1 juli 2020 op de vereniging of club waren, dus juist tijdens de strengste fase van de lockdown. Er waren zeven antwoordcategorieën, lopend van ‘dagelijks’ tot ‘zelden of nooit’, en ‘weet niet/geen antwoord’. Hiermee stelden we in de analyse vast wie tijdens de strengste fase van de lockdown minder vaak op de vereniging of club was, en wie net zo vaak of zelfs vaker op de vereniging was. De antwoorden zijn daarnaast omgezet in de antwoordcategorieën ‘tenminste 1x per week’, ‘tenminste 1x per maand’, ‘minder dan 1x per maand’, ‘zelden tot nooit’ en ‘geen antwoord’.

Verder legden we respondenten verscheidene stellingen voor over het verenigingsleven en de impact van de lockdown op het verenigingsleven en op eenzaamheid. De antwoorden bestonden uit vijf categorieën lopend van ‘helemaal mee oneens’ tot ‘helemaal mee eens’ en ‘weet niet/geen antwoord’. Deze zijn omgezet naar de antwoordcategorieën ‘oneens’, ‘neutraal’, ‘eens’ en ‘geen antwoord’.

Met (ordinale) logistische regressie-analyses en gepaarde vergelijkingen met Bonferroni-correctie keken we naar eventuele verschillen tussen groepen. Daarbij hebben we rekening gehouden met de leeftijd, het geslacht, opleidingsniveau, inkomen op huishoudniveau, de provincie en gezinssamenstelling van respondenten. Bij de welzijnsvragen en de omvang van de vriendenkring hebben we aanvullend rekening gehouden met de big five-persoonlijkheidskenmerken. Alle in deze studie genoemde verschillen zijn significant op tenminste 5% (p < 0,05).

Delen:

naar boven