RaboResearch - Economisch Onderzoek

Ruimtelijke gevolgen van de coronacrisis

Special

Delen:
  • Door de economische teruggang als gevolg van de coronacrisis daalt de omvang van de werkgelegenheid en nemen het woon-werkverkeer en het aantal verhuizende personen in Nederland af
  • Sectoren verschillen in de mate van teruggang, de mogelijkheden tot thuiswerken en ruimtelijke spreiding. Hierdoor neemt het inkomende woon-werkverkeer vooral in de grote centra van werkgelegenheid af, het uitgaande woon-werkverkeer vooral in woongemeenten
  • De omvang van de werkgelegenheid is van invloed op het aantal personen dat van of naar een gemeente verhuist. Thuiswerken en de krimp van de werkgelegenheid leiden vooral tot een daling van het aantal personen dat zich in de steden vestigt
  • Door deze daling zou een verschuiving van een deel van het woningbouwprogramma naar landelijke regio’s en gemeenten nodig kunnen zijn

De coronapandemie heeft grote gevolgen voor de Nederlandse economie. Voor 2020 wordt voor het land als geheel een economische krimp van ruim 5 procent verwacht (Rabobank, 2020a). De economische krimp verschilt sterk per sector. Doordat de sectorstructuur van gebied tot gebied verschilt, is de regionale variatie in economische ontwikkeling ook fors (Rabobank, 2020b). Als gevolg van deze regionale variatie in economische prestatie mogen ook regionale verschillen worden verwacht in de werkgelegenheidsontwikkeling. Bovendien verschillen de mogelijkheden tot thuiswerken per sector. Hierdoor is de regionale sectorstructuur van invloed op het woon-werkverkeer. Omdat de bereikbaarheid van werkgelegenheid een belangrijke aanleiding is om te verhuizen, zou regionale variatie in de ontwikkeling van de werkgelegenheid ook kunnen leiden tot veranderingen in het verhuispatroon. In deze studie verkennen we de gevolgen die de coronacrisis zou kunnen hebben voor de regionale variatie in de ontwikkeling van de werkgelegenheid, het woon-werkverkeer en verhuizingen[1]. We proberen hiermee bij te dragen aan de discussie over de ontwikkeling van de ruimtelijke structuur in Nederland.

De invloed van corona op het aantal werkzame personen per regio

Economische activiteiten verschillen in de mate waarin zij worden getroffen door de gevolgen van de coronapandemie (Rabobank, 2020a). In horeca en culturele diensten is de economische teruggang zeer sterk, maar in de financiële en collectieve dienstverlening veel minder sterk[2] (figuur 1).

Doordat de sectorsamenstelling van gebied tot gebied verschilt, varieert ook de economische ontwikkeling per regio (Rabobank 2020b). Als gevolg hiervan verschilt ook de werkgelegenheidsontwikkeling per regio[3] [4](figuur 2). In stedelijke gebieden met een groot aandeel van horeca en culturele diensten, zoals Amsterdam, staat de werkgelegenheid veel sterker onder druk dan in stedelijke regio’s met een groot aandeel van gezondheidszorg – Arnhem/Nijmegen – en regio’s met een groot aandeel van productieactiviteiten, zoals Rijnmond.

Figuur 1: Verwachte economische ontwikkeling per sector 2019-2020
Figuur 1: Verwachte economische ontwikkeling per sector 2019-2020Bron: RaboResearch
Figuur 2: Raming ontwikkeling aantal werkzame personen 2019-2020
Figuur 2. Raming ontwikkeling aantal werkzame personen 2019-2020Bron: ABF, RaboResearch

Mogelijkheden tot thuiswerken verschillen per sector

Figuur 3: Aandeel thuiswerkers per sector 2020
Figuur 3. Aandeel thuiswerkers per sector 2020Bron: RaboResearch

De sectorale verschillen in economische krimp die voor 2020 worden verwacht, zijn voor een deel het gevolg van verschillen in de mogelijkheden om klanten persoonlijk te kunnen blijven bedienen tijdens de lockdown. Deze mogelijkheden verschillen sterk per sector (Rabobank, 2020c). Als taken met elektronische hulpmiddelen kunnen worden uitgevoerd, kan een werkzame persoon deze vaak ook vanuit huis verrichten. In zakelijke en financiële dienstverlening is het aantal potentiële thuiswerkers dan ook zeer groot (figuur 3). Als taken plaatsgebonden zijn –productie – of als persoonlijk contact nodig is – horeca, zorg – is het echter nauwelijks mogelijk om vanuit huis te werken. In totaal is thuiswerken voor 40 procent van de werkzame beroepsbevolking mogelijk. Dit aandeel verschilt echter sterk per gebied. In gebieden waar het aandeel van productieactiviteiten, horeca of zorg in de werkgelegenheid groot is, is het deel van de werkzame personen dat thuis kan werken veel kleiner dan in gebieden waar het aandeel van zakelijke en financiële diensten in de werkgelegenheid groot is.

Thuiswerken zorgt voor verandering van werkplek…

Figuur 4: Ontwikkeling aantal aanwezige leden van de werkzame beroepsbevolking bij raming economische krimp en thuiswerken 2019-2020
Figuur 4. Ontwikkeling aantal aanwezige leden van de werkzame beroepsbevolking bij raming economische krimp en thuiswerken 2019-2020Bron: ABF, RaboResearch

Bovendien verschillen woon- en werkplaats vaak van elkaar. Twee derde deel van de werkzame personen werkt buiten zijn woongemeente. De helft van deze pendelaars werkt in een andere dan de regio waar hij of zij woont. Werkgelegenheidskrimp ten gevolge van de coronacrisis in een gebied treft hierdoor niet alleen de beroepsbevolking in dat gebied, maar ook werkzame personen die elders wonen. Omgekeerd kan de krimp van de regionale werkgelegenheid voorbijgaan aan de werkzame beroepsbevolking die buiten de regio werkzaam is. Het verschil tussen woon- en werkplaats heeft ook tot gevolg dat thuiswerken vaak plaatsvindt in een andere dan de gemeente waar de werkgelegenheid zich bevindt. De werkzame persoon bevindt zich bij thuiswerken tijdens zijn arbeidsuren niet langer in zijn standplaats, maar in zijn woonplaats. Thuiswerken leidt dus tot verandering van de locatie waar werkzame personen aanwezig zijn. Door het verschil in sectorstructuur tussen gebieden varieert de ontwikkeling van het aantal aanwezige werkzame personen per gebied (figuur 4). Grote werkgelegenheidscentra – waar het aandeel van zakelijke en financiële diensten in de werkgelegenheid vaak groot is – zullen hun aandeel in het aantal aanwezige werkzame personen zien dalen. In deze gemeenten is het aantal arbeidsplaatsen immers groot in verhouding tot de omvang van de werkzame beroepsbevolking. Het aandeel in de aanwezige werkzame personen van voorsteden die vooral een woonfunctie vervullen zal echter toenemen. Hier is het aantal arbeidsplaatsen juist klein ten opzichte van de omvang van de werkzame beroepsbevolking. Onder de aanname dat de verhouding tussen de werkzame beroepsbevolking en het aantal pendelaars per sector hetzelfde is[5], zal de combinatie van werkgelegenheidskrimp en thuiswerken de concentratie van aanwezige werkzame personen op gemeenteniveau naar verwachting met een kwart doen afnemen[6]. Het woon-werkverkeer tussen gemeenten zal met bijna de helft dalen.

… maar het ruimtelijke patroon verandert nauwelijks

Figuur 5: Afwijking (standaarddeviaties) aantal werkzame personen per ha bebouwd areaal t.o.v. NL 2019
Figuur 5: Afwijking (standaarddeviaties) aantal werkzame personen per ha bebouwd areaal t.o.v. NL 2019Bron: ABF

Zowel het inkomende als het uitgaande woon-werkverkeer in een gemeente neemt door thuiswerken af. In gemeenten waar de woonfunctie overheerst – het uitgaande woon-werkverkeer is groter dan het inkomende – is het aantal thuiswerkers groter dan het aantal werkplekken dat niet wordt bezet door thuiswerkers die elders wonen. Hierdoor neemt in deze gemeenten bij thuiswerken de verhouding tussen inkomend en uitgaand woon-werkverkeer toe. Hun werkgelegenheidsfunctie wordt sterker. Hetzelfde geldt voor kleine gemeenten met een sterke werkgelegenheidsfunctie, zoals Diemen, Son en Breugel en Zoeterwoude. In grote werkgelegenheidscentra – Amsterdam, Rotterdam – neemt de werkgelegenheidsfunctie juist af. Doordat in deze grote centra van werkgelegenheid de werkzame beroepsbevolking – en dus het aantal thuiswerkers – ook omvangrijk is, is de daling van de werkgelegenheidsfunctie doorgaans niet groot. De verschuiving in de plek waar werkzame personen zich bevinden door thuiswerken dempt weliswaar het verschil in ruimtelijke spreiding tussen (werkzame beroeps-)bevolking en werkgelegenheid en dus de variatie in functie tussen werk- en woongemeenten, maar brengt nauwelijks veranderingen teweeg in het ruimtelijke patroon van aanwezige werkzame personen (figuur 5). De correlatiecoëfficiënt is 0,94[7]. Zowel de werkzame personen in 2019 als de aanwezige werkzame beroepsbevolking in 2020 zijn sterk in de grote steden en in het westen van het land geconcentreerd.

De slinger slaat weer (wat) terug

Naar verwachting zal de Nederlandse economie na de krimp van 2020 in 2021 opveren. Deze groei (2,1 procent) zal echter de daling in 2020 (5,7 procent) niet goedmaken (Rabobank, 2020a). De sectorale samenhang tussen de economische krimp in 2020 en de groei in 2021 is verder niet sterk. Vooral in delfstoffenwinning, bouwnijverheid, zakelijke dienstverlening en horeca zal de groei in 2021 te zwak zijn om het verlies van 2020 te compenseren. Hoewel de aandelen van deze sectoren in de werkgelegenheid per gebied verschillen, zal het regionale patroon van de voor 2021 verwachte economische groei praktisch het spiegelbeeld zijn van het regionale patroon van de voor 2020 verwachte economische krimp. De correlatiecoëfficiënt is -.92. Regio’s die in 2020 fors aan werkgelegenheid verloren, zullen in 2021 waarschijnlijk sterk winnen. Onder handhaving van de aanname omtrent het thuiswerken per sector[8] (figuur 3), zal deze heropleving van de economie niet leiden tot een sterke toename van het woon-werkverkeer en de regionale concentratie van aanwezige werkzame personen. De omvang van het woon-werkverkeer zal in 2021 naar verwachting 43 procent minder zijn dan voor de coronacrisis en de concentratie van werkzame personen over het land 22 procent minder. Desondanks zal het ruimtelijke patroon van aanwezige werkzame personen nauwelijks veranderen. Het onderscheid tussen grootstedelijke werkgelegenheidscentra en woongemeenten zal blijven bestaan.

Locatie werkgelegenheid van invloed op verhuizing

Figuur 6: Aantal verhuizende personen in Nederland 1990-2018
Figuur 6. Aantal verhuizende personen in Nederland 1990-2018Bron: CBS

Afname van de omvang van het woon-werkverkeer en de concentratie van aanwezige werkzame personen is niet het enige ruimtelijke gevolg van de coronacrisis. De locatie van werkgelegenheid is een belangrijke factor voor verhuizing (CBS, 2005). Jaarlijks verhuizen 1,6 tot 1,8 miljoen Nederlanders naar een andere woning. Ruim 600.000 van deze verhuizende personen verandert niet alleen van woning, maar ook van woongemeente (figuur 6). Het aandeel van verhuizende personen in de Nederlandse bevolking verschilt van jaar tot jaar, per leeftijdscategorie en van plaats tot plaats.

De jaarlijkse variatie in het aantal verhuizende personen is onder meer het gevolg van variatie in het aantal nieuwbouwwoningen dat beschikbaar komt. De afgelopen dertig jaar schommelde het aantal verhuizende personen tussen 8,7 en 11,1 procent, het aantal tussen gemeenten verhuizende personen tussen 3,5 en 4,6 procent van de bevolking (figuur 7). Onder invloed van de economische conjunctuur kunnen voor de afgelopen dertig jaar drie cycli van toe- en afnemende verhuizingen worden onderscheiden (figuur 8). Onderstaande analyse stoelt op de jongste van deze cycli: de periode van 2011 tot en met 2018.

Figuur 7: Aantal verhuizende personen t.o.v. bevolkingsomvang Nederland 1990-2018
Figuur 7. Aantal verhuizende personen t.o.v. bevolkingsomvang Nederland 1990-2018Bron: ABF, CBS
Figuur 8: J-o-j-ontwikkeling aantal verhuizende personen in Nederland 1990-2018
Figuur 8. J-o-j-ontwikkeling aantal verhuizende personen in Nederland 1990-2018Bron: ABF, CBS

Leeftijdsafhankelijk verhuispatroon

Leeftijd speelt een grote rol bij verhuizing. Zowel het motief en de geneigdheid om te verhuizen als de bestemming verschilt per leeftijdscategorie. Jongvolwassenen verhuizen vooral omdat zij zelfstandig gaan wonen naar de stad (Rabobank, 2014). Starters op de arbeids- en woningmarkt verhuizen vooral naar gemeenten waar de woningvoorraad groeit en die toegang bieden tot werkgelegenheid. Ouderen hebben vaak een voorkeur voor ‘rust en ruimte’ en verhuizen doorgaans naar voorsteden of het landelijke gebied. Jongeren verhuizen veel vaker dan ouderen. Het aandeel van de jongeren in de binnenlandse migratie is dan ook veel groter dan hun aandeel in de bevolking.

Figuur 9: Aandeel per leeftijdscategorie in aantal tussen gemeenten verhuizende personen en bevolking 2011-2018
Figuur 9. Aandeel per leeftijdscategorie in aantal tussen gemeenten verhuizende personen en bevolking 2011-2018Bron: ABF, CBS

De leeftijdscategorieën van 15 tot en met 34 jaar waren in de periode 2011-2018 goed voor 57 procent van het aantal verhuizende personen, terwijl zij minder dan een kwart van de bevolking uitmaakten (figuur 9). Voor de andere leeftijdscategorieën is deze verhouding juist andersom. Door dit grote aandeel bepalen jongeren in belangrijke mate het ruimtelijke patroon van verhuizingen in Nederland. Niettemin hangt het aandeel van een gemeente in het aantal verhuizende personen sterk samen met haar inwonertal. Hoe groter het aantal inwoners, des te groter het aandeel in het aantal verhuizende personen. De correlatiecoëfficiënt, die kan variëren van 0 tot 1, bedraagt 0,97.

Factoren achter verhuizing tussen gemeenten

Figuur 10: Factoren die van invloed zijn op aantal personen dat tussen gemeenten verhuist 2011-2018
Figuur 10. Factoren die van invloed zijn op aantal personen dat tussen gemeenten verhuist 2011-2018Bron: ABF, CBS; bewerking RaboResearch

De omvang van de werkzame beroepsbevolking en de werkgelegenheid in een gemeente bepaalt het aantal verhuizende personen dat uit een gemeente vertrekt of er zich vestigt. De invloed van de omvang van de werkgelegenheid verschilt sterk per leeftijdscategorie (figuur 10). Voor de categorie van 15 tot en met 29 jaar is het aantal werkzame personen – werkgelegenheid – in de gemeente waarheen wordt verhuisd van veel groter belang voor het aantal verhuizingen dan voor andere leeftijdscategorieën. De invloed van de omvang van de werkzame beroepsbevolking varieert nauwelijks met de leeftijd. De omvang van de beroepsbevolking – omvang van de gemeente – is bij verhuizingen door jongeren en de leeftijdscategorie van 30 tot en met 64 jaar van praktisch hetzelfde belang. Zowel voor deze ‘middelbare’ categorie als voor ouderen is de omvang van de ‘brongemeente’ van groter belang dan de werkgelegenheid in de ‘doelgemeente’. Verhuizing van jongeren wordt dus vooral gestuurd door de aantrekkingskracht van de gemeente waar zij zich vestigen, verhuizing van personen in de andere leeftijdscategorieën door de omvang van de gemeente waar zij zich bevinden.

Daling aantal verhuizende personen

Figuur 11: Prognose aantal verhuizende personen 2020 per stedelijkheidsklasse t.o.v. gemiddelde 2011-2018
Figuur 11. Prognose aantal verhuizende personen 2020 per stedelijkheidsklasse t.o.v. gemiddelde 2011-2018Bron: ABF, CBS; bewerking RaboResearch

De verschuiving in het aantal aanwezige werkzame personen – werkgelegenheid – tussen gemeenten door de combinatie van economische teruggang en thuiswerken als gevolg van de coronacrisis heeft door deze invloed van de omvang van de werkzame beroepsbevolking en werkgelegenheid op het aantal verhuizingen vanuit en naar een gemeente gevolgen voor het aantal personen dat tussen gemeenten verhuist. Als andere factoren die van invloed zijn op verhuisgedrag buiten beschouwing worden gelaten, zoals binding aan familie, vrienden en voorzieningen in de nabijheid, neemt het aantal van of naar een gemeente verhuizende personen af met 5,5 voor elke daling van het aantal aanwezige werkzame personen met 100. De daling van het aantal binnenkomende personen verschilt sterk per stedelijkheidscategorie, de daling van het aantal vertrekkende personen veel minder (figuur 11). Dit verschil is het gevolg van het verschil in concentratie tussen werkgelegenheid en werkzame beroepsbevolking. De werkgelegenheid is sterk geconcentreerd in stedelijke kernen. De werkzame beroepsbevolking is veel gelijkmatiger over het land verdeeld.

Vooral daling inkomende personen in steden

Doordat de omvang van het aantal aanwezige werkzame personen – werkgelegenheid – in stedelijke centra fors afneemt, zien deze gemeenten het aantal inkomende personen van 30 jaar of ouder veel sterker afnemen dan landelijke gemeenten (figuur 12). Steden met een sterke werkgelegenheidsfunctie voor hun ommeland kunnen de sterkste daling van het aantal personen dat zicht er vestigt tegemoetzien. In onder meer Amsterdam, Eindhoven en Zwolle is deze daling het sterkst (figuur 13). In landelijke gemeenten en welvarende voorsteden is de afname het kleinst. De daling van het aantal personen in de leeftijdscategorie van 15 tot en met 29 jaar dat zich in een gemeente vestigt, is het grootst in de matig stedelijke gemeenten. Een groot deel van de gemeenten in deze categorie is voorstad van een grote, stedelijke werkgelegenheidskern. Ook de sterke daling van het aantal personen in de leeftijdscategorie van 15 tot en met 29 jaar in de matig stedelijke gemeenten wordt dus veroorzaakt door de daling van het aantal aanwezige werkzame personen in de steden.

Figuur 12: Prognose aantal personen dat zich in een gemeente vestigt 2020 per stedelijkheidsklasse t.o.v. gemiddelde 2011-2018
Figuur 12. Prognose aantal personen dat zich in een gemeente vestigt 2020 per stedelijkheidsklasse t.o.v. gemiddelde 2011-2018Bron: ABF, CBS; bewerking RaboResearch
Figuur 13: Prognose aantal personen dat zich in een gemeente vestigt 2020 t.o.v. gemiddelde 2011-2018
Figuur 13. Prognose aantal personen dat zich in een gemeente vestigt 2020 t.o.v. gemiddelde 2011-2018Bron: ABF, CBS; bewerking RaboResearch

Gevolgen op de woningmarkt

Door de afname van het aantal personen dat zich in de stedelijke regio’s vestigt, zal de druk op de woningmarkt daar afnemen. In landelijke gebieden zal de woningbehoefte juist toenemen. Het verschil tussen grote steden en andere gemeenten in de recente daling van de vrije-sectorhuren lijkt hier op te wijzen (NOS, 2020). Onderzoek naar de recente ontwikkeling van de woningverkopen – zowel in de steden als door personen die de stad verlaten – zou kunnen uitwijzen of het verhuispatroon daadwerkelijk verandert. De daling van het aantal verhuizende personen, die de coronacrisis met zich mee kan brengen, zou een einde kunnen maken aan de al decennia durende toename van de concentratie van bevolking en activiteiten in de steden. Zij zou een verschuiving van het woningbouwprogramma ten gunste van landelijke gemeenten en regio’s noodzakelijk maken. De coronacrisis zou hierdoor van invloed zijn op de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Voetnoten

[1] Het betreft hier uitdrukkelijk een verkenning. Onze studie is gebaseerd op prognoses van regionale groei, data omtrent woon-werkverkeer en verhuizende personen die alle berusten op een groot aantal aannames.

[2] Rabobank, raming september 2020.

[3] Bij het bepalen van de regionale werkgelegenheidsontwikkeling zijn we voorbijgegaan aan regionale verschillen in economische ontwikkeling binnen sectoren. In elke regio is voor een sector dus gerekend met dezelfde, landelijke economische ontwikkeling.

[4] De verwachte krimp van de werkgelegenheid is groter dan de verwachte economische krimp doordat deze vooral in sectoren met een relatief lage arbeidsproductiviteit sterk is.

[5] In de praktijk verschilt het aandeel van pendelaars met het opleidings- en inkomensniveau van een functie. Doordat deze per sector verschillen, zal ook het aandeel van pendelaars per sector verschillen.

[6] Concentratie wordt hier gemeten aan de hand van de Herfindahl-Hirschman-index: de som van de gekwadrateerde aandelen van gemeenten in de landelijke werkgelegenheid.

[7] De correlatiecoëfficiënt geeft aan hoe sterk twee verschijnselen samenhangen. Bij het ontbreken van samenhang heeft de coëfficiënt de waarde ‘0’, bij volledige samenhang de waarde ‘1’ en bij een volledig omgekeerde samenhang de waarde ‘-1’.

[8] Wellicht gaat het (vrijwel) volledig thuiswerken in een aantal beroepen en sectoren over in gedeeltelijk thuiswerken, waarbij de werkzame beroepsbevolking een aantal dagen per week thuis werkt en een aantal dagen per week op de werklocatie.

Literatuur

ABF, Vastgoedmonitor, ABF-research, Delft, 2020.

CBS, www.cbs.nl/statline, 2020.

CBS, 2005, Binnenlandse migratie: verhuismotieven en verhuisafstand, P. Feijten en P. Visser, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag, 2005.

NOS, 2020, Gemiddelde landelijke huurprijs voor het eerst in zes jaar gedaald.

Rabobank, 2020a, Sectorprognoses: moeizaam herstel voor veel sectoren.         

Rabobank, 2020b, Coronacrisis vergroot economische verschillen tussen regio’s.

Rabobank, 2020c, De anderhalvemetereconomie gemeten.           

 

Delen:
Auteur(s)
Frits Oevering
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
088 726 7864

naar boven