RaboResearch - Economisch Onderzoek

Brede welvaart in Oost-Nederland

Special

Delen:
  • In Oost-Nederland is de afgelopen decennia een nieuwe geografie van de economie ontstaan: met grotere economische verschillen (in toegevoegde waarde) tussen regio’s binnen Oost-Nederland. Er komt nadrukkelijk een scheidslijn tussen het westelijke en oostelijke deel in Oost-Nederland naar voren: de regio Noord-Overijssel (Zwolle), Veluwe (Apeldoorn-Ede-Wageningen) en Zuid-West Gelderland groeiden in aandeel in de economie, terwijl Twente, Achterhoek, en Arnhem-Nijmegen in aandeel verloren.
  • Ook wanneer we het perspectief op welvaart verbreden en meer aspecten die mensen van waarde vinden meenemen, zien we in Oost-Nederland regionale verschillen. De regio Noord-Overijssel (Zwolle), Veluwe (Apeldoorn-Ede-Wageningen), Zuid-West Gelderland en de Achterhoek hebben bovengemiddelde scores op brede welvaart. Twente bevindt zich op het Nederlandse gemiddelde. Maar Arnhem-Nijmegen scoort slechter op brede welvaart dan Nederland gemiddeld.
  • Hoewel het niet een-op-een geldt, zien we in Oost-Nederland dat de regio’s die economisch goed presteren over het algemeen ook een bovengemiddelde brede welvaart hebben (bijvoorbeeld Zwolle), terwijl regio’s die economisch minder groeiden juist een lagere brede welvaart hebben (bijvoorbeeld Arnhem-Nijmegen).
  • De meeste nuances, zowel in positieve als negatieve zin, zien we in de onderliggende dimensies van brede welvaart op stedelijk niveau. De woontevredenheid, maar ook geluk en tevredenheid (samen subjectief welzijn) verschillen fors tussen de steden in Oost-Nederland.
  • En soms springen er regio-specifieke dimensies van brede welvaart uit. In negatieve zin zien we bijvoorbeeld dat veiligheid in Arnhem relatief laag scoort. Net als inkomen en baanzekerheid in Enschede en Nijmegen. Ook de score op sociale contacten in Hengelo is relatief laag.
  • Gedurende de coronacrisis zijn onderdelen van brede welvaart onder druk komen te staan. Het gaat in Nederland duidelijk slechter met de dimensies sociale contacten, woontevredenheid en vooral subjectief welzijn (geluk).
  • Alle reden om in Oost-Nederland te werken aan een brede economische- en welvaartsagenda. Beleid zou zich daarbij moeten richten op het borgen van de dimensies van brede welvaart waarop de regio goed scoort (gewaardeerd wordt), en zich specifiek moeten richten op herstel van de dimensies die onder de maat zijn of waarop de regio een achterstand heeft.

Dit essay is een onderdeel van het onderzoek Kracht van Oost 2.0[1]

Aanleiding

De provincies Overijssel en Gelderland werken aan ‘De Kracht van Oost’; een onderzoek naar de kracht van de economische structuur van Oost-Nederland. Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van de achterliggende mechanismes van deze structuur en in hoeverre deze structuur toekomstbestendig is. Meerdere onderzoekers leveren hieraan een bijdrage. Aan RaboResearch is gevraagd een essay te schrijven vanuit een welvaartsperspectief voor de regio’s in Oost-Nederland.

In dit essay vertrekken we vanuit de veranderende geografie van onze economie; het toenemende belang van regio’s voor economische groei, maar juist ook de toenemende verschillen tussen regio’s. Vervolgens introduceren we het begrip brede welvaart en verleggen we het perspectief van economische productie door bedrijven naar ‘wat mensen van waarde vinden’. Centrale vraag in ons essay is, hoe de regio’s in Oost-Nederland ‘scoren’ op (brede) welvaart en welke opgaven daaruit voortkomen.

Het zwaartepunt in onze economie verschuift naar het Oosten

Nederlandse regio’s verschillen aanzienlijk in omvang van werkgelegenheid en in waarde van de geproduceerde goederen en diensten. Lang was in Nederland de Randstad het economische kerngebied, met meer dan 50 procent aandeel in onze economie. Op basis van de ontwikkeling in het aandeel in de economie in de afgelopen decennia kunnen we echter concluderen dat de Randstad een achterhaald begrip is.

De afgelopen 25 jaar tekende zich nadrukkelijk een tweedeling af tussen een florerende Noordvleugel en een stagnerende Zuidvleugel. Bovendien maakten regio’s buiten de Randstad een economische emancipatie door. Zo kwam de Brainport Eindhoven sterk op. Figuren 1 en 2 laten zien dat ook de regio’s rond Foodvalley (Ede-Wageningen) en de regio Zwolle belangrijke motoren in onze economie zijn geworden. Het economische zwaartepunt van het land is dus nadrukkelijk ook oostwaarts opgeschoven.

Maar hoewel de beweging oostwaarts was, laten de kaartbeelden óók zien dat Twente en de Achterhoek het groeitempo van de succesregio’s elders in het land niet bij konden houden. Het aandeel in de economie kromp daar zowel in termen van werkgelegenheid als in toegevoegde waarde.

Landelijk gezien hebben de perifeer gelegen delen aandeel in de economie verloren, terwijl de stedelijke regio’s triomfeerden. En ook hier geldt weer dat niet elke stad een winnaar was. De triomf van de stad gold niet overal. Naast de regio Den Haag is bijvoorbeeld ook Arnhem-Nijmegen een stedelijke regio die haar aandeel in de economie zag dalen.

In Oost-Nederland zijn de verschillen tussen economische groeiregio’s en regio’s met minder groeikracht de afgelopen jaren dus groter geworden. De regio Noord-Overijssel (Zwolle), Veluwe (Apeldoorn-Ede-Wageningen) en Zuid-West Gelderland wonnen aandeel in de economie. Maar Twente en Achterhoek, en dus ook Arnhem-Nijmegen verloren aandeel. Dat past in het algemene beeld van de veranderende geografie van het land. In Nederland zijn de regionale verschillen de afgelopen decennia groter geworden.

Op basis van de economische ontwikkeling van de afgelopen ruim twintig jaar kunnen we ook concluderen dat ‘Oost-Nederland’ niet als een homogeen economisch gebied kan worden beschouwd. De nuance zit hem in de deelgebieden; die verschillen aanzienlijk van elkaar in economische verdienvermogen én werkgelegenheid. En daarmee ook in economische opgaven, maar daar gaan we later verder op in.

Figuur 1: Ontwikkeling aandeel regio’s in werkgelegenheid 1996-2017
Figuur 1: Ontwikkeling aandeel regio’s in werkgelegenheid 1996-2017Bron: LISA, CBS, bewerking RaboResearch
Figuur 2: Ontwikkeling aandeel regio’s in bruto toegevoegde waarde 1996-2017
Figuur 2: Ontwikkeling aandeel regio’s in bruto toegevoegde waarde 1996-2017Bron: LISA, CBS, bewerking RaboResearch 

Dieper ingaan op het waarom sommige regio’s economisch floreren en andere achterblijven, vergt een grote inspanning, dat buiten het bestek van dit essay valt. Wel kunnen we leren van voorbeeld cases zoals beschreven in de publicaties Stedelijke regio’s als motoren van economische groei en De economie van Den Haag.

Grofweg kunnen we stellen dat de geografische patronen (zie figuur 1 en 2) voor een belangrijk deel worden geduid uit verschillen in sectorstructuur per regio én de kwaliteit van het regionale ondernemerschapsklimaat. Deze laatste; (on)gunstige lokale omstandigheden, verklaren over het algemeen een groter deel van de verschillen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om agglomeratie- of clustervoordelen. Dat zijn voordelen door de nabijheid tot andere of soortelijke en samenwerkende bedrijven, maar ook fysieke voordelen die voortkomen uit een goede bereikbaarheid of ligging ten opzichte van andere regio’s. Nabijheid tot kennisinstituten en de kwaliteit van de woon- en werkomgeving met aantrekkelijke voorzieningen zijn ook voorbeelden.

We vinden dat over het algemeen de economie in grote, centraal gelegen regio’s met een gevarieerde economie, sterker groeide dan in kleinere, perifeer gelegen regio’s met een meer gespecialiseerde economie.

Van bruto regionaal product naar wat mensen van waarde vinden

Naast de veranderde geografie van onze economie speelt er nog een grote ontwikkeling die belangrijk is om welvaart te duiden. Een hoog bruto regionaal product (toegevoegde waarde, per inwoner) zegt vooral iets over de welvaart die ons productiesysteem voortbrengt. Daar is de nodige kritiek op, om dat als – enige - welvaartsmaat te gebruiken. Vooral om dichter bij ‘wat mensen van waarde vinden’ te komen wordt ook wel het begrip brede welvaart gehanteerd. Te denken valt aan gezondheid of veiligheid. Zaken die belangrijk zijn voor welvaart, maar niet of beperkt worden meegenomen in een indicator die is gebaseerd op de economische waarde (productie), die bedrijven genereren.

Samen met de Universiteit Utrecht heeft de Rabobank daarom de Brede Welvaartsindicator (BWI) ontwikkeld (Badir et al., 2016; Aalders et al., 2019). In tegenstelling tot het bbp houdt de BWI wel rekening met de verschillende aspecten die samen onze welvaart vormen. De BWI is een integrale welvaartsmaatstaf waarin elf belangrijke welvaartsdimensies worden samengebracht. Figuur 3 zet de verschillende dimensies van de BWI uiteen.

Welvaart in brede zin gaat over de vraag of mensen een goede baan hebben en voldoende inkomen kunnen genereren. Maar óók om niet-materiele zaken als onderwijs, gezondheid, de balans tussen werk en privé, veiligheid, sociale contacten, maatschappelijke betrokkenheid en milieukwaliteit. En het gaat ook om meer subjectieve zaken: of mensen tevreden zijn met hun leven en hun woonsituatie.

Figuur 3: Dimensies van brede welvaart
Figuur 3: Dimensies van brede welvaartBron: Universiteit Utrecht en RaboResearch

Voor het vergroten van onze welvaart is het van belang niet eenzijdig naar een van de welvaartsdimensies te kijken, maar deze integraal te benaderen (Van Bavel et al., 2019). Door de elf dimensies in één indicator samen te brengen, legt de BWI niet de nadruk op één specifiek aspect van onze welvaart, maar benadrukt zij de samenhang en mogelijke uitruilen tussen de dimensies. De BWI biedt daarmee handvatten om na te gaan of welvaartsvergroting langs één dimensie niet ten koste gaat van welvaartsvermindering langs andere dimensies.

Doorgaans wordt welvaart, inclusief brede welvaart, gemeten voor landen. Veel minder wordt gekeken naar hoe brede welvaart er binnen landen, regionaal, ervoor staat. En dat terwijl de welvaart van mensen doorgaans vooral mogelijk wordt gemaakt door de omstandigheden in hun directe leefomgeving. Of mensen een baan kunnen vinden, in veiligheid leven of bevredigende sociale relaties met anderen weten te onderhouden, wordt voor een belangrijk deel bepaald door waar ze wonen, werken en leven. Iemand die bijvoorbeeld in Den Haag woont, zal waarschijnlijk weinig welvaartsdaling ervaren als de natuurgebieden in Oost-Nederland kleiner worden. Om welvaartsverschillen tussen leefomgevingen binnen Nederland in kaart te brengen, meten we de brede welvaart daarom niet alleen voor Nederland als geheel, maar ook op regionaal niveau.

De regionale verschillen in brede welvaart binnen Nederland zijn tamelijk groot (figuur 4). De inwoners van Het Gooi en Vechtstreek, Zuidwest-Drenthe en Alkmaar en omgeving genieten binnen Nederland de hoogste brede welvaart. Hier zijn de mensen over het algemeen gezond, hoogopgeleid, gelukkig en tevreden met hun huis. Daarnaast is de veiligheid hoog en de werkloosheid laag in deze gebieden. Tot slot onderscheidt Het Gooi en Vechtstreek zich door een bijzonder hoog inkomen van zijn inwoners.

De brede welvaart is beduidend lager in de stedelijke regio’s Groot‐Amsterdam, Zaanstreek, en in mindere mate Groot‐Rijnmond. Ook de regio Den Haag (Agglomeratie ’s‐Gravenhage) scoort laag op brede welvaart. De regio Utrecht en omstreken doet het relatief goed voor een grootstedelijk gebied.

Oost-Nederland heeft over het algemeen een bovengemiddelde brede welvaartscore, zo laat figuur 4 zien. Maar ook hier zien we een aanzienlijke heterogeniteit. De regio Noord-Overijssel (Zwolle), Veluwe (Apeldoorn-Ede-Wageningen), Zuid-West Gelderland en de Achterhoek hebben bovengemiddelde scores op brede welvaart. Twente en Zuidwest-Overijssel (Deventer) bevinden zich op het Nederlandse gemiddelde. Maar Arnhem-Nijmegen scoort slechter op brede welvaart dan Nederland gemiddeld.

We zien over het algemeen dat stedelijke regio’s lager scoren op brede welvaart, door de negatieve effecten van verstedelijking. Die regio’s zijn gemiddeld genomen minder veilig en ze scoren slechter op milieukwaliteit. Ook werk en privé zijn er minder goed in balans, wat past bij de drukte van de stad. Ze vallen echter het meeste op door de bijzonder lage woontevredenheid van hun inwoners.

Figuur 4: De regio’s naar scores op brede welvaart; hoogste brede welvaart uitgelicht
Figuur 4: De regio’s naar scores op brede welvaart; hoogste brede welvaart uitgelicht

Hoe scoort Oost-Nederland op brede welvaart?

Figuur 5: Gelderland en Overijssel op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 5: Gelderland en Overijssel op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch

Als we op provincieniveau de elf dimensies van brede welvaart onder de loep nemen (figuur 5), dan zien we dat zowel Gelderland als Overijssel op bijna alle dimensies rond het Nederlandse gemiddelde scoren. De grootste verschillen zien we in een lagere score voor geluk en tevredenheid (subjectief welzijn) en juist een hogere score voor sociale contacten in Gelderland. Overijssel scoort relatief goed op de werk-privébalans en woontevredenheid. In beide provincies is het relatief veilig en liggen de inkomens beneden het gemiddelde.

Grote verschillen in brede welvaart in de steden

Interessanter wordt het als we naar de verschillende regio’s binnen de provincies kijken. Figuur 6 laat per dimensie van brede welvaart zien hoe de indicatoren van de steden in Oost-Nederland afwijken van het Nederlandse gemiddelde (in de bijlage zijn alle losse figuren opgenomen). We zien dat er relatief grote afwijkingen zijn op de dimensie woontevredenheid. In positieve zin in Ede, Enschede, Nijmegen en Tiel. Maar in negatieve zin in Apeldoorn, Arnhem, Hengelo en Zwolle. Daarnaast verschilt de dimensie geluk en tevredenheid (subjectief welzijn) fors. Hoog is het subjectieve welzijn in Tiel, Ede en Enschede, maar laag in Arnhem en Doetinchem.

Verder valt een aantal uitzonderlijke scores op. In negatieve zin zien we dat veiligheid in Arnhem relatief laag scoort. Een lage score zien we ook terug bij inkomen en baanzekerheid in Enschede en Nijmegen. En in Hengelo is er op gebied van sociale contacten is relatief laag gescoord.

In gunstige zin steken subjectief welzijn en sociale contacten in Tiel af. Ook is de dimensie persoonlijke ontwikkeling in Zwolle relatief hoog. En de werk-privébalans in Enschede en Nijmegen is daar relatief gunstig.

Figuur 7 laat tenslotte de scores ten opzichte van het Nederlandse gemiddelde zien voor de regios (het geheel van een stad met omliggende gemeenten) in Oost-Nederland. Opvallend is de negatievere brede welvaart in Arnhem/Nijmegen. Op veel dimensies van brede welvaart scoren de regio’s hoger dan het Nederlandse gemiddelde.

De gegevens over brede welvaart in de voorgaande paragrafen zijn gebaseerd op een studie uit 2019 en een update in november 2019. Daarin is een beschrijving van de indicatoren en gebruikte gegevens opgenomen. Omdat we ook iets over eerste effecten van de coronacrisis op brede welvaart willen zeggen, gebruiken we daarvoor nieuwe gegevens van een survey uit juni 2020. We merken ook op dat waar we in dit essay een uitsplitsing maken naar de steden in Oost-Nederland dit gebaseerd is op een beperkt aantal waarnemingen; bijna 750 respondenten. Dat betekent dat voor de kleinere steden het aantal respondenten relatief laag is en de uitkomsten vooral als indicatief moeten worden beschouwd.

Figuur 6: Afwijking steden in Oost-Nederland ten opzichte van Nederlandse gemiddelde
Figuur 6: Afwijking steden in Oost-Nederland ten opzichte van Nederlandse gemiddeldeNoot: Per regio is per dimensie van brede welvaart het verschil met het Nederlandse gemiddelde uitgerekend.
Bron: RaboResearch
Figuur 7: Afwijking regio’s Oost-Nederland ten opzichte van Nederlandse gemiddelde
Figuur 7: Afwijking regio’s Oost-Nederland ten opzichte van Nederlandse gemiddeldeBron: RaboResearch

Na economische crisis dreigt daling van brede welvaart

Toen kwam de coronacrisis, en daarmee gepaard een economische recessie. Door de beperkende maatregelen daalde het bruto binnenlands product in Nederland nooit eerder zo scherp. Geen enkele regio ontspringt daarbij de dans. En we zien zelfs dat de economie van Oost-Nederland gevoeliger lijkt voor de coronacrisis, dan andere delen van het land. Vooral Twente en de Achterhoek worden relatief hard getroffen.

Op basis van eerdere recessies zien we dat dit óók doorwerkt in de brede welvaart. Vraag is dus wat de impact van de coronacrisis, waar we nog midden in zitten, is. We moeten daarbij aantekenen dat dat op dit moment lastig is te duiden.

Toch hebben we op basis van een grootschalige enquête inzicht in de veranderingen die corona op de elf dimensies van brede welvaart heeft. Zowel dit jaar als vorig jaar hebben we in mei en juni onder meer dan tienduizend Nederlanders een enquête afgenomen. Hierin hebben we voor elk van de elf dimensies van brede welvaart aan mensen gevraagd in hoeverre ze over voldoende welvaart beschikken. Wat leren we daaruit? Dat we er afgelopen jaar op ten minste drie dimensies van brede welvaart op achteruit zijn gegaan (figuur 8).

De grootste afname zien we optreden bij het subjectieve welzijn van mensen. 29 procent van de respondenten geeft zichzelf hierbij een lagere score dan vorig jaar, ten opzichte van 23 procent dat zichzelf een hogere score geeft en 48 procent dat zichzelf dezelfde score geeft als vorig jaar. Daarmee heeft er een significante achteruitgang opgetreden in het subjectieve welzijn van mensen. Bovendien geven aanmerkelijk minder mensen dan vorig jaar aan dat ze daadwerkelijk gelukkig zijn. Niet alleen is het subjectieve welzijn van mensen daarmee over het algemeen achteruit gegaan. Het heeft er ook voor gezorgd, dat het aandeel mensen dat op dit moment gelukkig is, wezenlijk lager ligt dan vorig jaar.

Ook op het gebied van huisvesting (woontevredenheid) zijn we er het afgelopen jaar significant op achteruit gegaan. 28 procent van de respondenten geeft zichzelf een lagere score dan vorig jaar, ten opzichte van 24 procent van de respondenten die zichzelf een hogere score geeft dan vorig jaar en 52 procent die dezelfde score geeft. Dit past in een trend van dalende woontevredenheid in Nederland, dus het is niet duidelijk of deze achteruitgang ook kan worden toegeschreven aan de coronacrisis. Maar gezien het grotere belang van de woning waarin mensen leven, door het veelvuldig en langdurig thuiswerken en beperkingen om buiten de deur te ontspannen, lijkt dit voor de hand te liggen.

Ook zijn mensen er significant op achteruit gegaan waar het gaat om het onderhouden van sociale contacten: 31 procent van de respondenten geeft aan erop achteruit te zijn gegaan ten opzichte van 27 procent van de respondenten die erop vooruit is gegaan. De beperktere mogelijkheden om vrienden en familie fysiek te ontmoeten, spelen hierbij zeer waarschijnlijk een rol, maar zonder dat deze hebben geleid tot een absolute beperking om contact te blijven onderhouden met familie en vrienden.

Opvallend, ten slotte, is dat vooralsnog meer mensen dan vorig jaar aangeven over voldoende inkomen te beschikken. In plaats van erop achteruit te zijn gegaan, is duidelijk dat in 2020 meer mensen over voldoende inkomen beschikken dan in 2019. Dit betekent niet dat ten opzichte van vorig jaar mensen méér zijn gaan verdienen.

Figuur 8: Ontwikkelingen in dimensies van brede welvaart in de coronacrisis
Figuur 8: Ontwikkelingen in dimensies van brede welvaart in de coronacrisisBron: RaboResearch

Acties om de brede welvaart te vergroten

Uit het voorgaande blijkt dat de brede welvaart van Oost-Nederland het relatief goed doet vergeleken met de andere gebieden van het land. Maar de verschillen binnen Oost-Nederland zijn relatief groot. Vooral tussen de steden. En er is veel nuance wanneer we de brede welvaart uitsplitsen naar de elf onderliggende dimensies.

Met onze analyse roepen we regio’s op een brede welvaartsagenda te maken, hun beleid te doordenken op het doel de brede welvaart te borgen of te verbeteren. Hier past de metafoor van de equalizer (zoals eerder voor de regio Den Haag een keer is doordacht). De elf verschillende dimensies van brede welvaart zou je kunnen beschouwen als de verschillende schuifjes van het mengpaneel in een equalizer, die individueel en in samenhang met elkaar tot een mooier geheel leiden. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om een bepaald aspect van brede welvaart heel dominant te laten zijn, zodat het de andere aspecten overstemt. Ook zal je voor de verschillende dimensies moeten doordenken wat voor de regio een na te streven (minimum-)niveau is waarop de dimensies moeten scoren.

Hier past een drietrapsredenering, die in het kader van de brede welvaart zou moeten worden langsgelopen:

  1. Borg waar je goed in bent en waarop de regio goed scoort (gewaardeerd wordt).
  2. Richt beleid op zaken waar je relatief gezien geen hoge scores hebt.
  3. Richt beleid op zaken waarin de regio een achterstand heeft (ten opzichte van bijvoorbeeld het Nederlandse gemiddelde of de andere regio’s).

Literatuur

Aalders, R., B. van Bavel, S. Hardeman, T. van der Lippe, O. Raspe, A. Rijpma & E. Stam (2019) Brede welvaart pas na tien jaar boven niveau van voor de economische crisis, Utrecht: RaboResearch/Universiteit Utrecht.

Badir M. et al. (2016). Netherlands beyond GDP: a Wellbeing Index. Utrecht: Institutions for Open Societies & Rabobank.

Raspe & Van den Berge (2017), De economie van Den Haag, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Raspe, O.; en Stam, E. (2019). Brede welvaart in de regio verdient meer aandacht. ESB, 104(4772S): 83-85.

Raspe, O, M. Thissen & J. Content (2019) Brede Welvaart en Regionale Ontwikkelingen, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

Van Bavel, B., Hardeman, S., & Rijpma, R. (2019), Vervolgstappen voor integrale welvaartsmeting. ESB, 104(4772S): 22-25.

Bijlage

Figuur 9: Noord-Overijssel en Zwolle op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 9: Noord-Overijssel en Zwolle op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch
Figuur 10: Zuidwest-Overijssel en Deventer op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 10: Zuidwest-Overijssel en Deventer op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch
Figuur 11: Twente, Hengelo en Enschede op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 11: Twente, Hengelo en Enschede op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch
Figuur 12: Veluwe, Apeldoorn en Ede op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 12: Veluwe, Apeldoorn en Ede op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch
Figuur 13: Achterhoek en Doetinchem op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 13: Achterhoek en Doetinchem op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch
Figuur 14: Arnhem/Nijmegen, Arnhem en Nijmegen op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 14: Arnhem/Nijmegen, Arnhem en Nijmegen op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch
Figuur 15: Zuidwest-Gelderland en Tiel op elf dimensies van brede welvaart
Figuur 15: Zuidwest-Gelderland en Tiel op elf dimensies van brede welvaartBron: RaboResearch


Voetnoot

[1] Dit essay is een onderdeel van het onderzoek Kracht van Oost 2.0 (KvO2.0), geïnitieerd door de provincies Overijssel en Gelderland. Het onderzoek bestaat uit meerdere onderzoeken en essays, met een gezamenlijk eindrapport. We danken het management van het onderzoek: Michiel Koetsier (provincie Gelderland) en Corné Paris (provincie Overijssel) voor de begeleiding van het onderzoek en Oedzge Atzema voor de wetenschappelijke begeleiding van het onderzoek. Vragen over Kracht van Oost kunt u stellen aan Dominique Binkhorst (D.binkhorst@gelderland.nl / +31 652801849) of Joost Kuijper (J.Kuijper@overijssel.nl / +31 6 10661534).

Delen:
Auteur(s)
Otto Raspe
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 1124 7626
Rogier Aalders
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 1096 6790
Sjoerd Hardeman
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 8362 1270

naar boven