RaboResearch - Economisch Onderzoek

Horeca en kunst- en cultuursector verdienen bijzondere aandacht binnen Amsterdamse regionale economie

Special

Delen:
  • Door de sectorstructuur is de Metropoolregio Amsterdam gevoelig voor de coronacrisis
  • Van het aantal banen in de regio kan 84 procent op meer dan anderhalve meter afstand worden uitgevoerd, maar er zijn duidelijke verschillen tussen gemeenten
  • Detailhandel en groothandel zijn de belangrijkste sectoren voor de regio, gevolgd door onderwijs, gezondheidszorg en cafés en restaurants
  • Opvallend is dat veel beroepen met een groot belang voor de regio niet op meer dan anderhalve meter afstand kunnen worden uitgeoefend, waardoor de coronacrisis een grote impact heeft op bedrijven binnen deze branches
  • Een deel van deze sectoren en de cultuursector kunnen bovendien een belangrijke rol vervullen in het aanjagen van creativiteit en innovatie voor de kenniseconomie en vereisen ook om die reden extra aandacht

De maatregelen om de verspreiding van het coronavirus af te remmen, hebben grote gevolgen voor de Nederlandse economie. De impact van de coronacrisis en het sluiten van sectoren is overal groot, maar in sommige regio’s nog groter dan in andere. Door verschillen in economische structuur en ondernemersklimaat tussen regio’s is de ene regio gevoeliger voor de coronacrisis dan de andere. Volgens de laatste prognose krimpt de economie van Groot Amsterdam met 5,4 procent. Deels heeft dit te maken met de specifieke sectorstructuur die de Amsterdamse economie extra gevoelig maakt voor de coronacrisis (horeca, kunst- en cultuursector) en deels met agglomeratievoordelen die binnen de anderhalvemetereconomie wegvallen (face-to-face-contacten die veel minder plaatsvinden).

In dit artikel onderzoeken we de gevoeligheden binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en welke sneeuwbaleffecten door de coronacrisis kunnen ontstaan[1]. Om deze vraag te beantwoorden, richten we ons op drie kenmerken van de sectorstructuur in Amsterdam: de mate waarin de regio vanwege haar specifieke sectorstructuur kan opereren binnen de anderhalvemetereconomie, het belang van specifieke sectoren voor de regio als geheel en de gevoeligheid van sectoren voor ontwikkelingen die plaatsvinden buiten de regio. Door deze drie kenmerken van de Amsterdamse regionale economie binnen één raamwerk te plaatsen, bieden we aanknopingspunten voor beleidsmakers om beleid te ontwikkelen dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van de regionale economie.

De Amsterdamse anderhalvemetereconomie

Door alle beroepen in onze economie onder te verdelen in contactrijke en contactarme beroepen (inclusief thuiswerkers) en deze te koppelen aan het aantal banen van elk type in sectoren, hebben we een inschatting gemaakt van het aandeel van de anderhalvemetereconomie in de gehele Nederlandse economie en dit uitgesplitst naar sectoren (Groenewegen & Hardeman, 2020). Van de banen in Nederland valt 84 procent binnen de anderhalvemetereconomie. Vooral sectoren als de horeca, de zorg en overige diensten als kappers kunnen maar moeilijk opereren binnen de anderhalvemetereconomie. Om deze sectoren binnen de anderhalvemetereconomie draaiende te houden, is daarom een versoepeling van maatregelen noodzakelijk. Anders kan er slechts met beperkte capaciteit worden gewerkt.

Figuur 1: De anderhalvemetereconomie in de regio Amsterdam en haar gemeenten
Figuur 1: De anderhalvemetereconomie in de regio Amsterdam en haar gemeentenBron: LISA, Groenewegen & Hardeman (2020), bewerking RaboResearch

Op basis van gegevens over aantallen banen per sector in de MRA uit 2019 hebben we een inschatting gemaakt van de anderhalvemetereconomie; per gemeente en voor de regio als geheel (figuur 1). Idealiter zouden we ook een inschatting maken van de Amsterdamse anderhalvemetereconomie op basis van toegevoegde waarde. Aangezien deze data niet beschikbaar zijn, beperken we ons hier tot het aandeel in banen. De relatieve omvang van de anderhalvemetereconomie van Amsterdam is vergelijkbaar met Nederland als geheel: voor beide geldt dat 84 procent van de banen thuis of contactarm buitenshuis kan plaatsvinden. Enerzijds is de horeca relatief oververtegenwoordigd ten opzichte van de rest van Nederland, wat ervoor zorgt dat een deel van economie in de regio Amsterdam moeilijk kan plaatsvinden binnen een anderhalvemetereconomie. Anderzijds is de financiële sector ook oververtegenwoordigd in de regio Amsterdam, en deze kan juist relatief goed opereren in de anderhalvemetereconomie omdat veel beroepen die daarin gangbaar zijn vanuit huis kunnen worden uitgeoefend.

Hoewel de relatieve omvang van de anderhalvemetereconomie in de regio Amsterdam als geheel nauwelijks afwijkt van die van de rest van Nederland, zien we binnen de regio Amsterdam wel grote verschillen tussen gemeenten. In Zandvoort, Bloemendaal en Heemstede beslaat de anderhalvemetereconomie slechts driekwart van de economie, terwijl in Ouder-Amstel en Haarlemmermeer de anderhalvemetereconomie meer dan 90 procent van de totale economie uitmaakt. Voor eerstgenoemde gemeenten maakt de horeca (denk bijvoorbeeld aan strandtenten) een groot deel van de gemeentelijke economie uit, terwijl in de laatstgenoemde gemeenten een groot deel van de banen verbonden is aan zakelijke dienstverlening (Ouder-Amstel) en vervoer en logistiek (vanwege Schiphol in Haarlemmermeer). Terwijl de horeca maar moeilijk past binnen een strikte anderhalvemetereconomie, passen zakelijke dienstverlening en vervoer en logistiek, geredeneerd vanuit de aanbodzijde, wel goed binnen de anderhalvemetereconomie. Wel is personenvervoer bij uitstek een sector die vanuit de vraagkant moeilijk opereert binnen een strikte anderhalvemetereconomie: piloten kunnen afstand houden tot passagiers, maar passagiers onderling niet tot nauwelijks. Daarnaast kunnen andere oorzaken ook bijdragen aan een afnemende vraag naar vluchten, zoals digitalisering (online zakelijke besprekingen) en onzekerheid over de situatie rondom corona in bestemmingsgebieden (minder vakantiereizen).

Groot- en detailhandel en onderwijs belangrijke sectoren in Amsterdam

Niet alle sectoren drukken een even zwaar stempel op de Amsterdamse regionale economie. Om een inschatting te maken van het belang van sectoren voor de gehele regio meten we welke sectoren een groot aandeel hebben in de verschillende gemeenten in de regio. Dit doen we aan de hand van de entropiemaat van Shannon (1948). Hiermee wordt niet alleen gemeten of sectoren een belangrijk deel uitmaken van de gehele regionale economie, maar ook of ze dat doen voor een groot deel van de gemeenten die onderdeel uitmaken van de regionale economie (box 1). Volgens deze maatstaf is een belangrijke sector dus een sector die in veel verschillende gemeenten zorgt voor een groot deel van de banen.

Box 1: Entropie als maatstaf voor het belang van specifieke sectoren in een regio

Om het belang van specifieke sectoren in een regionale economie vast te stellen, kunnen we verschillende maatstaven hanteren. Allereerst kunnen we simpelweg kijken naar het aandeel van iedere sector in de algehele (regionale) economie: de sector die het grootste aandeel heeft, vormt de belangrijkste sector. Het voordeel van deze maatstaf is dat we dit eenvoudig kunnen berekenen. Het nadeel is dat deze maatstaf wel iets zegt over de relatieve omvang van de sector, maar niets zegt over ruimtelijke verdeling ervan over de gehele regio. Zo kan het dat één sector (denk aan de ziekenhuiszorg) veel banen met zich meebrengt in één specifieke van de 29 Amsterdamse gemeenten, maar niet voorkomt in de 28 overige Amsterdamse gemeenten. Daarmee is die sector wel van belang voor één gemeente, maar niet voor de gehele regio.

Een tweede manier om het belang van sectoren vast te stellen, is door gebruik te maken van de zogenaamde Herfindahl-Hirschman Index (HHI) (Geurden-Slis et al., 2013). De HHI is een maatstaf van de concentratie van activiteiten; in dit geval van de concentratie van sectoren in een specifieke gemeente in de regio Amsterdam[2]. Hoe hoger (lager) de HHI, hoe meer een sector voorkomt in slechts één of een enkele gemeente (meer gemeenten). Het voordeel van de HHI is dat het inzicht geeft in de mate waarin een sector niet in slechts één, maar in meer gemeenten binnen de regio voorkomt. Het nadeel is dat de HHI geen rekening houdt met de relatieve omvang van een sector ten opzichte van andere sectoren.

Entropie is een maatstaf die de nadelen van zowel sectoraandelen als de HHI ondervangt. Afkomstig uit de informatiewetenschappen wordt deze maatstaf veel gebruikt als spreidingsmaatstaf, zij het minder door economen (Stirling, 2007). Entropie onderscheidt zich van sectoraandelen en de HHI doordat zij zowel de relatieve omvang van sectoren als de spreiding van sectoren binnen de gehele regio laat meewegen[3]. Sectoren die in slechts enkele gemeenten voorkomen en/of een klein aandeel hebben in de totale regionale economie hebben een lagere entropiewaarde dan sectoren die in veel gemeenten voorkomen en bovendien een groot aandeel in de regionale economie hebben.

Tabel 1 geeft een overzicht van de top-10 belangrijkste sectoren binnen de Amsterdamse economie op basis van entropie. Opvallend is dat veel sectoren die tijdens de coronacrisis onder het vergrootglas liggen (detailhandel, onderwijs, gezondheidszorg en eet- en drinkgelegenheden) een hoge entropiewaarde hebben binnen de Amsterdamse economie. Dit zijn met andere woorden de sectoren die niet alleen een groot aandeel vormen van de Amsterdamse economie, maar als zodanig ook te vinden zijn in veel gemeenten in de regio.

Tabel 1: Top-10 van belangrijke sectoren in de regio Amsterdam op basis van entropie
Tabel 1: Top-10 van belangrijke sectoren in de regio Amsterdam op basis van entropieBron: LISA, bewerking RaboResearch

De correlatie van de entropiemaatstaf met sectoraandelen is groot (r > 0,93). Toch zijn er sectoren die op basis van hun aandeel in de totale economie wel tot de top-10 van sectoren zouden behoren (IT-dienstverlening, de financiële sector), maar op basis van hun spreiding over de gehele regio niet. Dit zijn sectoren die alleen in bepaalde gemeenten voor een groot aantal banen zorgen. Anderzijds zijn er sectoren die puur op basis van hun aandeel in de totale regionale economie niet tot de top-10 zouden behoren (verpleging, gespecialiseerde bouwwerkzaamheden), maar vanwege hun flinke aanwezigheid in alle gemeenten wel van groot belang zijn. Entropie geeft daarmee een rijk beeld over het belang van specifieke sectoren in de algehele Amsterdamse regio.

Belangrijke sectoren voor regio zorgen ook voor schokken via waardeketens

De meeste sectoren zijn onderling met elkaar verbonden via waardeketens; zo levert de groothandel bijvoorbeeld kleding aan de detailhandel en brood, groenten en vlees aan de horeca. Door deze onderlinge verbindingen tussen sectoren in kaart te brengen, krijgen we een economisch netwerk. Het Nederlandse netwerk heeft een ‘hub’-structuur. Hierdoor werken schokken in sectoren met een centrale positie door naar de rest van de economie.

Uit onze analyse blijkt dat de voedingsmiddelenindustrie, de landbouw en de bouw de meest centrale sectoren zijn (waarbij de internationale dimensie buiten beschouwing is gelaten). Dit betekent dat bijvoorbeeld een plotselinge productieterugval in deze sectoren door het sneeuwbaleffect veel impact kan hebben op andere sectoren.

Deze gevoeligheid van sectoren voor het doorwerken van schokken vergelijken we met het belang van die sectoren voor de MRA. Dit doen we door de ranking op basis van entropie te vergelijken met de ranking op basis van netwerkcentraliteit.

We introduceren vier kwadranten (figuur 2). De twee kwadranten aan de linkerzijde hebben een lage entropiescore en zorgen dus niet voor een groot aandeel banen binnen veel van de gemeenten in de regio. Daarom kunnen schokken binnen de sectoren in het eerste kwadrant voor problemen binnen specifieke gemeenten in de regio zorgen, maar niet in de regio als geheel. Schokken in sectoren die voorkomen in het derde kwadrant zullen het minste effect op de regio hebben. De twee kwadranten aan de rechterzijde van de figuur hebben wel een hoge entropiescore en nemen dus een belangrijke plek in binnen de regionale economie. De sectoren die in het tweede kwadrant vallen, behoeven aandacht; ze nemen een belangrijke positie in de waardeketens in en zorgen voor een groot aandeel van de banen in veel gemeenten in regio Amsterdam. Tenslotte zijn de sectoren in het vierde kwadrant belangrijk voor de regio, maar hieruit ontstaat geen domino-effect naar andere sectoren.

Figuur 2: De kwadranten op basis van sectorale netwerkanalyse en entropie
Figuur 2: De kwadranten op basis van sectorale netwerkanalyse en entropieBron: LISA, bewerking RaboResearch.
Noot: Om tot de indeling te komen, koppelen we de sectorindeling van de CBS input-output tabellen waar mogelijk aan de sbi-indeling. In sommige gevallen komt de indeling niet overeen. Deze sectoren komen dan niet in de kwadranten voor. De sectoren die dikgedrukt en blauw in de figuur staan, passen niet binnen de anderhalvemetereconomie. De berekening van het aantal contactrijke banen per sector is op een hoger sectoraal niveau dan de entropieberekening. Bij gebrek aan gedetailleerde data nemen we daarom aan dat alle onderliggende bedrijfsactiviteiten van een contactrijke sector ook contactrijk zijn en andersom dat de activiteiten onderliggend aan een contactarme sector ook contactarm zijn.

Figuur 2 bevat voor elk kwadrant de vijf sectoren met de hoogste entropiescore en dus het grootste werkgelegenheidsbelang voor de regio. De blauw gekleurde sectoren passen daarnaast niet binnen de anderhalvemetereconomie. Opvallend is dat veel beroepen met een groot belang voor de regio (sectoren in kwadrant 2 en 4) niet op meer dan anderhalve meter afstand kunnen worden uitgeoefend, waardoor de coronacrisis een grote impact heeft op bedrijven binnen deze branches. Bovendien spelen veel van deze sectoren een belangrijke rol binnen de kenniseconomie. Onderwijs (inclusief onderzoek aan universiteiten) als producent van nieuwe kennis (Valero & Van Reenen, 2019), maar ook de cultuursector (kunsten, recreatie) die doorgaans een belangrijke rol wordt toegedicht bij het aanjagen van creativiteit voor kennisproductie en innovatie (Landry & Bianchini, 1995; Hesmondhalgh, 2002). En tot slot is het juist de horeca die face-to-face-interactie tussen samenwerkende bedrijven en ondernemers weet te faciliteren, zij het op tijdelijke basis; nabijheid die vooral in die initiële fase van innovatietrajecten noodzakelijk is voor effectieve kennisoverdracht (Maskell et al., 2006).

Tabel 2 bevat de volledige lijst van sectoren die zowel in het Nederlandse input-output-netwerk als voor de regionale werkgelegenheid een belangrijke positie innemen (kwadrant 2). De volledige top 10 van sectoren met een hoge entropiescore (tabel 1) staat ook centraal in het input-output-netwerk. Daarom is het voor deze regio extra belangrijk om het doorwerken van schokken in deze sectoren af te remmen.

Tabel 2: De sectoren die in beide netwerken centraal staan
Tabel 2: De sectoren die in beide netwerken centraal staanBron: LISA, bewerking RaboResearch.
Noot: Om tot de indeling te komen, koppelen we de sectorindeling van de CBS input-output tabellen waar mogelijk aan de sbi-indeling. In sommige gevallen komt de indeling niet overeen. Deze sectoren komen dan niet in de tabel voor.

Daarnaast zijn sommige van deze sectoren (onderwijs, gezondheidszorg en eet- en drinkgelegenheden) ook nog sectoren die niet binnen de anderhalvemetereconomie passen. Deze sectoren komen met andere woorden vanuit alle perspectieven naar voren als sectoren waar gezien de huidige situatie (de anderhalvemetereconomie), hun belang in de regio én daarbuiten extra aandacht naar uit mag gaan.

Conclusie en vervolgvragen

In deze studie hebben we drie analyses samengevoegd binnen één raamwerk: of een sector binnen de anderhalvemetereconomie kan opereren, het belang van sectoren binnen de regio en in hoeverre schokken via input-output-relaties doorwerken naar andere sectoren. Detailhandel en groothandel zijn de belangrijkste sectoren voor de regio, gevolgd door onderwijs, gezondheidszorg en cafés en restaurants. Een deel van deze sectoren (inclusief de kunstensector) kan bovendien een belangrijke rol vervullen in het aanjagen van creativiteit en innovatie voor de kenniseconomie.

De drie perspectieven samen bieden aanknopingspunten voor beleidsmakers om te komen tot maatwerk in beleid voor de regio. Allereerst zorgen zij voor inzicht in de sectoren die van evident belang zijn voor de economie én hard worden geraakt binnen de anderhalvemetereconomie. Iedere rationele beleidsaanpak begint met een gedegen diagnose (Rodrik, 2010); zicht op de sectoren die een belangrijke rol spelen binnen de eigen regio, in relatie tot de rest van de economie en die bovendien moeilijk passen binnen de anderhalvemetereconomie is daarbij onontbeerlijk.

Vanuit deze diagnose kan vervolgens gericht worden nagedacht over oplossingen voor sectoren die een belangrijke rol spelen binnen de Amsterdamse economie. Natuurlijk kan bij de uitwerking en implementatie van deze oplossingen niet voorbij worden gegaan aan de onzekerheid die de huidige crisis kenmerkt. Welke activiteiten mogen tot er een vaccin beschikbaar is onder welke voorwaarden doorgang vinden? En hoe lang zal deze periode voortduren? Zonder antwoord op deze vragen is het moeilijk (investerings-) plannen te maken voor de toekomst. Stap twee bestaat er daarom uit meer duidelijkheid te bieden over de (nabije) toekomst. Met meer duidelijkheid kunnen terugverdientijden van investeringen in (nieuwe) businessmodellen worden vastgesteld en kunnen ondernemers weer ondernemen.

Noten

[1] Onder Metropoolregio Amsterdam worden doorgaans 32 gemeenten geschaard. Voor 10 van deze gemeenten beschikken wij niet over banendata. De Metropoolregio Amsterdam bestaat daarom uit 22 gemeenten, te weten: Aalsmeer, Almere, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Gooise Meren, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Uitgeest, Uithoorn, Velsen, Weesp, Wormerland, Zaanstad en Zandvoort.

[2] De Herfindahl-Hirschman Index wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Waarbij Si staat voor het aandeel van de banen van een sector in gemeente i over alle gemeenten N in de regio.

[3] Shannon entropie wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Waarbij Si staat voor het aandeel van de banen van een sector in gemeente i over alle gemeenten N in de regio.

Literatuur

Geurden-Slis, M., Van Gestel, G., Weterings, A. (2013). Verschillende methoden om clusters van bedrijven te meten. Den Haag: CBS.

Groenewegen, J., Hardeman, S. (2020). De anderhalvemetereconomie van Nederland gemeten. Utrecht: RaboResearch.

Hesmondhalgh, D. (2002). The Cultural Industries. Londen: SAGE Publications Limited.

Jackson, M.O. (2008), Social and Economic Networks, Princeton: Princeton University Press.

Landry, C., & Bianchini, F. (1995). The creative city. Londen: Demos.

Maskell, P., Bathelt, H., & Malmberg, A. (2006). Building global knowledge pipelines: The role of temporary clusters. European Planning Studies, 14(8), 997-1013.

Rodrik, D. (2010). Diagnostics before prescription. Journal of Economic Perspectives, 24(3), 33-44.

Shannon, C. E. (1948). A mathematical theory of communication. Bell System Technical Journal, 27(3), 379-423.

Stirling, A. (2007). A general framework for analysing diversity in science, technology and society. Journal of the Royal Society Interface, 4(15), 707-719.

Valero, A., & Van Reenen, J. (2019). The economic impact of universities: Evidence from across the globe. Economics of Education Review, 68, 53-67.

Delen:

naar boven