RaboResearch - Economisch Onderzoek

Vette en magere jaren

Economisch commentaar

Delen:

Verschenen in het Reformatorisch Dagblad, 18 januari 2020.

Wat doe je met tijdelijke financiële meevallers? Uitgeven, schulden aflossen of investeren? Wetende dat je over een paar jaar juist weer geld tekort komt? Voor dat dilemma staat de Nederlandse overheid. Na een bescheiden overschot in 2016 hebben we sinds 2017 jaarlijks een flink overschot op de overheidsbegroting. De cijfers voor het vierde kwartaal van 2019 zijn nog niet bekend, maar over de eerste drie kwartalen van 2019 schat het CBS dat we 14 miljard overhouden, dat is ruim 800 euro per inwoner. De staatsschuld is inmiddels gezakt tot onder de 50 procent van het bbp, ver onder de Europese norm van 60 procent.

Maar lang zal het begrotingsfeestje niet duren. Willen we het huidige niveau van de sociale voorzieningen handhaven en de belastingdruk gelijk houden, dan zal het begrotingsoverschot binnen enkele jaren omslaan in een tekort. Dat blijkt uit de nieuwe vergrijzingsstudie "Zorgen om morgen" van het Centraal Planbureau (CPB). De staatsschuld zal de komende decennia oplopen tot 100 procent van het bbp in 2060, om daarna nog verder te blijven stijgen. Dat is op de lange termijn niet houdbaar en brengt dan moeilijke keuzes met zich mee, zoals minder sociale voorzieningen of meer belasting.

Debet hieraan is vooral de vergrijzing, die de komende decennia leidt tot een stijging van uitgaven aan de AOW en de zorg. Dat laatste heeft overigens niet uitsluitend te maken met het grotere aandeel ouderen in de bevolking, maar óók met de toegenomen medische behandelmogelijkheden. De zorg is bovendien een zeer arbeidsintensieve sector en naarmate er meer mensen in de zorg werken, is het lastig om de arbeidsproductiviteit in Nederland verder te laten groeien.

Bij een eerdere vergrijzingsstudie uit 2014 waren de vooruitzichten positiever. Maar in de tussentijd is het een en ander veranderd. De uitgaven vallen hoger uit door de lastenverlichting uit de Miljoenennota 2019, de langzamere stijging van de AOW-leeftijd die is afgesproken in het Pensioenakkoord en door een nieuwe inschatting van toekomstige zorgkosten. Een meevaller is weliswaar de gestegen arbeidsproductiviteit, maar per saldo is het budgettaire effect negatief.

Maar vooralsnog hebben we dus de luxe van een begrotingsoverschot. De lijst aan nuttige bestedingsdoelen is uiteraard lang, maar met het oog op de toekomst is het verstandig om (een flink deel van) de overschotten in te zetten om ofwel het toekomstige verdienvermogen te vergroten, ofwel toekomstige kosten te reduceren.

Om het verdienvermogen te vergroten zijn investeringen in onderwijs en fundamenteel onderzoek het meest rendabel. Daarmee kunnen we het komende decennium de economische groei zelfs verdubbelen, zo becijferden mijn collega’s. Die groei moet echter wel plaatsvinden binnen de grenzen van de planeet. Extra innovatiekracht is dus broodnodig om zowel hogere groei als een lagere broeikasgasuitstoot te realiseren.

Een andere goede investering is het nemen van maatregelen die leiden tot een kostenreductie in de toekomst. De zorgkosten stijgen minder hard wanneer er wordt ingezet op preventie: naarmate minder mensen roken en meer mensen bewegen, vallen de zorgkosten lager uit. En voelen meer mensen zich fitter. En ook dat is welvaart.

Delen:
Auteur(s)

naar boven