RaboResearch - Economisch Onderzoek

Schei toch uit over vrouwenquota aan de top. Het probleem zit onderin

Column

Delen:

Verschenen op het Financieele Dagblad op 26 februari 2020

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kopte ‘Meer dan de helft werkt voltijds’ boven een nieuwsbericht dat het vorige week publiceerde. Nieuwswaardig was dat kennelijk niet, want de media pikte het niet op. Het CBS had het slechte nieuws dan ook verstopt in een dataset, en hield het in de tekst bij niet al te opvallende conclusies. De belangrijkste conclusie was dat 50,9% van alle werkenden meer dan 35 uur per week werkt. Volgens de definitie van het CBS is dat voltijds. Vrolijk voegt het CBS hieraan toe dat ruim een kwart van de vrouwen voltijds werkt. Wie echter naar de data achter het nieuwsbericht kijkt, ziet een zorgelijke ontwikkeling.

Kijken we naar alle vrouwen die werken, dan is het aandeel voltijdswerkende vrouwen ternauwernood gestegen. Werkte in 2003 nog 26,4% van de vrouwen voltijds, anno 2019 was dat 26,6%. De gemiddelde werkweek nam toe van 25 naar 26 uur.

Maar wie dieper in de data duikt, ziet dat alleen vrouwelijke zelfstandigen vaker voltijds zijn gaan werken. Dat aandeel steeg tussen 2003 en 2019 van 34,2 naar 40,5%, een toename van ruim 6 procentpunt. Hoe anders is het beeld voor vrouwelijke werknemers! Zij gingen niet vaker maar juist minder vaak voltijds werken: van 25,5 naar 24,5%. Dit ondanks het feit dat de conjuncturele omstandigheden om (meer) te werken in 2019 beter zijn dan in 2003.

Schrijnend beeld

Hoe dieper we in de data duiken, hoe schrijnender het beeld. Laagopgeleide vrouwen zijn bijna 4,5 procentpunt minder vaak voltijds gaan werken sinds 2003 (van 18,2 naar 13,8%). De achteruitgang is voor middelbaaropgeleide vrouwen zelfs nog groter. Werkte in 2003 25,3% nog voltijds, dat was in 2019 nog maar 20,6%. Een afname van bijna 5 procentpunt.

Dat is slecht nieuws als men zich realiseert dat minder dan de helft van deze vrouwen financieel onafhankelijk is. In 2018 kon 49,3% van de middelbaaropgeleide vrouwen minimaal 100% van het wettelijke nettominimumloon bij elkaar werken. Bij lageropgeleide vrouwen was dat nog minder, namelijk 21,6%. Mannen zijn veel vaker financieel onafhankelijk: 59,1% van de lageropgeleide en 77,4% van middelbaaropgeleide mannen.

Waarom gaat het in beleidsdebatten steeds over de positie van vrouwen aan de top? Het is duidelijk dat de grootse problemen juist aan de basis zitten. Vrouwen die afhankelijk zijn van een meerverdiendende (ex)partner of sociale zekerheid zijn kwetsbaar. Daar waar het probleem bij vrouwen op weg naar de top heel overzichtelijk is, geldt dat niet voor de problemen van vrouwelijke werknemers op andere niveaus in een organisatie.

Op weg naar de top is een voltijdsbaan en managementervaring nodig. Tussen 2003 en 2019 zijn ook hoogopgeleide vrouwen nauwelijks vaker voltijds gaan werken: van 36,7 naar 38,1%. In het artikel ‘Niet quota maar voltijdbaan verhoogt voor vrouwen kans op topbaan’ (FD, 13 augustus 2018) schreef ik al dat het probleem op weg naar de top niet het glazen plafond is, maar wel een plakkende werkvloer betegeld met kleine deeltijdbanen.

Voor vrouwen die naar de top willen, gaat dat doorgaans via een managementfunctie. Het CBS-bericht van vorige week bevat voor hen een gouden tip. Ruim 85% van de managers werkt voltijds, waarvan ruim een kwart zelfs meer dan 41 uur per week. Gemiddeld werkten hoogopgeleide vrouwen in 2019 30 uur per week. Voordat het paardenmiddel van quota wordt gebruikt, is het eerst zaak het gemiddeld aantal uren dat per week wordt gewerkt op te schroeven.

Twee dagen voor Sinterklaas was er in de Tweede Kamer een ruime meerderheid van 87 leden die voor een vrouwenquotum stemden. Dat gaat niet werken zolang vrouwen niet op grotere schaal voltijds willen werken. De statistieken laten ook hier geen prettig beeld zien. In 2019 wilde 6,4% van de deeltijdwerkende vrouwen minder uren werken, 13,3% wilde meer uren draaien, maar het overgrote deel (ruim 80%) ziet het aantal werkuren liefst niet veranderen. Zonder wil is er geen weg.

Ook voor vrouwen aan de basis van de arbeidsmarkt is arbeidsduur een belangrijke knop om aan te draaien. Op dat punt bracht het CBS-bericht ook al slecht nieuws. Middelbaaropgeleide vrouwen zijn sinds 2003 niet meer uren per week gaan werken (dat bleef 25 uur). Laagopgeleide vrouwen gingen tussen 2003 en 2019 2 uur per week minder werken, van 21 naar 19 uur.

Stop met oeverloos gepraat over quota. Dat leidt alleen maar af van effectief beleid gericht op de kwetsbare positie van veel middelbaar en laagopgeleide vrouwen op de arbeidsmarkt.

Delen:

naar boven