RaboResearch - Economisch Onderzoek

Regionale economische veerkracht loopt sterk uiteen

Themabericht

Delen:
  • De Nederlandse economie blijkt veerkrachtiger dan eerder gedacht, maar krimpt dit jaar desondanks waarschijnlijk met 4,2 procent.
  • De verwachtingen voor het noordoosten van het land zijn over het algemeen iets minder negatief, met uitzondering van het uiterste noorden.
  • Noord- en Zuid-Limburg, Zuidoost-Zuid-Holland, Leiden en Bollenstreek en Groot-Amsterdam hebben een relatief sterke krimpverwachting
  • Groot-Amsterdam lijkt door zijn internationale oriëntatie, wegblijvende bezoekers en minder voordelen van de hoge concentratie van economische activiteiten bovendien op korte termijn minder veerkrachtig te zijn dan de rest van Nederland

De Nederlandse economie blijkt tot nu toe veerkrachtiger te zijn dan eerder gedacht. Het herstel in de zomer was sterk en de stijging van de werkloosheid valt tot nu toe mee. En hoewel de tweede coronagolf en bijbehorende maatregelen de economie weer schaden, is de klap daarvan waarschijnlijk kleiner dan bij de eerste golf. Desalniettemin verwachten we dit jaar een krimp van 4,2 procent. We zien daarbij grote verschillen tussen sectoren. Vervoer & opslag, de overige zakelijke dienstverlening (onder meer uitzendbureaus en reisorganisaties) en vooral de horeca krimpen het meest, terwijl de productie in de bouw en de landbouw waarschijnlijk volgend jaar pas afneemt. Samen met specifieke regionale kenmerken zorgt dit voor uiteenlopende groeiprognoses voor de veertig Nederlandse regio’s. 

Box 1: Wat verklaart regionale groeiverschillen?

De regionale verschillen in economische groei waren in de afgelopen decennia groot. Dit is deels toe te schrijven aan verschillen in de economische structuur. Gebieden met grote groeisectoren hadden een beter uitgangspunt voor groei dan gebieden met veel bedrijven in sectoren die krimpen of minder hard groeien. Dit wordt het sectoreffect genoemd. Regionale groei blijkt echter nog meer af te hangen van specifieke regionale omstandigheden. Voorbeelden zijn de voordelen die bedrijven ontlenen aan de nabijheid van kennisinstellingen, de kwaliteit van de beroepsbevolking, het gunstige leefklimaat en een goede bereikbaarheid. Andersom, als deze zaken niet op orde zijn, kunnen ze de groei van de regio remmen. Het effect van deze regionale omstandigheden op de economie is het regio-effect.

In de regionale prognoses houden we met beide effecten rekening. Het sectoreffect berekenen we aan de hand van onze sectorprognoses en de economische structuur van regio’s. Belangrijk om te vermelden is dat achter de sectorprognoses grote verschillen tussen deelsectoren schuil gaan. Vanwege gebrek aan gegevens over de economische structuur van regio’s op dat sectorale niveau zijn de regioprognoses niet op dat detailniveau berekend. Het regio-effect schatten we door het volume van zakelijke transacties in de eerste elf maanden van het jaar te vergelijken met dezelfde maanden vorig jaar. Dit is een indicatie voor de ontwikkeling van de economische activiteit. Ter illustratie: door de coronamaatregelen is de krimp dit jaar het grootst in de horeca. Maar die krimp is natuurlijk niet in elke regio gelijk en onder meer afhankelijk van regionale omstandigheden. Een daarvan is de omvang van binnenlands toerisme. Veel Nederlanders gingen deze zomer op vakantie in eigen land, waardoor het wegblijven van buitenlandse toeristen in de meeste provincies werd gecompenseerd. Dat gold niet voor Noord-Holland, dat het vooral van buitenlandse toeristen en zakelijke bezoekers moet hebben. Dit zien we terug in de transactievolumes en is een indicatie voor een nog sterkere krimp in de horeca in Noord-Holland.

Economische krimp in alle regio’s

De economie zal dit jaar in elke regio krimpen (figuur 1). Door de oogharen heen zien we dat het noordoostelijke deel van het land een betere prognose heeft dan een aantal regio’s in het westen en het zuidoosten. Over het algemeen zijn de agrarische sector, het onderwijs en/of de overheid hier relatief groot en die sectoren hebben een minder slechte prognose. Daarnaast blijkt uit de transactiedata dat de afname van de economische activiteit in dit gebied relatief meevalt. Het uiterste noorden, vooral in Groningen, is hierop de uitzondering. Door de lagere delfstoffenwinning is de productie rondom de stad Groningen dit jaar flink lager. In Delfzijl en omgeving is de transportsector bijzonder groot en Noord- en Zuidwest-Friesland huisvesten veel zorg, horeca en industrie. Deze sectoren hebben allemaal een relatief sterke krimpverwachting.

In het westen vallen Zuidoost-Zuid-Holland en Leiden en Bollenstreek op. De economische activiteit was hier lager dan verwacht. Dat geldt ook voor Groot-Amsterdam, dat daarnaast vanwege de beperkte luchtvaart en wegblijvende internationale toeristen, zakelijke reizigers en dagjesmensen harder wordt getroffen. De relatief sterke krimp in Noord-Limburg komt door het grote aandeel van de industrie en de transportsector. In het zuiden van de provincie is de structuur niet ongunstig, maar was de economische activiteit blijkens onze transactiedata tot en met november lager dan gemiddeld.

Figuur 1: Regionale prognoses 2020
Figuur 1: Regionale prognoses 2020Bron: RaboResearch

De ene regio is veerkrachtiger dan de andere

De veerkracht van de Nederlandse economie in de zomer dempt de verwachte krimp. Dit zien we ook terug in de verwachte krimp in de regio’s. Maar ook hierin verschillen ze van elkaar (figuur 2). De figuur geeft weer in welke mate een regio momenteel een betere verwachting heeft dan onze prognoses van afgelopen juni.

Opvallend is vooral dat de drie Randstedelijke gebieden Groot-Amsterdam, Leiden en Bollenstreek en Utrecht in de afgelopen zes maanden minder veerkrachtig waren. Sterker nog, Groot-Amsterdam is de enige regio met momenteel een slechtere prognose dan in het voorjaar. De verklaring hiervoor ligt deels in de afhankelijkheid van Amsterdam (inclusief Schiphol) van bezoekers. Zo viel het internationaal toerisme in het tweede kwartaal nagenoeg stil en bleven zakelijke reizigers en dagjesmensen weg. De rest van Nederland heeft hier minder last van. Een tweede verklaring is het gedeeltelijk wegvallen van een aantal agglomeratievoordelen. Vanwege de beperkte mogelijkheden van fysiek contact hebben bedrijven geen of veel minder voordeel van de nabijheid tot andere bedrijven en kennisinstellingen. Dit bepekt onder meer de kennisoverdracht en daarmee de innovatiekracht van de stad. Dat was de afgelopen jaren een belangrijke factor in het succes van Amsterdam.

Figuur 2: Veerkracht in de afgelopen zes maanden
Figuur 2: Veerkracht in de afgelopen zes maandenBron: RaboResearch

Overigens is de veerkracht van Groot-Amsterdam op langere termijn waarschijnlijk groter. Diepere dalen en hogere pieken zijn niet ongewoon voor de regio. De economie van Groot-Amsterdam groeide harder tijdens de hoogconjunctuur voor 2008, slonk meer in 2009 en herstelde daarna veel sneller en sterker dan Nederland als geheel. Bovendien dankte Groot-Amsterdam zijn hoge economische groei tussen 2013 en 2018 voor de helft aan een zeer gunstig vestigingsklimaat. Daar zal de regio ook na deze crisis van profiteren.

Naast de drie genoemde gebieden in de Randstad zijn ook de verwachtingen voor Zuid-Limburg en Delfzijl en omgeving niet veel beter dan eerder dit jaar. In Delfzijl komt dat vooral doordat de prognose voor de transportsector is verslechterd. In Zuid-Limburg is de economische activiteit lager dan je op grond van de economische structuur zou verwachten. Aan de positieve kant staan Alkmaar en omgeving, Het Gooi en Vechtstreek en Noordoost-Brabant. Die regio’s hebben ook de minst slechte prognoses voor 2020. Door de verbeterede exportpositie van de industrie hebben we ook voor een aantal industriegebieden een betere verwachting dan eerder dit jaar: Zuidoost-Brabant, IJmond, Zaanstreek en Twente.

Box 2: Wat is veerkracht?

Met veerkracht wordt hier de veerkracht in de afgelopen zes maanden bedoeld. Na de lockdown van afgelopen voorjaar herstelde de Nederlandse economie in de zomer sterker dan verwacht. De huidige prognose van -4,2 procent is daarom 1,5 procentpunt hoger dan de prognose van juni. Die veerkracht verschilt per regio en bestaat uit drie componenten: het landelijke effect van 1,5 procentpunt, het sectoreffect op basis van veranderende sectorprognoses en het regio-effect op basis van extra informatie vanuit de transactiedata. Vooral interessant is dat uit de transactiedata blijkt dat de verschillen in veerkracht vooral zijn toe te schrijven aan verschillen in regionale omstandigheden.

Vooral dat laatste is interessant. Sinds juni is een half jaar aan extra informatie over 2020 beschikbaar. Daaruit blijkt of de economische activiteit in regio’s, gegeven hun economische structuur, relatief hoog of laag was. De beperkte veerkracht in Groot-Amsterdam en een aantal andere regio’s is voor een groot deel daaraan toe te schrijven. Dat wil zeggen dat specifieke regionale omstandigheden ervoor zorgden dat de economische activiteit in de afgelopen zes maanden relatief sterk daalde ten opzichte van vorig jaar en/of beperkt toenam ten opzichte van het voorjaar. Om een voorbeeld te geven: hotels en restaurants in Amsterdam zijn afhankelijker van buitenlandse toeristen en zakenreizigers, die dit jaar massaal wegbleven. Hotels en restaurants in Zeeland of Friesland profiteerden daarentegen meer van binnenlands toerisme doordat meer Nederlanders hun vakantie in eigen land vierden.

Delen:
Auteur(s)
Rogier Aalders
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 1096 6790
Otto Raspe
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
06 1124 7626

naar boven