RaboResearch - Economisch Onderzoek

Prinsjesdag 2019: vooral werkenden gaan erop vooruit

Themabericht

Delen:
  • Volgens ramingen van het Centraal Planbureau gaan alle huishoudens erop vooruit
  • Werkenden profiteren het meest van het kabinetsbeleid
  • De lastenverlichting voor huishoudens is welkom

Volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) zal de statische koopkracht van Nederlandse huishoudens volgend jaar behoorlijk toenemen: in doorsnee met 2,1 procent. Dit is bijna een procentpunt hoger dan in 2019 en zou de op twee na sterkste stijging zijn sinds 1997. De koopkrachtstijging komt door een toename van de reële lonen en beleidsmaatregelen.

De koopkracht van huishoudens wordt beïnvloed door lonen en ander inkomen, inflatie en beleid (voor een uitgebreidere beschrijving van de raming van de koopkracht zie box 1). Hogere lonen en lage inflatie zijn gunstig voor de koopkracht, net als een belastingverlaging. Daarentegen is een korting op de pensioenen negatief voor de koopkrachtontwikkeling. De ramingen van de koopkracht zijn dan ook met grote onzekerheid omgeven. Als de prijzen harder stijgen dan voorzien, of de lonen groeien minder hard, dan valt de koopkracht lager uit. Het CPB verwacht bijvoorbeeld dat de inflatie in 2020 op 1,3 procent zal uitkomen, maar wij voorzien een stijging van 1,5 procent. Onze raming voor de loongroei zit dichter op die van het CPB. Bovendien zijn de koopkrachtramingen van het CPB ‘statisch’ waardoor persoonlijke omstandigheden, denk aan een promotie of een scheiding, er voor kunnen zorgen dat de werkelijke koopkrachtontwikkeling voor een huishouden anders uitpakt.

Vooral werkenden gaan erop vooruit

Alle huishoudens zullen er komend jaar op vooruit gaan, maar er zijn behoorlijke verschillen tussen huishoudens. Vooral werkenden profiteren, van zowel reële loonstijging als beleidsmaatregelen. De belangrijkste hiervan zijn de aanpassingen aan de arbeidskorting en de verhoging van de algemene heffingskorting. Ook de invoering van het tweeschijvenstelsel heeft impact, maar dit verschilt per inkomensgroep. Voor de laagste inkomens is het effect hiervan op de koopkracht ongunstig, maar voor de hogere inkomens pakt het goed uit. Lagere inkomens profiteren dan weer van een verhoging van de zorgtoeslag.

Uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden profiteren juist minder van het aangekondigde, politieke beleid dat namelijk vooral gericht is op lastenverlichting bij werkenden. Volgens het CPB zullen gepensioneerden daarnaast nog te maken krijgen met kortingen op het pensioen. Bij die laatste groep geldt wel dat er een behoorlijke spreiding is, want sommige pensioenfondsen staan er beter voor dan anderen.

Gezinnen met kinderen gaan er het meest op vooruit, onder andere door de verhoging van het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren.

Tot slot gunstig voor de koopkracht is dat komend jaar de energiebelasting voor huishoudens daalt, wat de inflatie drukt.

Lastenverlichting huishoudens is welkom

Figuur 1: Inkomen huishoudens blijft achter bij economische groei
Figuur 1: Inkomen huishoudens blijft achter bij economische groeiNoot: Bruto alternatief corrigeert voor uitgaven van de overheid die toegerekend kunnen worden aan individuele huishoudens, zoals onderwijs
Bron: CBS

De koopkrachtimpuls door de lastenverlichting voor huishoudens is zeer welkom. Zoals wij eerder hebben geschreven, het beschikbaar inkomen van Nederlandse huishoudens blijft namelijk achter bij de economische groei (figuur 1). Sinds 1995 is het bruto binnenlands product per huishouden met ruim 30 procent gestegen, terwijl het inkomen met slechts iets minder dan de helft daarvan is toegenomen.

Eén van de redenen hiervoor is dat de lasten op arbeid sinds de crisis zijn gestegen. Een toename van het beschikbaar inkomen is gunstig voor de uitgaven van huishoudens. Bovendien komt het de financiële weerbaarheid van huishoudens ten goede als ze meer ruimte hebben om een buffer aan te houden.

De lastenverlichting voor huishoudens zorgt er ook voor dat werken meer gaat lonen. Dat is in principe goed voor het arbeidsaanbod en dus voor de economische groei.

Box 1: Wat is ‘koopkracht’ en hoe wordt het geraamd?

De koopkrachtplaatjes uit de Miljoenennota betreffen ramingen van de statische koopkrachtverandering van huishoudens. Het besteedbaar inkomen van huishoudens kan veranderen door externe invloeden, maar ook door persoonlijke omstandigheden. Externe invloeden zijn de loonontwikkeling, het overheidsbeleid en de inflatie. De verandering van het besteedbaar inkomen door deze factoren wordt de statische koopkracht genoemd. Wanneer de persoonlijke omstandigheden van mensen mee worden genomen -bijvoorbeeld een hoger besteedbaar huishoudinkomen doordat mensen gaan samenwonen, of een hoger loon door een nieuwe baan- spreken we van dynamische koopkracht. Het is echter moeilijk om voor alle huishoudens veranderingen in persoonlijke omstandigheden vooraf in te schatten. Daarom wordt door het Centraal Planbureau, die de Miljoenennota doorrekent, alleen de statische koopkracht geraamd.

Het CPB raamt de statische koopkracht aan de hand van een model. Hierin wordt data over de inkomensgegevens en huishoudkenmerken van een representatieve steekproef van 100.000 huishoudens gebruikt. Daarnaast bevat het model schattingen voor de loongroei en inflatie. Als laatste worden de voorgenomen beleidswijzigingen van het kabinet in het model verwerkt. Dit zijn niet enkel wijzigingen die de inkomens van huishoudens beïnvloeden, maar ook andere maatregelen die het besteedbaar inkomen van mensen raken, zoals beleidsmaatregelingen voor de woningmarkt, de zorg, of de arbeidsmarkt. Via het bruto-netto-traject schat het CPB-model het besteedbaar inkomen voor alle huishoudens in de steekproef voor het komende jaar. Het startpunt van dit traject is het bruto inkomen, bestaande uit inkomen uit arbeid, uitkering of pensioen, maar ook inkomen uit eigen onderneming, vermogen, aanmerkelijk belang en mogelijk ontvangen alimentatie. Door hier de sociale premies en belastingen vanaf te trekken wordt het geschatte netto inkomen berekend. Het besteedbaar inkomen wordt geschat door het netto inkomen te verrekenen met zorgkosten, toeslagen, kinderbijslag en kosten voor kinderopvang. Ook wordt het gecorrigeerd voor de inflatie. Het koopkrachtcijfer is de verandering van dit geschatte reële besteedbaar inkomen ten opzichte van het reële besteedbaar inkomen van het jaar ervoor.

Delen:

naar boven