RaboResearch - Economisch Onderzoek

Principeakkoord pensioenhervormingen: van AOW tot zzp

Themabericht

Delen:
  • De AOW-leeftijd wordt de komende twee jaar bevroren en stijgt daarna minder snel
  • De pensioenen worden minder vast. Daardoor zijn er minder buffers nodig en zal er sneller worden geïndexeerd of gekort
  • Sociale partners kunnen straks kiezen tussen twee soorten pensioenregelingen met een stabiele pensioenpremie; het verschil zit vooral in de mate van risicodeling in de opbouwfase. De precieze vormgeving van het nieuwe pensioencontract en compensatiemaatregelen moeten nog worden uitgewerkt
  • Pensioenfondsen met een dekkingsgraad boven de 100 procent hoeven niet te korten
  • Er komt geen pensioenplicht voor zzp’ers, wel een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering
  • In het nieuwe stelsel wordt transparanter dat de toekomstige waarde van pensioenen inherent onzeker is

Op 5 juni is tijdens een persconferentie het langverwachte principeakkoord over pensioenhervormingen gepresenteerd. FNV-leden mogen tussen 12 en 15 juni individueel hun stem uitbrengen over het pakket aan maatregelen. Dat gaat over veel meer dan pensioen alleen, en raakt ook de AOW en zzp’ers. Minister Koolmees is verheugd over het principeakkoord: “De polder levert en dat is goed voor Nederland”.

De AOW was een belangrijk thema in de onderhandelingen. Enerzijds begrijpelijk, want de AOW is een belangrijk onderdeel van het inkomen op de oude dag, vooral voor mensen met een laag aanvullend pensioen. De stijging van de AOW-leeftijd maakt het lastiger voor mensen met een zwaar beroep om gezond de eindstreep te halen. Maar tegelijkertijd opmerkelijk, want werkgevers en werknemers hebben geen zeggenschap over de AOW. De AOW staat in Nederland geheel los van het arbeidsverleden, en is er ook voor mensen die nooit betaald werk hebben verricht.

Maatregelen principeakkoord

1. AOW-leeftijd stijgt langzamer

Figuur 1: Huidige en nieuwe verwachte AOW-leeftijd
Figuur 1: Huidige en nieuwe verwachte AOW-leeftijd Bron: SVB, Rabobank

De AOW-leeftijd wordt de komende twee jaar bevroren op de huidige 66 jaar en 4 maanden en gaat daarna langzaam naar 67 in 2024, in plaats van al in 2021. Daarna stijgt de AOW-leeftijd langzamer mee met de levensverwachting dan voorheen: voor ieder extra levensjaar gaan we dan 8 maanden langer werken. De maatregelen zijn niet alleen gunstig voor wie bijna met pensioen gaat maar ook voor jongeren. Ook hun verwachte AOW-leeftijd valt hiermee lager uit (figuur 1).

Er komt echter géén algemene regeling voor zware beroepen. Werkgevers en werknemers moeten hierover zelf afspraken maken in cao’s. De overheid ondersteunt dit door in de periode 2021-2025 de huidige boete op vervroegde uittreding (‘RVU-heffing’) te verminderen als de uittreding binnen de laatste drie jaar voor de AOW-leeftijd plaatsvindt. De boete wordt dan geschrapt voor uitkeringsbedragen tot circa 19.000 euro bruto per jaar en wordt alleen over het meerdere geheven.

2. Zzp’ers moeten zich verzekeren

Het aantal zzp’ers is sinds de eeuwwisseling sterk gegroeid. Een groot deel van de zzp’ers bouwt geen pensioen (meer) op en verzekert zich niet tegen arbeidsongeschiktheid. Het principeakkoord omvat geen verplichte pensioenregeling voor zzp’ers. Wel wordt het voor zzp'ers gemakkelijker gemaakt om pensioen op te bouwen. De fiscale regels voor de tweede en derde pijler worden hetzelfde en door de afschaffing van de doorsneepremiesystematiek is de overgang van werknemer naar zzp'er minder groot. Daarentegen worden zelfstandigen wel verplicht om zich te verzekeren tegen de risico’s van arbeidsongeschiktheid. Het kabinet vraagt de sociale partners (de werkgevers- en werknemersorganisaties) om in het begin van 2020 in overleg met zelfstandigenorganisaties een concreet voorstel uit te werken, zodat er voor de zomer van 2020 een kabinetsvoorstel kan volgen.

3. Pensioen voor werknemers verandert ingrijpend

Het pensioenstelsel gaat ingrijpend veranderen. De aanleiding en noodzaak voor hervormingen beschreven wij in ons eerdere Themabericht hervorming pensioenstelsel. Het nieuwe stelsel dat wordt beschreven in een nieuw SER-advies sluit beter aan op de veranderende arbeidsmarkt, wordt transparanter en biedt mogelijkheden om sneller te indexeren.

1. De doorsneesystematiek die bedrijfstakpensioenfondsen hanteren wordt afgeschaft. De pensioenopbouw moet voortaan passen bij de ingelegde premie: een euro inleg aan het begin van de loopbaan kan langer renderen dan een euro inleg vlak voor de pensioendatum. De nieuwe methodiek wordt een leeftijdsonafhankelijke (vlakke) premie met een degressieve opbouw. Ook ondernemingspensioenfondsen moeten hun regeling aanpassen; zij hebben nu meestal een leeftijdsafhankelijke (progressieve) premie met vlakke opbouw.

2. De pensioenuitkeringen worden minder zeker: in het nieuwe stelsel wordt het idee van een vaste uitkering losgelaten en is minder opbouw van buffers nodig. Op cao-niveau mag er worden gekozen tussen twee types pensioenregeling:

a. een nieuw te ontwikkelen premieregeling met uitgebreide collectieve risicodeling in zowel de opbouwfase als de uitkeringsfase. In de opbouwfase worden de premies omgezet in pensioenaanspraken tegen de dan geldende marktrente[1]. De pensioenen kunnen in kleine stapjes (gespreid over maximaal tien jaar) worden verhoogd of verlaagd, afhankelijk van meevallers en tegenvallers zoals beleggingsrendementen, renteontwikkelingen en veranderingen in de levensverwachting.

b. een soort hybride regeling die bestaat uit een persoonlijk pensioenvermogen in de opbouwfase, gevolgd door een geleidelijke overgang naar een uitkeringscollectief waarbinnen risico’s worden gedeeld. Dit is de bestaande ‘verbeterde premieregeling’ die sommige ondernemingspensioenfondsen nu al hebben, zoals de pensioenregeling bij Shell. Dit type regeling wordt straks ook toegestaan voor bedrijfstakpensioenfondsen.

3. Om meer keuzevrijheid te geven wordt het in ieder type pensioenregeling mogelijk om op de pensioendatum in één keer maximaal 10 procent van de totale opgebouwde aanspraak op te nemen, ongeacht het bestedingsdoel. Deze maatregel was al eerder aangekondigd; zie ook ons recente Themabericht keuzemogelijkheden bij pensionering.

De pensioenhervormingen moeten nog verder worden uitgewerkt. Hiervoor stelt het kabinet een stuurgroep in, bestaande uit vertegenwoordigers van sociale partners en het kabinet.

Pensioenkortingen van de baan?

In het huidige financieel toetsingskader moeten pensioenfondsen niet alleen korten wanneer er te weinig geld in kas is, maar óók als de buffers langdurig laag zijn, dat wil zeggen een dekkingsgraad die langer dan vijf jaar achtereen onder de circa 104 procent ligt[2]. Volgens deze methodiek zouden vier van de vijf grootste bedrijfstakpensioenfondsen in 2020 of 2021 moeten korten; zij hebben namelijk een dekkingsgraad die maar net boven de 100 procent ligt. Als onderdeel van het pensioenakkoord hoeven pensioenfondsen in de aanloop naar een nieuw contract niet meer te korten bij een dekkingsgraad boven de 100 procent. De kans op kortingen is hiermee een stuk kleiner geworden. Dat wil niet zeggen dat er in de toekomst geen pensioenkortingen meer zullen voorkomen. Met het nieuwe pensioencontract zullen pensioenen juist sneller kunnen worden verhoogd én verlaagd.

Wie betaalt de rekening?

Het pensioenakkoord heeft een grote impact op de overheidsbegroting. Het totale pakket aan tijdelijke maatregelingen, zoals de bevriezing van de AOW-leeftijd de komende twee jaar,komt neer op 8 miljard euro. Deze worden in de rijksbegroting uitgesmeerd over een periode van vijftien jaar; ofwel ruim 0,5 miljard euro per jaar, zo blijkt uit de kamerbrief van Minister Koolmees.

Dit wordt vooralsnog op de rijksbegroting onder meer gecompenseerd via:

  • 200 miljoen euro via aanpassingen van het lage-inkomensvoordeel (LIV), zoals de afschaffing van het jeugd-LIV[3];
  • 234 miljoen die al was gereserveerd in de jaren 2020 en 2021 voor de transitie bij de afschaffing van de doorsneesystematiek
  • 100 miljoen uit de ‘algemene middelen’.

Naast deze tijdelijke kosten zorgt de toekomstige langzamere stijging van de AOW-leeftijd voor een structurele verslechtering van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van circa 0,4 procent van het bbp. Uit nieuwe CPB-berekeningen blijkt dat er ook een meevaller is gevonden van 0,5 procent bbp, dankzij de gestegen arbeidsparticipatie. Van deze houdbaarheidsverbetering wordt iets meer dan de helft (0,3 procent) ingezet voor het nieuwe AOW-pad. De resterende 0,1 procent moet via een ‘generieke taakstelling’ nog elders worden gevonden.

Figuur 2: Impact op pensioenopbouw naar geboortejaar
Figuur 2: Impact op pensioenopbouw naar geboortejaarBron: CPB, 2017

De grootste rekening dreigt terecht te komen bij werknemers die halverwege hun loopbaan zijn en straks in de tweede helft van hun loopbaan minder pensioen opbouwen dan onder het huidige stelsel. Zonder compensatie zullen werknemers in de leeftijd van 35-50 jaar circa 5 procent minder pensioen opbouwen[4] (figuur 2). Hierover schreven wij eerder in ons Themabericht afschaffing doorsneesystematiek.

Het uitgangspunt van het principeakkoord is echter dat werknemers voldoende worden gecompenseerd. Compensatie kan onder meer plaatsvinden uit de bufferopbouw en/of door compensatie in de premie op te nemen. De rekenmethode om per fonds en per leeftijdscohort de compensatie nauwkeurig te berekenen moet nog verder worden uitgewerkt in een ‘transitiekader’.

De stemming

Hoe nu verder? De vakbonden moeten nog met het principeakkoord instemmen. De FNV organiseert van 12-15 juni een referendum onder hun (circa 1 miljoen) leden. De uitkomst van het referendum is nog onzeker. Hoewel de regering veel concessies heeft gedaan op het gebied van de AOW, is dit voor een deel van de achterban, die terug wil naar een AOW-leeftijd van 65, mogelijk niet goed genoeg. Daarbij zullen vakbondsleden dus stemmen over zaken waarover zij normaliter geen zeggenschap hebben, zoals de AOW en zzp’ers.

De hervorming van het (werknemers-)pensioen is wel het traditionele terrein van vakbonden - en werkgevers. De voorgestelde pensioenhervormingen zijn complex. Op korte termijn worden kortingen bij de grote bedrijfstakfondsen met deze hervormingen mogelijk afgewend. Uiteindelijk zullen de hervormingen leiden tot een stelsel waarin de pensioenuitkeringen minder stabiel zijn en meer zullen meebewegen met de economie.

Stemmen de vakbondsleden voor, dan kunnen de voorstellen verder worden uitgewerkt en hun beslag krijgen in wetgeving en cao-afspraken. Als de vakbondsleden tegen stemmen dan is het de vraag of er nog wel een akkoord is. Het zal dus nog moeten blijken of de ‘polder heeft geleverd’.

Voetnoten

[1] rentetermijnstructuur met UFR

[2] ‘MVEV-korting’

[3] Het jeugd-LIV was ingevoerd als tegemoetkoming voor de verhoging van het minimumjeugdloon.

[4] De impact is afhankelijk van de hoogte van de rente; bij een rente van 3 procent kan het tekort oplopen tot 11 procent.

Delen:
Auteur(s)

naar boven