RaboResearch - Economisch Onderzoek

Waarom de keuze voor Boris Johnson vooral pijn zou doen in Limburg en Drenthe

Column

Delen:

Deze column is eerder verschenen op RTL Z/Opinie, 19 juni 2019

De Britse conservatieve politicus Boris Johnson lijkt de torenhoge favoriet in de strijd om het premierschap van Groot Brittannië. Mocht hij na de waarschijnlijke verkiezingswinst om het partijleiderschap ook nog premier van Groot Brittannië worden, dan lijkt een harde Brexit aanstaande. Niet alleen de Britse economie, maar ook vele andere economieën gaan dit voelen… En wij ook.

Het is inmiddels bekend dat een harde Brexit ook een flinke klap kan betekenen voor de Nederlandse economie. Ik denk dat niet zoveel mensen weten dat sommige regio’s daarbij harder geraakt worden dan andere. Je zou het in eerste instantie misschien niet denken, maar juist de economische kleinere regio’s in de periferie van ons land gaan de pijn voelen als Boris aan de macht komt.

Onderzoek van mijn oud-collega’s bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laat zien dat Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant, de regio’s met de sterkste exportpositie, een minder negatieve impact lijken te ervaren van een harde Brexit dan minder krachtige regio’s als Limburg, Zeeland en Drenthe. Juist deze contreien handelen relatief veel met bedrijven die in de keten relaties met het Verenigd Koninkrijk hebben. Denk aan het bedrijf VDL-Nedcar in Born. De grotere regio’s hebben dat verhoudingsgewijs minder en hebben bovendien het voordeel dat ze ook in andere en verder gelegen markten actief zijn.

De impact van de Brexit is een voorbeeld van hoe internationale ontwikkelingen verschillend uitwerken per regio. Nederland is in mijn optiek economisch zeker geen plat land zonder reliëf, maar een land met grote regionale verschillen. Dit beeld verdwijnt nogal eens naar de achtergrond door het idee dat globalisering gaat over de wereldeconomie en dus vooral een macro-economische aangelegenheid is. Recente studies van het PBL geven echter aan dat sommige regio’s echt de groeimotoren van de economie zijn, terwijl andere minder in staat zijn te profiteren of te anticiperen op nieuwe economische omstandigheden. Er is een wereld van verschil tussen bijvoorbeeld de economie van de regio Amsterdam of Eindhoven en die in de Kop van Noord-Holland of Midden-Limburg.

Economisch beleid richt zich dus terecht op het versterken van de nationale economie en concurrentiepositie, waarbij een macro-economische bril wordt opgezet. Maar dit lijkt niet meer voldoende want ook regio-specifiek beleid is belangrijk. Ik denk dat als we geen aandacht hebben voor onze kwetsbaardere regio’s deze ongelijkheid zich wel eens tegen ‘Den Haag’ kan keren, in wat in het land van de Brexit als ‘the revenge of the places that don’t matter’ is geduid.

Figuur 1: Samenstelling ontwikkeling toegevoegde waarde 1998-2015
Figuur 1: Samenstelling ontwikkeling toegevoegde waarde 1998-2015Bron: CBS

We kunnen dus niet zonder inzicht in economische ontwikkelingen in regio’s, en een verklaring waarom er groeiverschillen zijn. Een recente RaboResearch-studie laat zien dat er binnen Nederland grote verschillen tussen regio’s zijn in economische structuur én in kwaliteit van het vestigingsklimaat en ondernemerschap (regionale omstandigheden). Figuur 1 laat deze dimensies zien. Een voorbeeld: het groeiende aandeel van de Noord-Hollandse economie komt door de aanwezigheid van groeisectoren als ICT en specialistische diensten, maar ook door een gunstig vestigingsklimaat en kwaliteit van het ondernemerschap. We zien ook dat als deze factoren niet op orde zijn, het in belangrijk mate bepaalt waarom regio’s onder het nationale gemiddelde presteren (blauwe regio’s in de figuur).

De Brexit komt vooral hard aan in een aantal van deze minder presterende provincies. Dat versterkt nog eens de noodzaak om economische beleid toe te spitsen op regio’s. De vraag is of ‘Den Haag’ net als haar macro-strategie voor de Brexit ook aandacht heeft voor regio’s, want die lijken te weinig in het Haagse vizier.

Delen:
Auteur(s)

naar boven