RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Binnenlandse vraag stabiele factor voor Nederlandse economie

Economisch Kwartaalbericht

Delen:
Deze publicatie is verouderd. Bekijk de recentste editie

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

  • De Nederlandse economie groeit in 2019 met 1,7 en in 2020 met 1,6 procent
  • Lage werkloosheid ondersteunt de consumptie, ook al is de reële loongroei beperkt
  • Consumenten en producenten zijn minder optimistisch, zodat het tempo van investeringen in huizen en bedrijfskapitaal zal afnemen
  • Nederlandse overheid draagt bij aan de groei met hogere bestedingen
  • Handelsoorlog en Brexit kunnen op korte termijn het beeld verstoren
Figuur 1: Grotere groeibijdrage overheid
Figuur 1: Grotere groeibijdrage overheidBron: CBS, RaboResearch

De externe omgeving is er de laatste maanden niet stabieler op geworden: president Trump voert de druk op China in het handelsconflict op; in het VK zal een nieuwe premier een nieuwe Brexit-strategie gaan voeren met onzekere uitkomst; en de Italiaanse regering gaat opnieuw de strijd aan met ‘Brussel’ over zijn begrotingstekorten, met als risico dat de spanningen in de eurozone oplopen. De groei van de wereldhandel valt intussen sterk terug en de export-georiënteerde industrie heeft het in veel landen moeilijk. Ondanks al deze onzekerheden blijft het economische beeld voor Nederland vooralsnog relatief stabiel. Dat danken we vooral aan de zeer lage werkloosheid en een positieve impuls van hogere overheidsbestedingen, die een bodem leggen onder de binnenlandse vraag (figuur 1). Een gezonde binnenlandse dynamiek in de meeste andere eurolanden draagt er bovendien aan bij dat de export redelijk op peil blijft. Wel is het van belang om de internationale (handels-)spanningen goed in de gaten te houden, want een escalatie zou ook voor de Nederlandse economie slecht nieuws zijn.

Tabel 1: Economische voorspellingen Nederland
Tabel 1: Economische voorspellingen NederlandBron: RaboResearch

Werkloosheid zeer laag, maar werknemer rekent zich niet rijk

Figuur 2: Werkloosheid zeer laag
Figuur 2: Werkloosheid zeer laagBron: CBS

In april van dit jaar waren slechts driehonderdduizend mensen officieel werkloos, slechts 3,3 procent van de beroepsbevolking (figuur 2), het laagste niveau sinds de crisis. Eerder schreven wij al dat de vijver waarin werkgevers kunnen vissen naar nieuwe werknemers opdroogt. Dit wordt nog versterkt doordat in het principeakkoord pensioenhervormingen is besloten de AOW-leeftijd dit en volgend jaar te bevriezen en daarna minder snel te laten stijgen. De groei van het arbeidsaanbod zwakt hierdoor af. Het laagterecord in de werkloosheid lijkt wel bereikt. In de komende jaren verwachten we dus dat de werkloosheid langzaam weer iets oploopt, naar 3,4 procent in 2019 en 3,6 procent in 2020.

Ondanks de record-lage werkloosheid blijft de reële loongroei achter, wat een matigend effect heeft op de koopkracht en de uitgaven van Nederlanders. De stijging van de cao-lonen blijft de eerste maanden van dit jaar namelijk nog achter bij de hoge inflatie (figuur 3). Wel lijkt de lage werkloosheid de laatste maanden te zorgen voor een kleine toename in vaste contracten en afname in flexibele contracten (figuur 4). Ook proberen werkgevers de krapte te bevechten door nieuwe medewerkers te laten starten in een hogere schaal, blijkt uit een enquête van werkgeversorganisatie AWVN. Dit heeft een positief effect op de incidentele loongroei. Minder duidelijk is wat de recent aangenomen Wet Arbeidsmarkt in balans hiervoor zou kunnen betekenen. Hierin is opgenomen dat de maximale duur van tijdelijke contracten weer wordt verhoogd van twee naar drie jaar. Dit maakt het voor werkgevers mogelijk om werknemers vaker in te schalen op hetzelfde –lagere– niveau met een nieuw contract, in plaats van ze binnen hun bestaande contract een stap op de salarisschaal hoger te brengen. Toch denken we dat de incidentele loongroei substantieel is, en ervoor zorgt dat voor de gemiddelde Nederlandse werknemer in 2019 en 2020 toch een reële loonstijging van net boven nul resteert. En omdat werknemers gemiddeld bovendien minder inkomstenbelasting gaan betalen, zullen zij er in 2019 ook netto toch beperkt op vooruit gaan.

Figuur 3: Contractlonen blijven achter bij inflatie
Figuur 3: Contractlonen blijven achter bij inflatieBron: CBS
Figuur 4: Opleving aantal vaste contracten
Figuur 4: Opleving aantal vaste contractenBron: CBS

Consumenten blijven overwegend pessimistisch

De beperkte loongroei zorgt ervoor dat de consumptie van Nederlandse huishoudens zich niet al te uitbundig ontwikkelt. Anderzijds zorgt de lage werkloosheid voor financiële zekerheid en dus aanhoudende bestedingen. Ook stijgen de huizenprijzen nog altijd, wat gewoonlijk ook de consumptie ondersteunt.

Figuur 5: Consumenten blijven pessimistisch
Figuur 5: Consumenten blijven pessimistischBron: CBS

We verwachten dat de private-consumptiegroei dit jaar op 1,3 procent uitkomt. Dat is bijna een halvering ten opzichte van de groei in 2018. Een belangrijke reden hiervoor is de hoge inflatie. Voor 2019 verwachten we dat deze uitkomt op 2,7 procent. Die prijsstijgingen waren in het eerste kwartaal duidelijk te merken in de portemonnee van Nederlandse huishoudens: de inflatie was de hoogste van de eurozone. Dit werd veroorzaakt door de btw-verhoging, die nog steeds doorsijpelt in hogere consumentenprijzen en in lager consumentenvertrouwen (figuur 5). Ook bleef de energierekening flink stijgen door de hogere belastingen en tarieven. Hier kan verandering in komen: twee grote energieleveranciers hebben aangekondigd hun tarieven per 1 juli te verlagen. Ook heeft het kabinet aangegeven de energierekening voor burgers vanaf 2020 te verlagen, door de lasten meer te verschuiven naar het bedrijfsleven. Voor 2020 verwachten we dan ook dat de inflatie lager zal uitvallen, met als gevolg een iets sterkere groei in de consumentenbestedingen van 1,6 procent.

Tempo private investeringen neemt af

De groei van de bedrijfsinvesteringen was het afgelopen jaar sterk, maar de vooruitzichten zijn minder rooskleurig. Producenten zijn minder optimistisch geworden, vooral over de verwachte bedrijvigheid en de orderportefeuille (figuur 6). Het producentenvertrouwen is sinds eind 2016 niet meer zo laag geweest, hoewel het nog altijd boven het historische gemiddelde ligt. De daling in vertrouwen lijkt te maken te hebben met de internationale handelsspanningen en is vooral terug te zien in de industriële dagproductie: deze groeit sinds eind 2018 amper (figuur 7). Dit past in het beeld dat de export-georiënteerde industrie het ook elders moeilijk heeft. Ondanks de hoge bezettingsgraden in de industrie, ligt dus in de lijn der verwachting dat het tempo van private investeringen zal afnemen. Voor 2019 verwachten we een groei van 4,6 procent, en in 2020 een daling van het groeitempo naar 1,6 procent.

Figuur 6: Producenten minder optimistisch
Figuur 6: Producenten minder optimistischOpmerking: Bruto investeringen in materiële vaste activa. Bron: CBS
Figuur 7: Industriële dagproductie in mineur
Figuur 7: Industriële dagproductie in mineurBron: CBS

De woninginvesteringen verrassen positief. Ondanks de sterk terugvallende woningverkopen en grote capaciteitstekorten in de bouwsector steeg dit type investeringen in het eerste kwartaal van 2019 met 0,9 procent kwartaal-op-kwartaal, meer dan wij hadden voorzien. Met het oog op de daling in woningverkopen verwachten we nog altijd dat de woninginvesteringen zullen stabiliseren, zij het dan wat later. Voor 2019 rekenen we op een groei van 3,7 procent en voor 2020 van 0,8 procent.

Overheid aardig op weg met geplande begrotingsimpuls

Ook de overheid investeert, onder andere in infrastructuur. Daarbij moet zij echter gebruik maken van dezelfde schaarse arbeidskrachten als bedrijven en particulieren. Het is dan ook de vraag of de regering haar plannen op dit gebied de komende tijd helemaal kan waarmaken. Minister Hoekstra wijst bij de Voorjaarsnota niet voor niets op het risico van ‘onderuitputting in dit jaar’ voor de infrastructuurbegroting. Desalniettemin lieten de overheidsinvesteringen in de vorige twee kwartalen klinkende groeicijfers zien. Voor heel 2019 gaan we daarom uit van nog altijd 4 procent hogere overheidsinvesteringen dan in 2018. Ook noteren we ten opzichte van vorig jaar een sterkere toename van de overheidsconsumptie (met 2,4 procent), vooral door hogere zorguitgaven. Via hogere consumptie en investeringen geeft de overheid dus een impuls aan de economische groei. En dat is welkom, want zoals wij in ons vorige Kwartaalbericht al lieten zien, is de economische groei dit en volgend jaar beduidend méér dan in de afgelopen jaren afhankelijk van de overheidsbestedingen (zie ook figuur 1).

Geopolitieke risico’s zijn toegenomen

De Nederlandse economie heeft de stevige groei van 2017 en 2018 achter zich gelaten en beweegt zich nu op een gematigder tempo voort. Een verdere groeivertraging is waarschijnlijk wanneer de Amerikaanse economie, zoals wij nu verwachten, eind volgend jaar in een milde recessie belandt. Op de korte termijn is de kans aanzienlijk dat het handelsconflict tussen China en de VS verder escaleert. Zie voor een bespreking de Blik op de Wereld bij dit Kwartaalbericht. Ook voor de Nederlandse economie zou dat slecht nieuws zijn: het negatieve effect van lagere handel, direct en indirect, op de Nederlandse bbp-groei vergeleken met onze huidige raming schatten wij op enkele tienden procentpunt per jaar. Deze schatting houdt geen rekening met het effect van een dergelijke politieke escalatie op financiële markten en op het sentiment van consumenten en producenten. Ook een onverhoopte harde Brexit zou de Nederlandse economie aanzienlijke schade toebrengen.

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

Delen:

naar boven