RaboResearch - Economisch Onderzoek

Attitudes hangen samen met spaargedrag

Special

Delen:

Verschenen in ESB (alleen voor abonnees), 5 juli 2019

  • Sparen leuk vinden, is positief gerelateerd aan de hoogte van het spaargeld en het bijhouden van de financiën in een spreadsheet of speciale app
  • Deze attitude lijkt een grotere rol te spelen in spaargedrag dan spaargeld belangrijk vinden
  • Naast wijzen op het belang van spaargeld, zou meer aandacht kunnen uitgaan naar het leuk maken van sparen

Hoewel Nederlanders vaak vermogen hebben in huizen en pensioenen, heeft een grote groep huishoudens weinig vrij besteedbaar spaargeld (Nibud, 2019). Om mensen meer te laten sparen, kan worden ingezet op attitude-veranderingen. Vanuit de psychologie is namelijk bekend dat hoe mensen over een onderwerp denken, en wat ze bij het onderwerp voelen, invloed heeft op hun gedrag. Zo veronderstelt Ajzen (1991) in de Theory of Planned Behavior dat deze attitudes leiden, in combinatie met andere factoren, tot intenties. Die kunnen dan weer leiden tot daadwerkelijk gedrag. Dit wordt ook gevonden voor spaargedrag (zie bijvoorbeeld Kidwell, Brinberg & Turrisi, 2003; Shim, Serido & Tang; 2011).

Er kan ook een wisselwerking zijn tussen gedrag en hoe je over dit gedrag denkt en voelt (Furnham, 1999; Ajzen & Fishbein, 2005). Wie het lukt om een spaardoel te halen, gaat geld opzij zetten wellicht ook leuker vinden. En wie geen spaargeld heeft, gaat spaargeld misschien ook minder belangrijk vinden (cognitieve dissonantie). Naast persoonlijke ervaringen kan de houding van mensen door nog veel meer zaken worden gevormd en beïnvloedt. Ook onder meer hoe mensen in je omgeving denken over sparen, hun financiële kennis, media-informatie en sociaal-economische factoren spelen een rol (Furnham, 1985; Ajzen en Fishbein, 2005; Shim, Xiao, Barber en Lyons, 2009). Zo kan een hoger inkomen het eenvoudiger maken om te sparen, waardoor dit misschien leuker wordt. Attitudes zijn vaak diepgeworteld (o.a. Furnham, 1985), maar zijn dus niet in steen gebeiteld.

Hoewel veel onderzoek is gedaan naar de relatie tussen attitudes over sparen en spaargedrag, wordt nauwelijks gekeken naar hoe leuk mensen sparen vinden en hoe leuk ze geld uitgeven vinden (zie bijvoorbeeld Shim, Serido en Tang, 2012; Shim et al., 2009; en Nibud, 2012). Wij onderzoeken daarom of deze attitudes, naast het hebben van spaargeld belangrijk vinden, samenhangen met hoeveel spaargeld respondenten hebben en of ze nog ander vermogen zoals beleggingen aanhouden. We kijken ook naar de relatie met het hebben van een spaardoel en de manier waarop respondenten hun uitgaven bijhouden. Sparen voor een doel en het hebben van een financieel overzicht kunnen namelijk helpen om geld opzij te zetten (Cho, 2009; Webley & Nyhus, 2013). Verder onderzoeken we de link tussen attitudes en zelfbeheersing. De intentie om te sparen is immers niet afdoende: je moet er verleidingen voor weerstaan (Thaler & Shefrin, 1981; Ajzen & Fishbein, 2005).

Methode

In januari van 2019 hebben 11.848 klanten van de Rabobank, tussen de 20 en 45 jaar, een enquête ingevuld. Hun gemiddelde leeftijd is 31,8 jaar (voor de Nederlandse bevolking in deze leeftijdsgroep: 32,3 jaar). Hiervan is 47,4 procent man (50,4 procent), 52,1 procent vrouw (49,6 procent) en 0,5 procent overig of onbekend.

We schatten het effect van verschillende attitudes op de hoogte van het spaargeld op huishoudniveau (in categorieën), het hebben van ander vermogen (exclusief het eigen huis), het hebben van een spaardoel, het naleven van de spaarintentie en het bijhouden van de uitgaven. Al deze variabelen hebben ondervraagden zelf ingevuld. Bij elke vraag, behalve die over een spaardoel, gaf tot 8,6 procent aan het antwoord niet te weten of niet te willen zeggen. Het naleven van de spaarintentie hebben we gemeten met de stelling ‘ik zou meer willen sparen, maar ik geef toch elke maand te veel uit’ met een vijfpunts-likertschaal en ‘weet ik niet’.

De drie attitudes zijn telkens de voorspellende variabelen. Deze zijn gemeten aan de hand van de stellingen ‘ik vind geld uitgeven leuk’, ‘ik vind het hebben van spaargeld belangrijk’ en ‘ik vind sparen leuk’ (vijfpunts-likertschaal en ‘weet ik niet’). De antwoorden hebben we ingedeeld in vier categorieën: ‘oneens’, ‘neutraal’, ‘eens’ en ‘weet ik niet’. De laatste laten we voor de bespreking van de resultaten buiten beschouwing.

We controleren in elke regressie voor sociaal-economische en demografische factoren, waaronder gezinssamenstelling, inkomen op huishoudniveau, leeftijd, opleidingsniveau en het type woning. Omdat spaargedrag ook onderling samenhangt, nemen we de vijf indicatoren van spaargedrag telkens mee als verklarende variabelen wanneer ze zelf niet de afhankelijke variabelen zijn.

Met geordende logistische regressie-analyses schatten we vervolgens de kans op het hebben van veel of weinig spaargeld en het antwoord op het naleven van de spaarintentie. Met binominale logistische regressie-analyses hebben we de kans geschat dat iemand ander vermogen dan spaargeld heeft, een spaardoel heeft, en zijn financiën bijhoudt in een spreadsheet of een speciale app. Vervolgens zetten we de coëfficiënten van de attitudes om in odds ratio’s. Een odds ratio toont de kans dat een verandering van één categorie in de onafhankelijke variabele, de afhankelijke variabele met één categorie verhoogt of verkleint. Een odds ratio boven de 1 duidt op een positieve, en tussen 0 en 1 een negatieve samenhang.

Resultaten

Bijna alle respondenten, 94 procent, vinden het hebben van spaargeld belangrijk. Aanzienlijk minder mensen, 68 procent, vinden sparen leuk. Verder geeft 54 procent aan geld uitgeven leuk te vinden. Zo’n 36 procent vindt zowel sparen als geld uitgeven leuk. En 6 procent vindt spaargeld wel belangrijk, maar vindt sparen niet leuk. Hieronder bespreken we de regressieresultaten waarin de attitudes van respondenten significant samenhangen met hun spaargedrag (p-waarde < 0,05).

Spaargeld belangrijk vinden

Figuur 1: Odds ratio’s spaargeld belangrijk vinden
Figuur 1: Odds ratio’s spaargeld belangrijk vindenBron: RaboResearch
Opmerking: * p-waarde < 0,05, ** p-waarde < 0,01. Een odds ratio boven 1 duidt op een positieve, en tussen 0 en 1 een negatieve samenhang.

Het hebben van spaargeld belangrijk vinden is positief gerelateerd aan zowel de hoogte van het spaargeld als het bijhouden van de financiën in een spreadsheet of speciale app (zie figuur 1). Opvallend is dat deze attitude ook positief samenhangt met de kans dat respondenten liever meer willen sparen, maar toch te veel uitgeven. Dit kan duiden op een gebrek aan zelfbeheersing, maar kan tevens liggen aan de vraagstelling. Mensen die belang hechten aan spaargeld, zijn wellicht eerder geneigd om aan te geven dat ze ook meer willen sparen. Er is geen significante relatie met het aanhouden van ander vermogen en het nastreven van een spaardoel.

Sparen leuk vinden

De vijf afhankelijke variabelen zijn elk significant gerelateerd aan sparen leuk vinden: respondenten met deze attitude hebben een grotere kans op meer spaargeld en het aanhouden van ander vermogen. Ook is de kans groter dat respondenten hun financiën bijhouden in een spreadsheet of speciale app, net als de kans dat ze een spaardoel hebben (zie figuur 2).

Enerzijds kun je beargumenteren dat wie sparen leuk vindt sowieso meer geld opzij zet en in bredere zin meer met geldzaken bezig is. En dus ook vaker een spaardoel nastreeft, een huishoudboekje bijhoudt of op een andere manier vermogen opbouwt. Maar zoals beschreven in de literatuur kunnen ervaringen en gedrag ook weer attitudes beïnvloeden. Een spaardoel hebben, investeren of beleggen, of je financiën bijhouden, kunnen sparen wellicht leuker maken.

Figuur 2: Odds ratio’s sparen leuk vinden
Figuur 2: Odds ratio’s sparen leuk vindenBron: RaboResearch
Opmerking: * p-waarde < 0,05, ** p-waarde < 0,01. Een odds ratio boven 1 duidt op een positieve, en tussen 0 en 1 een negatieve samenhang.

Als laatste hangt sparen leuk vinden negatief samen met de kans dat iemand meer zou willen sparen maar toch te veel uitgeeft. Het is mogelijk dat respondenten met deze attitude gemotiveerder zijn om te sparen, waardoor ze verleidingen eenvoudiger weerstaan. Het valt ook niet uit te sluiten dat sparen pas leuk wordt zodra het lukt om de uitgaven in lijn te brengen met de spaarwensen. Uiteraard kan het ook simpelweg betekenen dat mensen die sparen leuk vinden, niet méér willen sparen.

Geld uitgeven leuk vinden

Deze attitude hangt negatief samen met de hoogte van het spaargeld en positief met het niet naleven van de spaarintentie (zie figuur 3). Opvallend is dat geld uitgeven leuk vinden daarnaast positief samenhangt met het hebben van een spaardoel. Mogelijk zien deze respondenten sneller dingen die ze willen en vervolgens voor sparen. Anderzijds kan geld uitgeven op zichzelf misschien leuker worden zodra het iets is waarvoor je hebt gespaard.

Wat weegt zwaarder?

Figuur 3: Odds ratio’s geld uitgeven leuk vinden
Figuur 3: Odds ratio’s geld uitgeven leuk vindenBron: RaboResearch 
Opmerking: * p-waarde < 0,05, ** p-waarde < 0,01. Een odds ratio boven 1 duidt op een positieve, en tussen 0 en 1 een negatieve samenhang.

De effecten van sparen leuk vinden en het hebben van spaargeld belangrijk vinden, verschillen niet significant van elkaar voor de hoogte van het spaargeld en het hebben van een spaardoel (tabel 1). Opvallend is dat er een tegenstrijdig effect is voor sparen leuk vinden en spaargeld belangrijk vinden bij het naleven van de spaarintentie. Sparen leuk vinden vermindert de kans dat respondenten hun spaarintentie niet naleven; het hebben van spaargeld belangrijk vinden vergroot de kans hierop juist.

Minder verrassend is de kleinere kans op een hoger spaarsaldo voor geld uitgeven leuk vinden, en de grotere kans hierop voor sparen leuk en spaargeld belangrijk vinden. Maar interessant is dat het positieve effect op de hoogte van het spaargeld van de laatste twee significant groter is dan het negatieve effect van geld uitgeven leuk vinden. Sparen leuk vinden en het hebben van spaargeld belangrijk vinden verschillen niet significant van elkaar.

Tabel 1: Relaties tussen attitudes en spaargedrag
Tabel 1: Relaties tussen attitudes en spaargedragBron: RaboResearch
Opmerking: een plus betekent een significante positieve relatie, een min staat voor een significante negatieve relatie

Conclusie en discussie

Uit onze studie blijkt dat de manier waarop mensen aankijken tegen geld uitgeven, sparen en het hebben van spaargeld -net als sociaal-economische factoren als inkomen- gerelateerd zijn aan onder meer de hoogte van iemands spaargeld. Economen en psychologen wijzen er vaak op dat mensen positief staan tegenover sparen (Keynes, 1936 en Katona, 1975).

Het merendeel van de respondenten geeft inderdaad aan dat zij het hebben van spaargeld belangrijk vinden, maar lang niet iedereen vindt sparen ook leuk. Dat verschil blijkt relevant: in tegenstelling tot spaargeld belangrijk vinden, is sparen leuk vinden significant gerelateerd aan alle vijf onderzochte uitingen van spaargedrag, en telkens met het verwachte teken. Daarnaast overklast het positieve effect van sparen leuk vinden op de hoogte van het spaargeld, net als spaargeld belangrijk vinden, het negatieve effect van geld uitgeven leuk vinden. Hoewel Nederlandse huishoudens al veel sparen, met name in het pensioen, hebben sommige wel weinig vrij besteedbaar spaargeld. Instanties die sparen willen stimuleren zouden naast wijzen op het belang van spaargeld dus ook meer aandacht kunnen besteden aan het leuker maken van sparen.

Literatuur

Ajzen, I. (1991). The Theory of Planned Behavior. Organizational Behaviour and Human Decision Processes, 50, 179-211.

Ajzen, I., & Fishbein, M. (2005). The Influence of Attitudes on Behavior. In D. Albarracín, B. T. Johnson, & M. P. Zanna (Eds.), The handbook of attitudes. Mahwah, NJ, US: Lawrence Erlbaum Associates Publishers, 173 – 221.

Cho, S. H. (2009). Role of Saving Goals in Saving Behavior: Regulatory Focus Approach. Ohio State University, 2009, 1 – 111.

Furnham, A. (1985). Why Do People Save? Attitudes to, and Habits of, Saving Money in Britain. Journal of Applied Social Psychology, 15, 354 – 373.

Furnham, A. (1999). The saving and spending habits of young people. Journal of Economic Psychology, 20, 677 – 697.

Katona, G. (1975). Psychological Economics. New York: Elsevier.

Keynes, J.M. (1936). The General Theory of Employment Interest and Money. London: Mcmillan Press Ltd.

Kidwell, B., Brinberg, D., & Turrisi, R. (2003). Determinants of Money Management Behavior. Journal of Applied Social Psychology, 33, 1244 – 1260.

Nibud (2012). Financial attitudes and skills as early-warning signs of financial problems, Schuldsanering

Shim, S., Serido, J., & Tang, C. (2012). The ant and the grasshopper revisited: The present psychological benefits of saving and future oriented financial behaviors. Journal of Economic Psychology, 33, 155 – 165.

Shim, S., Xiao, J. J., Barber, B. L., & Lyons, A. C. (2009). Pathways to life success: A conceptual model of financial well-being for young adults, Journal of Applied Developmental Psychology, 30, 708 – 723.

Thaler, R. H., & Shefrin, H. M. (1981). An Economic Theory of Self-Control. Journal of Political Economy, 392-406.

Webley, P., & Nyhus, E. K. (2013). Economic socialization, saving and assets in European young adults. Economics of Education Review, 33, 19 – 30.

Delen:

naar boven