RaboResearch - Economisch Onderzoek

Wouter Koolmees neemt voortouw bij pensioenhervormingen

Themabericht

Delen:
  • Op 1 februari presenteerde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een 10-puntenplan voor hervorming van het pensioenstelsel
  • De voorstellen zijn grotendeels in lijn met de plannen uit het regeerakkoord
  • Sommige punten worden eerst nog nader onderzocht voordat er een concreet wetsvoorstel komt
  • Naar verwachting komt er snel een wettelijke mogelijkheid voor de opname van een bedrag ineens bij pensionering – hiervoor is geen stelselwijziging nodig

Na het mislukken van het polderoverleg over pensioenhervormingen in november 2018 was lange tijd de vraag: hoe nu verder? Hervorming van het stelsel is noodzakelijk, omdat het huidige stelsel niet goed aansluit op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en weinig flexibiliteit biedt. Ook wordt het bij de huidig lage rente en bij fluctuerende of tegenvallende beleggingsrendementen steeds moeilijker om een vaste pensioenuitkering na te streven. Hierover schreven wij eerder in ons Themabericht Hervorming pensioenstelsel. Daarnaast speelt voor vier van de vijf grote bedrijfstakfondsen dat zij volgens de huidige spelregels waarschijnlijk in 2020 of 2021 de pensioenuitkeringen moeten verlagen. Dit raakt ook werkenden, omdat hun opbouw in dat geval ook zal dalen. De vakbonden hebben al aangekondigd in februari en maart te gaan staken.

Op 1 februari stuurde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een brief aan de Tweede Kamer waarin hij aangeeft hoe het kabinet verder gaat met voorbereidingen voor vernieuwing van het pensioenstelsel. De tien punten waarmee het kabinet aan de slag wil, sluiten grotendeels aan op de plannen uit het regeerakkoord. Hoewel de minister het voortouw neemt, geeft hij aan dat hij nadrukkelijk het gesprek zoekt met de gesprekspartners uit de polder, de pensioenuitvoerders en DNB.

Veel van deze punten lijken erop gericht de weg te effenen voor een toekomstige invoering van persoonlijke pensioenvermogens met collectieve risicodeling. Dit is een lang gekoesterde wens van het kabinet, maar niet van de vakbonden, die teleurgesteld hebben gereageerd op de brief.

Het betreft nog geen concrete wetswijzigingen; op veel punten wordt nog nader onderzoek gedaan. Eén van de tien punten zal mogelijk al op vrije korte termijn kunnen worden ingevoerd: de optie van een beperkte opname ineens op het moment van pensionering. De wettelijke mogelijkheid hiertoe is relatief snel en eenvoudig te realiseren omdat hiervoor geen stelselwijziging nodig is. In dit artikel bespreken we van elk van de tien punten wat de door de minister beoogde wijziging is en wat de volgende stap is in het proces.

Het 10-puntenplan in vogelvlucht

1.) Wetgeving voor afschaffing doorsneesystematiek

Bedrijfstakpensioenfondsen zijn momenteel verplicht om voor iedere deelnemer in hun fonds een leeftijdsonafhankelijke premie en opbouwpercentage te gebruiken, terwijl de inleg van jongere deelnemers langer kan renderen. Het kabinet wil een andere systematiek waarin deelnemers een opbouw krijgen die past bij de ingelegde premie. Dat past beter bij de huidige arbeidsmarkt, maar zonder adequate compensatie kan deze wijziging nadelig uitpakken voor werknemers die halverwege hun loopbaan zijn. Via de doorsneesystematiek hebben zij in de eerste helft van hun loopbaan feitelijk de pensioenopbouw van de oudere werknemers gesubsidieerd, maar bij afschaffing zullen zij zelf niet meer kunnen profiteren van deze subsidie in de tweede helft van hun loopbaan. Hierover schreven wij eerder in ons Themabericht Afschaffing doorsneesystematiek. De fiscale ruimte voor de pensioenopbouw kan in de toekomst worden gebaseerd op een maximale jaarlijkse premie-inleg, in plaats van een maximale jaarlijkse pensioenopbouw.

De komende maanden zal het kabinet samen met het Centraal Planbureau (CPB) laten berekenen wat de impact op verschillende soorten pensioenfondsen en –regelingen is. Er zijn immers grote verschillen in deelnemersbestand, en tussen uitkerings- en premieregelingen. De uitkomsten dienen als input voor de uitwerking van een transitiekader.

2.) Wet verbeterde premieregeling toegankelijker en aantrekkelijker maken

De wet verbeterde premieregeling maakt het sinds 2016 mogelijk voor ondernemings-pensioenfondsen (dit zijn pensioenfondsen voor de werknemers van één bedrijf) om een persoonlijk pensioenvermogen in de opbouwfase te combineren met een collectieve uitkeringsfase. De regeling heeft het karakter van een premieregeling in de opbouwfase; er wordt niet gestuurd op een beoogde uitkeringshoogte. In de uitkeringsfase heeft de regeling het karakter van een uitkeringsregeling, waarbij wordt gestuurd op de beoogde uitkeringshoogte. Het kabinet wil het ook voor bedrijfstakpensioenfondsen mogelijk maken om persoonlijke pensioenvermogens te combineren met collectieve risicodeling.

Hiervoor is dan wel eerst afschaffing van de doorsneesystematiek (zie punt 1) noodzakelijk. Ook is van belang dat deze optie zodanig in de wet wordt vastgelegd dat het geen problemen oplevert met Europese wet- en regelgeving. De minister gaat hierover de komende maanden in gesprek met de Europese Commissie.

3.) Meer maatwerk in het beleggingsbeleid

Momenteel hanteren veel pensioenfondsen één beleggingsmix voor de gehele populatie aan deelnemers. Het kabinet wil dat pensioenfondsen meer gaan werken volgens het ‘life cycle’ principe: een meer risicovolle beleggingsmix voor jonge deelnemers en een veiligere beleggingsmix voor oudere deelnemers. Jonge deelnemers kunnen namelijk meer beleggingsrisico’s dragen dan oudere deelnemers. Het beleggingsrendement is dan verschillend voor verschillende groepen deelnemers van het fonds.

De minister wil eventuele wettelijke belemmeringen hiervoor wegnemen en zal de Tweede Kamer hierover voor de zomer verder informeren.

4.) Faciliteren omzetting bestaande pensioenaanspraken naar een contract met persoonlijke pensioenvermogens

Wanneer er persoonlijke pensioenvermogens komen dan wil de minister het mogelijk maken om de eerder opgebouwde pensioenaanspraken toe te voegen aan het nieuwe persoonlijke pensioenvermogen. Dat kan in één stap, of als een geleidelijk proces in de periode voor de pensioendatum. Zonder deze omzetting zouden gepensioneerden anders te maken krijgen met verschillende pensioenuitvoerders: één voor de oude en één voor de nieuwe regeling.

De minister wil nog dit jaar, in overleg met DNB en het pensioenveld, een gestandaardiseerde methode (waarderingskader) opleveren voor een directe omzetting. Daarnaast gaat hij de geleidelijke route onderzoeken.

5.) Opname bedrag ineens mogelijk maken

Deelnemers krijgen de keuze om op het moment van pensionering een klein deel van hun totale pensioenaanspraak op te nemen; de minister denkt vooralsnog aan 10 procent van de totale aanspraak. Dit is een soort voorschot, want de maandbedragen worden daarna iets lager. Deze optie komt er niet alleen voor collectieve (werknemers)pensioenregelingen, maar ook voor individuele (‘derde pijler’) pensioenregelingen. De minister noemt de mogelijkheid om met dit bedrag de hypotheek (deels) af te lossen, maar ook allerlei andere bestedingsdoelen zijn denkbaar. Overigens is een opname ineens mogelijk minder aantrekkelijk voor wie hierdoor in een hogere belastingschijf terechtkomt of toeslagen verliest. Een opname ineens, ook wel ‘lump sum’ genoemd, kan relatief eenvoudig worden vormgegeven binnen het bestaande pensioenstelsel, zoals we al eerder schreven.

De minister komt binnenkort met een hoofdlijnenbrief en wil in het vierde kwartaal van 2019 een wetsvoorstel indienen. Daarnaast wil hij onderzoeken welke andere keuzemogelijkheden op termijn kunnen worden toegevoegd, bijvoorbeeld de optie om een deel van de pensioenpremie te gebruiken om de hypotheek af te lossen of om te kiezen voor ‘groene’ pensioenbeleggingen.

6.) Communicatie over pensioenvermogen

De minister wil deelnemers meer inzicht geven in de verwachte hoogte van de toekomstige pensioenuitkering. Het kabinet gaat onderzoeken hoe deelnemers voor ieder type pensioencontract kunnen beschikken over dezelfde soort informatie.

De minister zal de Tweede Kamer voor de zomer verder informeren. Met ingang van dit najaar moet in de pensioencommunicatie al worden gewerkt met ‘scenariopijlen’.

7.) Verbreden van de reikwijdte van het pensioenstelsel

Circa 13 procent van alle werknemers bouwt geen pensioen op. Een groot deel van deze groep werkt in de uitzendbranche. De pensioenregelingen van deze sector (StiPP en Flexsecurity) kennen een wachttijd: pas na zes maanden bij hetzelfde uitzendbureau start de pensioenopbouw. Wie korte opeenvolgende contracten heeft bij verschillende uitzendbureaus kan dus jarenlang werken zonder enige pensioenopbouw. Ook veel zelfstandigen bouwen geen pensioen (meer) op. Sommigen compenseren dit door op een andere manier vermogen op te bouwen, maar de variatie onder zelfstandigen is groot. De minister wil zelfstandigen aanmoedigen om meer pensioen op te bouwen, bijvoorbeeld door automatische aanmelding (met de mogelijkheid om zelf weer uit te stappen) bij een bedrijfstakpensioenfonds, algemeen pensioenfonds (APF) of premie-pensioeninstelling (PPI).

De minister wil bezien of er mogelijkheden zijn om de pensioenopbouw onder werknemers te vergroten en zal de Tweede Kamer voor de zomer verder informeren. De sociale partners in de uitzendbranche hebben besloten te onderzoeken wat de effecten zijn van een verkorting van de wachttijd voor werknemers in de flexbranche. Het is niet duidelijk op welke termijn verdere voorstellen volgen over de pensioenopbouw van zelfstandigen.

8.) Verbeteringen voor nabestaanden

Omdat in veel huishoudens de ene partner meer werkt en verdient dan de ander, is een goed nabestaandenpensioen nog altijd actueel. Er zijn echter grote verschillen tussen pensioenregelingen als het gaat om de hoogte van het nabestaandenpensioen. Ook is er soms (tijdelijk) geen of minder dekking, bijvoorbeeld als iemand tussen twee banen even werkloos is. Bij ongehuwden verschilt het bovendien van fonds tot fonds wanneer iemand als ‘partner’ wordt aangemerkt.

Vanuit de sector is recent een voorstel gedaan voor (enige) uniformering van het partnerbegrip en de minister gaat met de opstellers in overleg om te beoordelen hoe de wet hiervoor moet worden aangepast. Ook heeft de minister de Stichting van de Arbeid gevraagd om een advies uit te brengen over de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen.

9.) Onderzoek naar de koppeling tussen levensverwachting en pensioenleeftijd

Dit punt gaat over de AOW. In het huidige beleid wordt de AOW-leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 67 jaar in 2021; daarna stijgt deze met de levensverwachting. Tijdens de pensioenonderhandelingen vorig jaar bleek dat de vakbonden deze een-op-een-koppeling willen loslaten en extra levensjaren willen verdelen over arbeids- en pensioenjaren.

De minister gaat nu op korte termijn aan het CPB en RIVM vragen om als eerste stap varianten voor deze verdeling en de kosten ervan in kaart te brengen.

10.) Benoemingen commissie parameters

Ook dit punt gaat niet over een wijziging van het pensioenstelsel. Binnen de huidige rekenregels voor pensioenfondsen is afgesproken dat een onafhankelijke commissie iedere vijf jaar een bepaalde set ‘parameters’ moet evalueren en herzien. Het gaat hierbij om de (maximale) waardes van onder meer inflatie, rente en beleggingsrendementen die pensioenfondsen mogen hanteren bij het berekenen van de dekkingsgraad of het vaststellen van de premiehoogte. Hoe lager de rente en rendementen, des te hoger de premie zal moeten zijn om een bepaalde opbouw te realiseren.

Hoewel het dus geen stelselwijzing betreft, kan een verandering van de parameters grote gevolgen hebben voor pensioenfondsen.

De benoemingen hebben al plaatsgevonden. Oud-minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem is benoemd als voorzitter. Het rapport van de commissie wordt verwacht op 1 mei 2019. De nieuwe parameters worden in 2020 van kracht.

Conclusie

Veel van deze plannen van de minister moeten nog verder worden onderzocht of uitgewerkt. Voor veel punten is toegezegd dat er vóór de zomer al verdere informatie komt. Er volgt dus nog veel pensioennieuws dit voorjaar. Pas wanneer er sprake is van een concreet wetsvoorstel kan dit ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Wanneer de wetsvoorstellen worden aangenomen zullen pensioenfondsen wijzigingen moeten aanbrengen in de pensioenadministratie, de communicatie en het beleggingsbeleid. Naast het vaststellen van de nieuwe parameters (punt 10) lijken de plannen rond de opname van een bedrag ineens (punt 5) en pensioencommunicatie (punt 6) het verst gevorderd.

Delen:
Auteur(s)

naar boven