RaboResearch - Economisch Onderzoek

Waarom vrouwen meer, maar mannen amper minder werken

Column

Delen:

Verschenen bij RTL Z/Opinie, 7 augustus 2019

In 1949 schreef de Franse filosofe Simone de Beauvoir dat vrouwen ondanks hun verworven kiesrecht nog altijd tweede viool spelen. Ze konden dan wel stemmen, maar als het op geld aankwam liepen ze steevast aan de leiband van de man. Zeventig jaar later heeft het merendeel van de Nederlandse vrouwen een baan, waardoor ze volgens cijfers van het SCP en CBS financieel vaker op eigen benen staan. Precies waar De Beauvoir voor pleitte.

Een optimist zal daarom stellen dat de maatschappelijke inzet van afgelopen decennia zijn vruchten afwerpt. Maar een pessimist vraagt zich misschien af of Nederlanders werk- en zorgtaken daadwerkelijk eerlijker willen verdelen, of dat er wellicht pragmatischer redenen spelen.

Nederlandse mannen en vrouwen blijken namelijk behoorlijk koppig in hun opvattingen over werk. Heren lijken er nog altijd weinig voor te voelen om in de kroeg aan vrienden te verkondigen dat ze in deeltijd werken, laat staan minder dan vier dagen in de week. Het aandeel mannen ouder dan 25 jaar dat parttime werkt is tussen 2003 en 2018 met slechts 4 procentpunt gestegen.

In de Emancipatiemonitor van het SCP en CBS geven ze bovendien significant vaker aan dat hun privéleven best wat mag lijden onder hun carrière. Vrouwen geven juist vaker aan dat zij liever niet fulltime werken, om tijd over te houden voor het huishouden, hobby's en de kinderen. Op het schoolplein verkondigen dat je vijf dagen in de week werkt, lijkt voor vrouwen dan ook net zo'n taboe als deeltijd onder mannen. Het is dus niet verwonderlijk dat het aandeel fulltime werkende vrouwen tussen 2003 en 2018 slechts mondjesmaat toenam, van 26,4 naar 28,8 procent.

Maar die voltijdcijfers verbloemen dat vrouwen wel degelijk langere weken maken. Zo is de groep die vier dagen per week werkt sinds 2003 gegroeid van 18,5 tot bijna 26 procent. Het aandeel vrouwen dat minder dan 20 uur per week betaald werkt, is in dezelfde tijd gedaald van 29 naar 17 procent. Vooral onder jongere generaties gaat het hard: zij leveren bijvoorbeeld minder vaak uren in na hun dertigste, de leeftijd waarop vrouwen doorgaans voor het eerst een kind krijgen.

Ondanks de allergie van mannen voor deeltijdwerk – en de weerstand van vrouwen tegen voltijd – groeien hun arbeidsuren dus toch naar elkaar toe. Dat al jaren meer meiden dan jongens afstuderen speelt hierin ongetwijfeld een rol: hoger opgeleide vrouwen hebben vaker een baan voor vier dagen of meer dan seksegenoten met een mbo-diploma.

Maar een pessimist zal erop wijzen dat Nederlanders nog altijd krampachtig vasthouden aan hun rolverdeling. De kloof in gewerkte uren wordt slechts om financiële redenen gedicht, getuige ook het feit dat vrouwen wel meer, maar mannen amper minder werken. In de Emancipatiemonitor zeggen parttime werkenden namelijk relatief vaak bereid te zijn om meer te werken wanneer hun huishoudinkomen niet meer voldoende is om te leven zoals ze gewend zijn.

Alle inspanningen op het gebied van onder meer onderwijs dus ten spijt, wordt de inhaalslag van vrouwen op de arbeidsmarkt misschien wel simpelweg gedreven door de geëxplodeerde  huur- en huizenprijzen. Volgens budgetinstituut Nibud drukken de vaste lasten, waaronder huur en hypotheek, steeds zwaarder op het inkomen van Nederlandse huishoudens.

Was een tweede inkomen, hoe klein ook, vroeger dus een fijne opsteker, tegenwoordig kunnen gezinnen simpelweg niet meer zonder. Een realist zal zich daarom slechts laten verleiden tot de conclusie dat de door De Beauvoir gedroomde emancipatie stilaan vordert in Nederland. Vrijwillig of niet.

Delen:
Auteur(s)

naar boven