RaboResearch - Economisch Onderzoek

Weinig bewijs voor MKB-“financieringskloof”

Economisch commentaar

Delen:
  • Berekeningen van Euler Hermes wijzen erop dat de vraag naar krediet door het Nederlandse MKB opmerkelijk hoger is dan het aanbod
  • De hoogte van deze “financieringskloof” wordt verklaard door keuzes in de berekening, vooral aan de aanbodzijde
  • Euler Hermes baseert zijn methode op eerder academisch onderzoek, maar wijkt daarvan af
  • Was de originele onderzoeksmethode volledig gevolgd, dan zou dat resulteren in een “financieringskloof” van 8 in plaats van 22 procent
  • Diverse toonaangevende bronnen wijzen op een betere aansluiting van vraag en aanbod voor Nederlandse MKB-financiering
  • Verder heeft het Nederlandse MKB een relatief laag percentage probleemleningen en kent het een hoge productiviteit

Rekenen aan de “financieringskloof”

Recent verscheen een rapport van Euler Hermes over MKB-financiering in Europa. In Nederland is de ‘financieringskloof’ volgens dit rapport het grootst, namelijk 22 procent van het bbp. Dat komt neer op 170 miljard euro. Terwijl het MKB in totaal ‘slechts’ circa 130 miljard euro aan krediet heeft openstaan. Dit suggereert dat het Nederlandse MKB het totaal aan uitstaand krediet meer dan wil verdubbelen, maar dat kredietverstrekkers hen niet in deze behoefte voorzien. Dit is een stevige claim. Hoe komt Euler Hermes tot deze conclusie?

Euler Hermes berekent het verschil tussen de kredietvraag en het aanbod, ook wel de ‘financieringskloof’. Voor de vraag schatten ze de totale behoefte aan bankleningen. Terwijl het aan de aanbodzijde alleen gaat om het aantal nieuwe leningen dat in het volgende jaar zal worden verstrekt. Zo gebruiken ze aan de vraagzijde een stock variabele en aan de aanbodzijde een flow variabele. Dit resulteert in een voor Nederland opmerkelijk hoge “financieringskloof”. Euler Hermes baseert zijn methodiek op een onderzoek van McCahery et al. (2015)[1]. Er is echter een belangrijk verschil. Aan de aanbodzijde gebruiken McCahery et al. geen nieuwe leningen, maar het totaal aan uitstaande MKB-financiering. Wordt deze originele methode gebruikt, dan komt men tot een “financieringskloof” van 8 in plaats van 22 procent van het bbp.

Andere cijfers wijzen op betere aansluiting vraag en aanbod van MKB-financiering

Figuur 1: Minder MKB-ondernemers die financiering als belangrijkste probleem ervaren
Figuur 1: Minder MKB-ondernemers die financiering als belangrijkste probleem ervarenBron: SAFE, ECB

Andere bronnen laten een positiever beeld zien van de financiering van het Nederlandse MKB. Uit de Survey on Acces to Finance of Enterprises (SAFE) enquête van de ECB blijkt dat 6,5 procent van de Nederlandse MKB‘ers financiering als belangrijkste probleem ervaart. Dat is lager dan het Europese gemiddelde van 7,4 procent. Ook daalt dit percentage sinds 2014, zie figuur 1. Om dit in perspectief te plaatsen: 36,5 procent van de Nederlandse MKB‘ers noemt een gebrek aan arbeidskrachten als belangrijkste probleem. Ook uit de conjunctuurenquête van het CBS blijkt dat steeds minder MKB-ondernemers financiële beperkingen als belangrijkste belemmering zien.

Naast de SAFE-enquête van de ECB en de conjunctuurenquête van het CBS kennen we ook de nieuwe Financieringsmonitor van het CBS. We zien dat 24 procent van de Nederlandse MKB‘ers een financieringsbehoefte heeft. Slechts 13 procent doet een aanvraag en 11 procent ontvangt financiering. Dat betekent dat 84 procent van de financieringsaanvragen van het Nederlandse MKB wordt gehonoreerd. Verder valt in deze enquête op dat MKB‘ers verwachten dat zij de komende jaren juist minder behoefte aan financiering hebben.

Uit de Financieringsmonitor blijkt dat de initiële financieringsbehoefte inderdaad veel groter is dan het daadwerkelijk verstrekte krediet. Maar als we kijken naar de redenen waarom een financeringsbehoefte niet leidt tot een daadwerkelijke financieringsaanvraag, dan blijkt dat ondernemers vaak interne financiering vinden, of dat de ondernemer geen tijd heeft voor een kredietaanvraag. Ook is er een groep ondernemers die geen aanvraag doet omdat zij een afwijzing verwachten. Deze groep is 4 procent van de totale groep aan MKB-ondernemers. Daarmee is deze groep groter dan het aantal aanvragen dat daadwerkelijk wordt afgewezen.

Nederlandse MKB‘ers zijn productief

De Financieringsmonitor laat zien dat 16 procent van de financieringsaanvragen van het Nederlandse MKB niet wordt gehonoreerd. Is dat een probleem? Niet noodzakelijkerwijs. Conjuncturele groei kan baat hebben bij royale kredietverlening. Daarentegen is structurele groei vooral afhankelijk van productiviteit. Kredietverlening kán productiviteit versterken wanneer zij wordt benut voor de juiste investeringen. Wanneer krediet echter te gemakkelijk of te goedkoop wordt verstrekt, remt het eerder de gemiddelde productiviteit doordat zwakkere bedrijven te lang in leven worden gehouden.

Nederland kent een gezonde MKB-kredietverlening. Dit valt op te maken uit het historisch lage percentage probleemleningen. Bovendien ligt de non-performing loan (NPL)-ratio (ratio probleemleningen ten opzichte van het totaal) voor Nederlandse MKB-leningen ver onder het Europese gemiddelde, zie figuur 2. Tegelijkertijd behoort het Nederlandse MKB tot het productiefste van Europa. Uit cijfers van het OECD blijkt dat, als het aankomt op toegevoegde waarde per werknemer, Nederlanders het op twee na productiefst van Europa zijn, zie figuur 3. En kijken we naar toegevoegde waarde per uur in plaats van per werknemer, dan hoeft Nederland alleen Denemarken voor zich te dulden [2]. De combinatie van een gezonde kredietverlening en een hoge productiviteit is niet consistent met het beeld van Euler Hermes dat de kredietverlening de structurele groei van het MKB in de weg staat.

Figuur 2: Nederlandse probleemleningen onder het Europese gemiddelde
Figuur 2: Nederlandse probleemleningen onder het Europese gemiddeldeBron: EBA
Figuur 3: Hoge productiviteit van Nederlandse MKB’ers
Figuur 3: Hoge productiviteit van Nederlandse MKB’ersBron: OECD

Voetnoten
[1] McCahery, J., Molina, F., Schoenmaker, D. & Stanisic, D. (2015) The European Capital Markets Study: Estimating the Financing Gaps of SMEs. Duisenberg School of Finance, Vol. 1, No. 3.

[2] Daarbij wordt wel gekeken naar een kleinere set landen.

Delen:

naar boven