RaboResearch - Economisch Onderzoek

Sparen is een deugd, maar niet als iedereen het doet

Column

Delen:

Lenen is slecht, sparen is goed. Dat wordt ons al van jongs af aan ingeprent. Huishoudens, bedrijven en zelfs de overheid potten in Nederland elk jaar dan ook miljarden euro’s op. Het is een gedachtegoeddat ook in buurland Duitsland is te herkennen. Maar als iedereen binnen een economie spaart, dan is er niemand meer over om die besparingen op te nemen en om te investeren. Dus stroomt het spaaroverschot naar het buitenland, waar het wordt belegd. Kunnen we niet beter meer investeren in eigen land of het geld gebruiken om meer te consumeren?

Het buitenland faciliteert de Duitse en Nederlandse spaardrift door onze producten te kopen, aangetrokken door de gunstige prijzen waartegen we onze waar op de wereldmarkt aanbieden. Zowel Duitsers als Nederlanders zien het handelsoverschot wellicht daardoor vaak als teken van kracht. Wellicht wordt er in de Duitse verkiezingscampagnes daarom met geen woord gerept over het omvangrijke spaaroverschot in het land. Het onderwerp speelt ook geen rol in de Nederlandse formatie. Maar een structureel spaaroverschot kan ook duiden op onderliggende onevenwichtigheden in de economie. Bovendien moeten structurele overschotten elders worden gecompenseerd met tekorten. In aanloop naar de financiële crisis liepen deze posities mondiaal hoog op, met desastreuze gevolgen. Een recente toename van deze global imbalances baart economen dan ook zorgen.

Maar hoezo? Het is toch niet de schuld van Nederlanders en Duitsers dat Amerikanen te veel uitgeven en Chinezen te veel sparen? Dat klopt. Als reden voor het spaargedrag wordt bovendien vaak gewezen op de vergrijzing: we moeten nu sparen om later van onze oude dag te kunnen genieten. Het is maar de vraag of ons spaaroverschot ons daar wel bij helpt. Wij constateren dat er voor zowel Nederland als Duitsland een substantieel gat is ontstaan tussen de cumulatieve jaarlijkse besparingen en de opgebouwde internationale vermogensposities. Dit betekent dat ons sparen zich niet een-op-een vertaalt in vermogensopbouw.

Daarnaast is het voor de huidige jongeren niet per se gunstig dat ons land vermogen probeert op te bouwen in het buitenland. Die groep zit misschien veel meer te wachten op investeringen in de eigen economie om hun toekomstige inkomen te vergroten. De spaaroverschotten die wij vinden bij bedrijven in Nederland en Duitsland kunnen dus worden ingezet in eigen land.

In Duitsland en in mindere mate in Nederland is het aandeel van consumptie in het bruto binnenlands product de afgelopen vijftien jaar afgenomen. Overheden in beide landen bevorderen dit, bedoeld of onbedoeld. Dit kan bijvoorbeeld komen door te sterke loonmatiging, hoge belastingen op inkomen en fiscale prikkels voor bedrijven om minder loon of dividend uit te keren. Bovendien spaart de Duitse en Nederlandse staat momenteel zelf ook nog eens. Doordat alle sectoren sparen, zorgt niemand meer voor binnenlandse vraag.

Nederland verdient veel aan zijn internationale concurrentiepositie. Maar de opbrengsten worden massaal in het buitenland gespaard. Op die manier zijn we niet alleen financieel kwetsbaar voor ontwikkelingen waar we geen invloed op hebben, maar zijn we ook economisch afhankelijk van de vraag uit het buitenland. In plaats daarvan kunnen we ook meer investeren in onze eigen toekomst. Of simpelweg geld uitgeven aan de leuke dingen in het leven. Want wat is het nut van een volle spaarrekening als je nooit iets uitgeeft?

Delen:

naar boven