RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Mondiale economie groeit sneller, monetair beleid blijft voorlopig ruim

Economisch Kwartaalbericht

Delen:
Deze publicatie is verouderd. Bekijk de recentste editie

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

  • We verwachten dat de mondiale economische groei dit en volgend jaar licht versnelt ten opzichte van vorig jaar naar respectievelijk 3,5 en 3,6 procent
  • In 2017 wordt de groeiversnelling breed gedragen. De groei trekt aan in zowel de ontwikkelde als opkomende markten, met India en het VK als belangrijkste uitzonderingen
  • In 2018 accelereert de groei in de opkomende wereld, met uitzondering van China, terwijl de groei grosso modo stabiliseert in ontwikkelde markten
  • Centrale banken in de VS, eurozone en Japan worstelen met aanhoudende lage loongroei en lage inflatie. De centrale bank in het VK kampt juist met hoge inflatie ten tijde van lage economische groei. Deze dilemma’s compliceren de gewenste normalisering van het buitengewoon ruime mondiale monetair beleid
  • Daar waar de politieke rust in Europa lijkt teruggekeerd, lopen de geopolitieke spanningen tussen Noord-Korea, de VS en China in hoog tempo op. Wij verwachten dat het conflict op dit moment beperkte implicaties heeft voor de reële mondiale economie, maar het vergroot wel het risico op een handelsoorlog tussen China en de VS

Mondiale economische groei trekt aan

Figuur 1: Groei mondiale economie trekt licht aan
Figuur 1: Groei mondiale economie trekt licht aanBron: Rabobank, Macrobond, IMF

Vorige maand markeerde de tiende verjaardag van de Global Financial Crisis. Het was op 9 augustus 2007 -dertien maanden vóór de beruchte val van Lehman Brothers- dat BNP Paribas drie van zijn fondsen bevroor en daarmee de wereldwijde financiële crisis aanstichtte. De mondiale economische groei nam vervolgens flink gas terug en crashte in 2009. Sindsdien kent de mondiale economie een groei van rond de 3,5 procent. Ten opzichte van een groei van gemiddeld 5 procent in de jaren voor de crisis is dat relatief matig (figuur 1). Vooruitkijkend verwachten we dat de groei de komende jaren niet terugkeert naar deze 5 procent, maar wel wat aantrekt. Voor 2017 en 2018 voorspellen we een groei van respectievelijk 3,5 procent en 3,6 procent (tabel 1).

Versnelling van de mondiale groei in 2017 is breed gedragen

Economieën wereldwijd presteerden in de eerste helft van 2017 beter dan verwacht. We hebben onze groeiraming voor de mondiale economie voor 2017 daarom iets naar boven bijgesteld. De mondiale economie groeit in 2017 naar verwachting harder dan in 2016. Zowel in de opkomende wereld als in de ontwikkelde wereld trekt de groei aan door zowel een sterkere binnenlandse dynamiek als hogere exportgroei. China, het VK en India vormen de belangrijkste uitzondering.

Tabel 1: Economieën wereldwijd drijven groeiversnelling
Tabel 1: Economieën wereldwijd drijven groeiversnellingBron: Rabobank, Macrobond, IMF

China moet genoegen nemen met stabilisatie van de groei en in het VK en India neemt de groei af. In China balanceert de overheid tussen het afremmen van de kredietgroei en het op peil houden van de economische groei om financiële en sociale stabiliteit te waarborgen. In India nam de regering eind vorig jaar het besluit om veelgebruikte roepiebiljetten uit omloop te nemen. De maatregel was bedoeld om zwart geld uit de economie te halen. Het heeft er echter ook voor gezorgd dat er veel minder contant geld voor handen is. Aangezien de Indiase economie voor een groot deel draait op contante transacties, heeft de maatregel op de korte termijn een negatieve weerslag op de binnenlandse bestedingen. Het VK worstelt ondertussen met de gevolgen van de Brexit-stem op de wisselkoers en het vertrouwen. De depreciatie van het pond is weliswaar goed voor de exporten, maar holt de koopkracht van huishoudens en bedrijven uit. Koopkrachtverlies en laag consumenten- en producentenvertrouwen zetten een rem op zowel consumptie- als investeringsgroei.

In 2018 zien wij de groei van de wereldeconomie ongeveer stabiliseren. De groei accelereert in de meeste opkomende markten, maar valt terug in China. In de ontwikkelde wereld stabiliseert de groei nagenoeg (tabel 1). 

Economische impact van spanning rond Noord-Korea beperkt

De neerwaartse risico’s voor de vooruitzichten lijken te zijn afgenomen. President Trump heeft effectief nog weinig handelsbelemmerende maatregelen genomen (Erken et. al, 2017). De geloofwaardigheid van zijn dreigementen is daarmee afgenomen. Verder is de politieke rust in Europa voorlopig teruggekeerd. Bovendien hebben consumenten en producenten in de eurozone zich ogenschijnlijk weinig aangetrokken van de politieke en economische onzekerheden in het afgelopen jaar. Wij gaan ervan uit dat deze onverschilligheid over (politieke) onzekerheden aanhoudt. Geopolitieke spanningen tussen Noord-Korea, de VS, en China zijn hierop wat ons betreft geen uitzondering.

Verder stelt Noord-Korea economisch gezien weinig voor, waardoor sancties op het land nauwelijks directe implicaties hebben voor de mondiale economie. Wel leiden de spanningen tot kapitaalvlucht vanuit de regio naar veilige havens zoals Japan, met wisselkoersschommelingen als gevolg. Het risico ligt wat ons betreft vooral in het ontstaan van een eventuele handelsoorlog tussen China en de VS. Die zou kunnen ontstaan als de VS besluit om China te straffen voor het – in hun ogen - onvoldoende sanctioneren van Noord-Korea, waarna China vergeldingsmaatregelen treft. Vooralsnog verwachten wij niet dat het zover komt, net zoals dat wij geen militaire oorlog verwachten (voor meer info zie Rabobank, 2017). Maar we houden het in de gaten. 

Wereldeconomie lijkt nog niet klaar voor normalisatie monetair beleid

Figuur 2: Balansen van centrale banken zijn extreem gegroeid
Figuur 2: Balansen van centrale banken zijn extreem gegroeidNoot: De Bank of England publiceert niet langer het balanstotaal.
Bron: Macrobond

Door de conjuncturele rugwind lijkt er – na jaren van uitzonderlijk ruim monetair beleid (figuur 2) – ruimte te ontstaan om monetaire verruiming af te bouwen of zelfs monetair te verkrappen. De centrale banken van grote ontwikkelde economieën worstelen echter met het uitblijven van hogere inflatie. Zo is de inflatiedruk in de eurozone en Japan achtergebleven bij het economisch herstel en viel ook de inflatie in de VS na een korte opleving weer terug. De onderliggende lage loongroei wordt gedreven door verschillende factoren als verborgen werkloosheid, verschuiving van werkgelegenheid naar sectoren met een lagere productiviteitsgroei, de versobering van de welvaartsstaat en vergrijzing. In Japan ligt mogelijk ook gewenning aan lage inflatie ten grondslag aan het uitblijven van hogere prijsgroei. (Zie ook Rabobank, 2017 voor onze analyse van de redenen voor de lage inflatie in de eurozone.)

Sinds december 2015 heeft de Federal Reserve (Fed) vier keer de rente verhoogd. Wij verwachten de vijfde verhoging pas volgend jaar. Wel gaan we ervan uit dat de Fed dit najaar de afbouw van haar balans zal aankondigen en mondjesmaat liquiditeit uit de markt zal gaan halen. De ECB kondigt waarschijnlijk in het najaar aan dat in de loop van 2018 de aankopen van (staats)obligaties worden verminderd, wat medio 2018 tot een stabilisering van hun balansomvang zou leiden. Van een renteverhoging is vermoedelijk op z’n vroegst pas in 2019 sprake (zie Rente en valuta: Aan de vooravond van meer turbulentie?). Zowel in de VS als in de eurozone kan tegenvallende inflatie de uitvoering vertragen. Hoe dan ook ziet het er naar uit dat het pad van beleidsnormalisatie lang zal duren. In Japan is de doelstelling van twee procent inflatie nog zó ver buiten zicht, dat de centrale bank nog geen enkele hint over afbouw van de balans heeft gegeven.

De Bank of England heeft juist het omgekeerde probleem: de inflatie loopt op door de depreciatie van het pond, maar de economische groei staat zoals gezegd onder druk. In het VK weerhoudt dus de terugvallende economische groei - en niet zozeer de inflatie - de centrale bank van verkrapping. Bij een nog verdere val van het pond, ziet de Bank of England zich echter wellicht toch gedwongen tot een verhoging van de rente.

De grote centrale banken worstelen dus elk met hun eigen dilemma. Daarbij heeft zeker de ECB mogelijk ook nog in gedachten dat haar handelen effect heeft op de rentelasten op hoge private en publieke schulden. Tel hierbij op dat de beslissing van de ene centrale bank via onder andere wisselkoerseffecten gevolgen heeft op de economie en (import)inflatie in andere landen, en het is duidelijk dat in de bestuurskamers nog wat ingewikkelde knopen doorgehakt moeten worden. Zij worden daarbij niet geholpen door de geopolitieke strubbelingen zoals die tussen de VS, Noord-Korea en China. De resulterende onzekerheid brengt kapitaalstromen op gang naar veilige havens. Deze stromen beïnvloeden op hun beurt de wisselkoers en daarmee inflatieontwikkelingen. Dit complexe samenspel draagt eraan bij dat centrale banken met grote voorzichtigheid de weg van beleidsnormalisatie inslaan. 

Trage normalisatie van monetair beleid remt economische groei op de lange termijn

We zien in de ontwikkelde wereld op korte termijn dus weinig risico op te snelle monetaire verkrapping die de economische groei zou kunnen schaden. Opkomende markten profiteren op hun beurt van het trage pad naar beleidsnormalisatie in de ontwikkelde wereld, doordat de grote hoeveelheid liquiditeit wereldwijd er voor zorgt dat ook zij relatief goedkoop kunnen lenen op de financiële markten. Wel is de verwachting voor de eurozone dat de afbouw van het opkoopprogramma van de ECB in 2018 prijsverschillen tussen obligaties van lidstaten laat oplopen. Met name eurolanden met een zeer hoge publieke schuld, zoals Italië en Portugal, zouden dat in hun portemonnee voelen. Over het algemeen zal de financiering van de hoge Europese private en publieke schuldenlast volgens ons voorlopig echter beperkt last ondervinden van het monetaire beleid. In de meeste landen zal de kapitaalmarktrente in de komende twee jaar vermoedelijk namelijk slechts beperkt stijgen. Tegelijkertijd blijft daarmee ook de prikkel om die hoge schulden aan te pakken en groeiverhogende hervormingen door te voeren beperkt, waardoor deze nog lang op het economisch potentieel zullen wegen.

Op langere termijn blijven de reeds bekende risico’s van de extreem grote liquiditeit in de markten bij ongewijzigd beleid bestaan: kapitaal wordt niet ingezet waar dit het meeste kan bijdragen aan productiviteitsstijging, maar daar waar het (op korte termijn) het meest rendeert (Boonstra en Van Schoot, 2016). Dit leidt tot verstoringen op financiële markten en tot suboptimale economische groei. Oftewel lagere economische groei dan met een optimale inzet van kapitaal kan worden bereikt. Economische groei heeft echter vele vaders en ook moeders. Het zou verkeerd zijn om centrale banken de schuld in de schoenen te schuiven van de al jaren matige wereldwijde groei. Regeringen hadden méér moeten doen om het economisch herstel te bespoedigen en daarmee de noodzaak voor centrale banken om hard in te grijpen kunnen mitigeren. Feit blijft dat – om de wereldwijde groei voorbij de huidige lichte opleving naar een hoger en houdbaarder niveau te kunnen tillen – het wél zou helpen als de grote centrale banken de weg vinden naar goed gedoseerde normalisatie van het monetair beleid. 

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

Delen:

naar boven