RaboResearch - Economisch Onderzoek

Arbeidsmarkt: nieuw kabinet verkleint verschillen tussen vast en flex ... een beetje

Economisch commentaar

Delen:

Naar dossierpagina Regeerakkoord Rutte-III

  • Vast werk minder vast, flexwerk minder flex
  • Veel eerdere maatregelen worden teruggedraaid of afgezwakt
  • Harde criteria bepalen grens tussen schijnzelfstandigen en echte ondernemers
  • Pensioenhervormingen laten nog op zich wachten

Het kabinet Rutte-III neemt maatregelen om vast werk minder vast te maken en flexwerk minder flexibel. Het brengt bovendien een duidelijke scheidslijn aan tussen schijnzelfstandigen en echte ondernemers. De eerste groep wordt voortaan als werknemer gezien, de tweede groep krijgt juist meer ruimte. Verder staat in het regeerakkoord dat mkb-ondernemers minder lang loon hoeven door te betalen bij ziekte, een lang gekoesterde wens van mkb’ers. Daarnaast zijn er maatregelen gericht op levenlangleren, het combineren van werk en een gezinsleven en het stimuleren van de arbeidsparticipatie van mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Op het gebied van pensioen en duurzame inzetbaarheid van oudere werknemers neemt het kabinet vooralsnog geen concrete maatregelen.

De belangrijkste maatregelen

Flexwerk minder flex:

  • De maximale periode voor arbeidscontracten voor bepaalde tijd wordt verlengd van twee naar drie jaar. Bij meerjarencontracten of wanneer direct een vast contract wordt gegeven, is een langere proeftijd toegestaan. In het basisonderwijs en het speciaal onderwijs worden tijdelijke contracten voor invalkrachten bij ziekte uitgezonderd van de ketenbepaling.
  • Zzp’ers die tegen een laag tarief werken (minder dan 125 procent van het minimumloon) in combinatie met ofwel het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten ofwel een periode van langer dan drie maanden worden voortaan gezien als werknemer.
  • Bij opdrachten met een uurtarief hoger dan 75 euro in combinatie met ofwel het verrichten van niet-reguliere bedrijfsactiviteiten ofwel een opdracht korter dan een jaar geldt een volledige vrijwaring van loonbelasting en werknemersverzekeringen.
  • De nieuwe opdrachtgeversverklaring geeft zzp’ers en hun opdrachtgevers vooraf meer zekerheid. De verklaring is te verkrijgen via een webmodule.
  • De zelfstandigenaftrek blijft gehandhaafd, maar kan in de toekomst alleen nog tegen het basistarief van 36,93 procent worden afgetrokken (zie ook Sociale vlaktaks leidt niet tot vereenvoudiging Nederlands belastingstelsel).
  • Bij payrolling moeten werknemers dezelfde primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden krijgen als de werknemers van de inlener. Het soepele arbeidsrechtelijke regime van uitzendovereenkomsten is niet meer van toepassing op payrolling.
  • Het kabinet wil ‘nodeloze permanente beschikbaarheid’ bij nulurencontracten tegengaan. Werknemers hoeven daarom niet altijd gehoor te geven aan een oproep en bij afzegging kan recht op loon ontstaan.

Vast werk minder vast:

  • De loondoorbetalingsperiode bij ziekte wordt verkort van twee jaar naar één jaar voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers). Het UWV neemt in het tweede ziektejaar de loondoorbetaling over en verdeelt de kosten over alle mkb’ers via een uniforme premie. De lasten komen dus terecht bij het collectief in plaats van bij de individuele ondernemer.  Bovendien wil het kabinet de onzekerheid wegnemen over het risico op een loonsanctie bij onvoldoende re-integratie-inspanning.
  • De ontslagbescherming word iets versoepeld door de mogelijkheid om ontslaggronden te combineren. Daar staat tegenover dat de rechter de transitievergoeding met maximaal 50 procent mag verhogen.
  • De transitievergoeding wordt gelijkmatiger. Dit recht gaat al in vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst (in plaats van na het tweede jaar) en blijft een derde maandsalaris per jaar, ook voor contractduren langer dan tien jaar (was oplopend). Voor 50-plussers is er een overgangsregeling. Scholingkosten gericht op het verbreden van de toekomstige inzetbaarheid kunnen in mindering worden gebracht op de transitievergoeding. Er is geen transitievergoeding bij ontslag om bedrijfseconomische redenen als een cao-regeling van toepassing is. Bij ontslag van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer krijgen werkgevers compensatie voor de verschuldigde ontslagvergoeding.

Arbeidsparticipatie, inzetbaarheid en gezinsleven:

  • Het betaalde partnerverlof bij geboorte van een kind gaat van twee dagen naar vijf dagen per 1 januari 2019. Vanaf 1 juli 2020 is er vervolgens een mogelijkheid om in het eerste half jaar nog vijf extra weken op te nemen, waarbij 70 procent van het loon door het UWV wordt betaald (met een maximum van 70 procent van het maximum dagloon). Het verlof voor adoptieouders en pleegouders wordt verlengd van vier naar zes weken.
  • De aftrekpost voor scholingskosten vervalt en wordt vervangen door een individuele leerrekening.
  • Mensen met een WIA-uitkering worden de eerste vijf jaar na het accepteren van een baan niet getoetst op hun verdienvermogen. De uitkering van vrijwel geheel arbeidsongeschikten (restverdiencapaciteit van 1-20 procent)  wordt verlaagd en in de toekomst zullen minder mensen volledig arbeidsongeschikt worden verklaard.
  • Voor mensen met een beperking moeten er twintigduizend extra plekken voor beschut werk komen. Werkgevers krijgen de mogelijkheid tot loondispensatie, zodat zij werknemers onder het wettelijk minimumloon kunnen betalen. De gemeente vult het inkomen dan aan.
  • Het kabinet wil dat gemeenten actief uitvoering geven aan de bestaande tegenprestatie van bijstandsgerechtigden en de verplichting voor Nederlanders met een migratie-achtergrond om de Nederlandse taal te leren, zodat zij hun afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Het kabinet wil hierover niet-vrijblijvende afspraken maken met gemeenten.
  • De Wet Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW) wordt met vier jaar verlengd. Dit is een vorm van bijstand-zonder-vermogenstoets voor oudere werklozen na afloop van een WW-  of WGA-uitkering.

Het nieuwe kabinet maakt de verschillen tussen vast en flexibel werk iets kleiner en grijpt vooral in aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De maatregel die het meest in het oog springt is het minimumtarief voor zzp’ers om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Dit zal kostenverhogend werken voor sectoren waar laagbetaalde zelfstandigen werken, zoals bezorgdiensten en de thuiszorg. Mogelijk beperkt dit de groei van deze sectoren licht. Wel zal controle op de naleving nodig zijn. Onduidelijk is of de maatregel ook van toepassing is op creatieve beroepen waar een tastbaar product wordt opgeleverd en het lastig is vast te stellen hoeveel uren daarmee gemoeid zijn. 

Back to the future?

Veel arbeidsmarktmaatregelen draaien eerdere maatregelen terug of zwakken deze af. Daarnaast zijn er zaken die het kabinet voor zich uit schuift en wil onderzoeken, bijvoorbeeld of het zinvol is om de hoogte van de WW-premie te differentiëren naar contracttype in plaats van naar sector.

Wat ook opvalt is welke maatregelen het nieuwe kabinet voorlopig niét neemt. Zelfstandigen worden niet verplicht om voorzieningen te treffen voor pensioen of arbeidsongeschiktheid. Het kabinet zal wel ‘bezien’ hoe de verzekeringsgraad onder zelfstandigen kan worden verhoogd. Slechts één op de vijf zzp’ers verzekert zich namelijk vrijwillig tegen arbeidsongeschiktheid. Dit is niet alleen risicovol voor zelfstandigen, maar kan ook voor maatschappelijke kosten zorgen als zij een beroep moeten doen op publieke voorzieningen (voor een uitgebreide bespreking zie onze eerdere Special ‘Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor zelfstandigen: kiezen of dwingen?’).

Het kabinet neemt geen maatregelen gericht op ouderen op de arbeidsmarkt. De sociale partners – werkgevers en vakbonden – moeten zelf afspraken maken over ‘ambitieus leeftijdsbewust personeelsbeleid’. Dat is een gemiste kans.

Ook voor de hervorming van het pensioenstelsel verwijst het kabinet naar de sociale partners. Wel schetst het regeerakkoord de contouren, in lijn met eerdere voorstellen van de SER: in het nieuwe pensioenstelsel wordt een persoonlijk pensioenvermogen gecombineerd met een collectieve buffer en wordt de doorsneesystematiek afgeschaft. Ook gaat het kabinet onderzoeken of het in het vernieuwde stelsel mogelijk is om op het moment van pensionering een beperkt deel van het pensioenvermogen ineens op te nemen. Voor een grote pensioenhervorming moeten we dus nog even geduld oefenen. 

Delen:
Auteur(s)

naar boven