RaboResearch - Economisch Onderzoek

Op weg naar een girale wereld?

Special

Delen:

Een verkorte versie is verschenen in het Financieele Dagblad, 2 november 2017

  • Het gebruik van munten en bankbiljetten neemt in veel landen, waaronder Nederland, gestaag af
  • Beleidsmakers willen het gebruik van chartaal geld voor illegale transacties terugdringen
  • Verder kan de centrale bank, als er geen chartaal geld zou zijn, haar beleidsrentes verder onder nul procent verlagen
  • Ook technologische ontwikkelingen helpen de opmars van giraal geld
  • Chartaal geld blijft echter populair. We zijn daarom nog lang niet in een volledig girale wereld beland

Het gebruik van munten en bankbiljetten, samen aangeduid als chartaal geld, is in meerdere landen langzaam maar zeker op zijn retour. Het belang van contante betalingen loopt gestaag terug ten faveure van dat van giraal geld. Dit geldt zowel de waarde van de transacties als hun aantal. Deze trend kan ook in ons land worden gezien, net als in Scandinavië, Canada en Singapore. Deze ontwikkeling is nog niet representatief voor de rest van de wereld. Want in veel landen neemt chartaal geld nog steeds een belangrijke plaats in. Toch gaan er om meerdere redenen steeds meer stemmen op om beleid in gang te zetten dat het gebruik van chartaal geld versneld terug moet dringen. De vraag die zich daarbij opdringt is of wij aan de vooravond staan van een zogeheten cashless society. De vervolgvraag is dan wat daar de gevolgen van zouden zijn.

In deze Special gaan wij eerst in op de voor- en nadelen die gepaard gaan met het gebruik van chartaal geld.  Vervolgens bespreken wij kort de trend naar een versnelde giralisering van het betalingsverkeer die her en der in de wereld in gang is gezet. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan de achterliggende motieven die spelen bij de pleitbezorgers voor een (vrijwel) volledige  afschaffing van chartaal geld. Daarna worden de gevolgen van het afschaffen van giraal geld besproken. Tot slot volgen enkele concluderende opmerkingen.

De voordelen van chartaal geldgebruik

Het gebruik van chartaal geld kent twee grote voordelen. Ten eerste is een chartale betaling direct afgewikkeld. Op het moment van betalen met munten of bankbiljetten gaat het geld meteen over van de betaler naar de ontvanger, waarmee de transactie in één handeling volledig is afgewikkeld. Er is geen vertraging, en er kan ook geen twijfel over de kredietwaardigheid van de betaler ontstaan. Bij een chartale transactie wordt immers real-time betaald. Een tweede voordeel is dat een chartale transactie anoniem is. Veel mensen hechten er vanuit privacyoverwegingen aan dat zij ook betalingen kunnen verrichten die geen sporen nalaten in bancaire systemen. Kortom, een chartale betaling is effectief, snel en anoniem. Inmiddels is in ons land een girale betaling net zo snel en effectief als een chartale betaling en daarbij ook nog eens goedkoper. Maar een girale betaling is naar zijn aard per definitie niet anoniem. Er wordt immers geld van de ene bankrekening naar een andere bankrekening overgeboekt en daarmee ligt een girale betaling vast in de administratie van een of meer banken. Dus het is met name de behoefte aan privacy bij het verrichten van betalingen die het gebruik van chartaal geld in stand houdt. Verder is chartaal geld populair omdat een chartale betaling altijd kan worden verricht, ook als er een grote stroomstoring is en/of het girale betalingsverkeer om een andere reden platligt. Wat ook nog een rol speelt is dat je bij gebruik van chartaal geld letterlijk kunt zien aankomen als je portemonnee leeg dreigt te raken. Je kunt niet meer chartaal geld uitgeven dan je bij je hebt. Het gebruik van giraal geld vergt meer discipline en overzicht.

De nadelen van chartaal geld

De concurrentiepositie van de contante betaling verliest ondanks deze voordelen langzaam maar zeker terrein. In landen met moderne betalingssystemen, zoals Nederland en de Scandinavische landen is het gebruik van chartaal geld namelijk relatief duur. Er moet een heel circuit van gelduitgifte automaten in stand worden gehouden, die moeten worden onderhouden, bijgeladen en beveiligd. De afhandeling van chartaal geld brengt al met al forse kosten met zich mee, net als de productie van bankbiljetten.[1] Daarmee vergeleken is in veel landen een girale betaling inmiddels sneller, goedkoper en veiliger. Verder is chartaal geld een bron van bacteriën. Het kan geen kwaad om bankbiljetten en munten af en toe eens te wassen.

Er kleven echter ook meer fundamentele nadelen aan het gebruik van chartaal geld. Het eerste nadeel betreft dezelfde anonimiteit die door veel geldgebruikers als een belangrijk voordeel wordt ervaren. Het feit dat een transactie met chartaal geld geen sporen nalaat maakt het gebruik van chartaal geld onbedoeld ook zeer geschikt voor het doel van illegale transacties. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat chartaal geld in criminele circuits een belangrijk rol speelt. De Amerikaanse econoom Kenneth Rogoff wijst op de grote discrepantie tussen de hoeveelheid chartaal geld in omloop en de hoeveelheid die mensen aangeven in kas te hebben. In zijn boek The Curse of Cash uit 2016 laat hij voor een aantal grote landen zien hoeveel chartaal geld hun centrale banken hebben uitstaan. Dit zet hij af tegen de uit onderzoek naar voren komende hoeveelheid chartaal geld die mensen aanhouden. Het blijkt bijvoorbeeld dat Amerikanen aangeven gemiddeld voor $ 250 per persoon aan chartaal geld in huis te hebben, terwijl de centrale bank voor in totaal maar liefst $ 4.200 per persoon aan dollarbiljetten heeft uitstaan (Rogoff, 2016). 

Figuur 1: Aandeel grote coupures in de chartale geldhoeveelheid
Figuur 1: Aandeel grote coupures in de chartale geldhoeveelheidNoot: het gaat in het geval van de VS om het aandeel van de bankbiljetten van $ 100 en in het geval van de eurozone om het aandeel van de biljetten van € 100, € 200 en € 500 in de chartale geldhoeveelheid.
Bron: Rogoff (2016)

Het tweede dat opvalt, is dat mensen aangeven weinig of geen bankbiljetten met grote coupures in huis te hebben, terwijl juist die grote coupures het leeuwendeel van het uitstaande chartale geld uitmaken. In de VS bestaat meer dan 77% van de chartale geldcirculatie uit biljetten van $ 100, terwijl de meeste Amerikanen aangeven deze biljetten niet in huis te hebben (Rogoff, 2016). Ook dit is een indicatie dat chartaal geld, en dan met name de grote coupures, inderdaad een niet te onderschatten rol speelt in het criminele circuit. Overigens maken grote coupures ook in de eurozone het leeuwendeel uit van de chartale geldhoeveelheid (figuur 1).

Ook het gegeven dat circa 60% van de Amerikaanse bankbiljetten zich in buitenlandse handen bevindt is een indicatie dat dollarbiljetten een grootschalige rol spelen in internationale criminele circuits, al zal een deel ook het gevolg zijn van het feit dat sommige landen, zoals bijvoorbeeld Panama, de dollar als nationale munt gebruiken. Dit speelt ook bij de euro, die in enkele landen buiten de EU, zoals Kosovo en Montenegro, eenzijdig als nationale munt is ingevoerd.

Overigens verwacht Rogoff niet dat criminele activiteiten zullen verdwijnen als het moeilijker wordt om ze met chartaal geld uit te voeren. Maar hij stelt de terechte vraag waarom centrale banken aan de ene kant veel inspanningen verrichten en grote kosten maken om illegale en criminele betaalstromen op te sporen, terwijl zij aan de andere kant deze transacties met de uitgifte van grote bedragen aan bankbiljetten met grote coupures in hoge mate blijven faciliteren. Het lijkt er sterk op dat de opbrengsten van de uitgifte van bankbiljetten (de geldscheppingswinst) niet opwegen tegen de kosten die de centrale banken, samen met andere autoriteiten, moeten maken om illegale transacties op te sporen.

Het tweede argument ten faveure van de afschaffing van chartaal geld is monetair van aard. De aanwezigheid van chartaal geld legt centrale banken stevige beperkingen op in het monetaire beleid. Meer specifiek gaat het om de zogeheten effective (zero) lower bound of ELB. Centrale banken kunnen, als zij deflatie willen bestrijden, de nominale rente niet al te ver onder nul verlagen. Want als de beleidsrentes te ver onder nul dalen zullen commerciële banken zich op een kwaad moment ook gedwongen voelen om op de bij hen aangehouden girale (spaar-)tegoeden ook een negatieve rente te gaan heffen. Dat zou op zijn beurt kunnen uitmonden in een run op de banken, waarbij mensen hun (spaar-)geld massaal opvragen om het om te zetten in chartaal geld. Want chartaal geld kent immers geen rente, dus ook geen negatieve. De angst voor massale opvragingen leeft nu al. In Duitsland zijn er zelfs al banken die hun klanten aanbieden om hun geld bij hen in chartale vorm in de kluis te leggen. De Duitse fabrikanten van kluisjes draaien overuren.

Centrale banken hebben de afgelopen jaren weliswaar hun beleidsrentes fors verlaagd, maar hebben het mede om deze reden niet aangedurfd om deze substantieel onder het nulpunt te brengen. Als er geen chartaal geld is, kunnen centrale banken verder gaan met het verlagen van de beleidsrente dan in de situatie van vandaag de dag. Wij komen verderop in dit artikel terug op de mogelijke rol van negatieve rentes in het monetaire beleid.

De omvang van het chartale circuit

In figuur 2 staat voor een aantal landen aangegeven hoe de uitstaande hoeveelheid chartaal geld zich verhoudt tot het bruto binnenlands product (bbp). Het blijkt dat er onderling zeer grote verschillen zijn.

Figuur 2: Chartaal geld als percentage van het bbp
Figuur 2: Chartaal geld als percentage van het bbpBron: Rogoff (2016)

De data in figuur 2 zijn ontleend aan Rogoff (2016) en stammen uit 1995. Zij zijn dus tamelijk oud. Toch veranderen dergelijke structurele verhoudingen in het algemeen niet zo sterk, al zijn er uitzonderingen. Landen als Duitsland en Japan zijn tot op de dag van vandaag relatief sterk cash-based. Zo wordt in Duitsland 79% van alle transacties in baar geld afgewikkeld, ook bij grotere transacties (NRC.nl, 3 mei 2016). Het terugdringen van chartaal geld ligt daar heel gevoelig, want  zoals veel Duitsers zeggen: “Nur Bares ist Wahres”. Duitsers hechten blijkbaar bovengemiddeld sterk aan hun privacy. Een probleem is dat sinds de euro is ingevoerd het een stuk moeilijker is om de hoeveelheid cash per lidstaat in kaart te brengen. Wel is het gemiddelde voor de eurozone bekend, maar binnen dit gebied loopt het gebruik van contant geld van land tot land sterk uiteen.

Uit de grafiek blijkt onder meer dat in Scandinavië relatief weinig contant geld uitstaat. In deze landen lijkt het aandeel van cash nog verder te zijn gedaald. Deze landen hebben de laatste jaren zelfs expliciet beleid in gang gezet om het gebruik van chartaal geld verder terug te dringen (box 2). 

Hoe chartaal geld terug te dringen

Het terugdringen van chartaal geld is een precair proces. Munten en bankbiljetten worden immers zelfs in de landen waar het girale betalingsverkeer een volwaardig alternatief kan bieden nog volop gebruikt en ze blijven een stevige populariteit houden. In ieder geval is het een proces dat heel geleidelijk moet plaatsvinden. Die geleidelijkheid is nodig omdat er allerhande complicaties kunnen optreden die gaandeweg moeten worden opgelost. Een goed voorbeeld van hoe het niet moet is India. Daar besloot in 2016 de overheid van de ene dag op de andere enkele bankbiljetten met een grote coupure, te weten 500 en 1.000 roepie, uit de roulatie te nemen. Dit is uitgelopen op een stevige chaos, waarbij zelfs doden zijn gevallen (zie box 1).

Box 1: India: less-cash first, cashless society next

Op 8 november 2016 kondigde de Indiase premier Modri in de avond op televisie aan, dat alle bankbiljetten van 500 en 1.000 roepie diezelfde dag om middernacht hun waarde zouden verliezen. Wel konden mensen hun biljetten inruilen tegen nieuw uit te geven biljetten van 500 en 2.000 roepie. De achtergrond was dat de regering het zwarte circuit wilde aanpakken en het girale betalingsverkeer wilde bevorderen. Een groot deel van de Indiase economie draait nog op chartaal geld. Daarbij is er ook nog eens een groot aantal valse bankbiljetten in omloop.

De omwisseling is ontaard in een behoorlijke chaos. Omdat de oude, veelgebruikte biljetten acuut hun waarde verloren liep een deel van het vrachtverkeer vast omdat vrachtauto’s niet meer konden tanken. Er zijn mensen overleden omdat zij geen medische hulp konden krijgen, of omdat zij onwel werden in de lange rijen voor de bank waar zij hun biljetten konden inwisselen of storten op een bankrekening. In grote delen van de economie stagneerde de productie. Uiteindelijk is circa 97% van de oude bankbiljetten ingeleverd bij de banken. Dat is veel meer dan de autoriteiten hadden verwacht. Een beduidend groter dan verwacht aantal mensen kon bij inlevering blijkbaar in voldoende mate aannemelijk maken hoe zij aan hun biljetten waren gekomen, al wordt dit nog nader uitgezocht. Maar de valse biljetten zijn natuurlijk wel geraakt. Er zijn dan ook rapportages dat het illegale circuit wel degelijk door deze actie is getroffen, waaronder verboden politieke partijen, terroristische groeperingen en mensenhandelaren. Als positief economisch effect kan worden gewezen op een toenemende giralisering van het betalingsverkeer en het spaargeld. Dit laatste is belangrijk omdat bespringen dan via het bankwezen beter kunnen worden aangewend om kredieten te financieren. De Indiase ‘demonitisering’ draagt per saldo meer het karakter van een geldzuivering dan van een poging om het gebruik van chartaal geld structureel te ontmoedigen. Had men dat laatste wel gewild, dan had de centrale bank niet een nieuw biljet van 2.000 roepie in omloop gebracht. Het Indiase voorbeeld illustreert wel hoe een dergelijke slecht voorbereide maar acute maatregel in een economie die nog grotendeels op chartaal geld draait makkelijk in een grote chaos kan uitmonden (Erken, 2017).Voor meer informatie en nadere bronvermelding wordt verwezen naar Wikipedia

Een belangrijke randvoorwaarde om geleidelijk af te stevenen op een afbouw van het gebruik van chartaal geld is uiteraard een giraal systeem dat net zo goedkoop, effectief, efficiënt en betrouwbaar is als het chartale betalingsverkeer en dat daarbij voor iedereen toegankelijk is. Als aan deze voorwaarde niet is voldaan kan het gebruik van chartaal geld niet goed worden teruggedrongen. Daarmee wordt het direct al een moeilijke opgave, omdat zelfs in sommige majeure ontwikkelde economieën, zoals Japan en de VS, het girale betalingscircuit nog niet ver genoeg is ontwikkeld  (Rogoff, 2016, pp. 102 – 103).

De eerste te zetten stap betreft het  stoppen van het uitgeven van de grootste allergrootste coupures. Deze worden immers in het reguliere betalingsverkeer vrijwel niet gebruikt.[2] Dus het niet langer in omloop brengen van nieuwe bankbiljetten met hoge coupures zal naar verwachting niet tot verstoringen leiden. Als banken en de centrale bank ingeleverde bestaande bankbiljetten met hoge coupures niet weer opnieuw in omloop brengen neemt hun aantal al langzaam maar zeker af. Vervolgens kan de centrale bank na een aantal jaren deze grote coupures de status van wettig betaalmiddel ontnemen, waardoor de bezitters ervan het bijtijds zullen willen omwisselen in lagere coupures. Dit soort ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld al in gang gezet in enkele Scandinavische landen, met name Zweden en Denemarken, en in Singapore en Canada. In deze landen heeft de centrale bank de uitgifte van de allergrootste coupures gestopt en ze met een vertraging geleidelijk uit circulatie genomen (Rogoff, 2016). Ook de ECB heeft in 2016 besloten om geen nieuwe variant van het biljet van € 500 uit te geven, maar heeft opmerkelijk genoeg tegelijkertijd in een persbericht aangegeven dat de eerder uitgegeven biljetten van € 500 ‘altijd’ hun waarde zullen behouden (Financial Times, 4 mei 2016). Vooralsnog zal de ECB ook doorgaan met het uitgeven van biljetten van € 50, € 100 en €200. In de Verenigde Staten lopen discussies om het biljet van $100 uit circulatie te nemen, terwijl is gesuggereerd dat Japan zou kunnen stoppen met het uitgeven van biljetten van ¥ 10.000. Die maken nu nog 90% van de waarde van de chartale circulatie uit (Rogoff, 2016, hfst. 3).

In Zweden streeft men er naar om het chartaal geld geheel uit te bannen. Daartoe heeft men beleid in gang gezet dat ernaar streeft om belastingontwijking en financiering van criminele en terroristische activiteiten uit te bannen. Een van de maatregelen was het uit de roulatie nemen van de grootste coupure, het biljet van 1.000 Kroon. Sinds 2013 heeft dit biljet geen waarde meer. Het gevolg is dat in Zweden de chartale geldhoeveelheid de afgelopen jaren met ruim 20% is gedaald.

Box 2: Scandinavië als girale koploper 

Om de afbouw van het gebruik van chartaal geld te vereenvoudigen is het beleid in Zweden en Denemarken geflankeerd met moderne ICT-toepassingen. Het gaat niet alleen om het bevorderen van giraal betalen, maar ook om goede doelen en kerken die inmiddels grotendeels giraal collecteren (een trend die ook in Nederland is ingezet) en betere controles op BTW-inning die het moeilijker maken om deze belasting te ontwijken door betalingen chartaal af te wikkelen. Er zijn verwachtingen dat Zweden in 2030 helemaal cashless zal zijn. Het zou opmerkelijk zijn als Zweden, het land dat in 1661[3] als eerste in Europa papiergeld invoerde, het ook als eerste weer afschaft (Rogoff, 2016).[4] Tegelijkertijd bestaat zelfs in Zweden hier nog steeds weerstand tegen, omdat ook daar nog steeds vraag naar contant geld leeft. Zo geeft in een recente enquête nog steeds een derde van de Zweedse bevolking aan niet zonder contant geld uit de voeten te kunnen. Daarbij gaat het met name om ouderen en om mensen met een laag opleidingsniveau en/of inkomen (Bordo & Levin, 2017).

Ook Nederland kent nog steeds een kleine groep mensen die geen bankrekening hebben omdat dit te duur is of omdat zij er niet mee overweg kunnen. Denk bijvoorbeeld aan daklozen of mensen in een asielzoekersopvangcentrum. In Denemarken, dat hier gericht beleid heeft, heeft men dit opgelost door het voor iedereen mogelijk te maken om te participeren in het girale betalingsverkeer, onder meer door een basisrekening met een betaalpas ter beschikking te stellen aan daklozen. Ook uitkeringen worden daar alleen nog giraal verstrekt (Rogoff, 2016, p. 99).

Hoewel het achterliggende idee in Scandinavië is om op lange termijn uiteindelijk helemaal van chartaal geld en dan met name bankbiljetten af te komen, is het tegelijkertijd ook duidelijk dat dit in de praktijk op veel problemen en weerstand zal stuiten. Het gaat dus om een proces van lange adem.

De randvoorwaarden voor giralisering

Zoals reeds gezegd moet om te beginnen zijn voldaan aan een essentiële randvoorwaarde: een vlekkeloos werkend giraal betalingsverkeer. Dat moet niet alleen zeer efficiënt (dus goedkoop) en betrouwbaar zijn, maar ook girale transacties moeten real-time worden afgewikkeld. Merk daarbij op dat, als in een land met een primitieve betaalinfrastructuur innovatieve nieuwe spelers toetreden het opeens heel snel kan gaan. In Afrika heeft M-Pesa, een joint venture van telecomprovider Vodafone met enkele lokale partijen in een aantal landen het betalingsverkeer ingrijpend veranderd gebruikmakend van een op het mobiele telefoonnetwerk gebaseerde technologie. In China betekende de komst van Alipay een revolutie in het betalingsverkeer, waarbij ook de banken verregaand zijn gepasseerd. Het kan heel snel gaan. Dit Chinese bedrijf levert girale betaaldiensten. Het is inmiddels niet alleen in China, maar ook wereldwijd de grootste in zijn soort.

 Box 3: M-Pesa verovert Afrika

M-Pesa is een jong fenomeen. Het begon in 2007 in Kenia en Tanzania, toen lokale aanbieders van telefoondiensten begonnen met het aanbieden van financiële diensten via hun netwerk. In een context waarin het financiële verkeer vrijwel geheel chartaal werd afgewikkeld was de dienstverlening van M-Pesa een schot in de roos. Zowel lenen, betalen en sparen wordt inmiddels grootschalig via het netwerk van M-Pesa afgewikkeld. Het nieuwe systeem is veiliger, veel sneller en goedkoper dan de oude situatie. Gezien de lage bevolkingsdichtheid van Afrika voorzag M-Pesa in een belangrijke leemte. Reguliere banken hebben getracht om M-Pesa via de toezichthouder buiten de deur te houden, maar zonder succes. Al na drie jaar was M-Pesa de meest succesvolle financiële dienstverlener in de opkomende wereld. Tientallen miljoenen mensen gebruiken hun diensten, inmiddels ook in Zuid Afrika, Afghanistan en India. Sinds 2014 is M-Pesa ook actief in Europa, te weten in Roemenië en Albanië. Voor nadere informatie en bronvermeldingen zie Wikipedia

Verder is het belangrijk dat iedereen in het girale betalingsverkeer kan participeren. In ons land, dat van oudsher een van de goedkoopste en betrouwbaarste girale betalingscircuits ter wereld heeft, is verregaand aan deze randvoorwaarden voldaan (zie box 4). Maar zelfs dan is er nog een groep mensen die niet zijn aangesloten op het girale betalingsverkeer.

Veel andere ontwikkelde economieën zijn op het gebied van het betalingsverkeer nog lang niet zo ver ontwikkeld als de Noord-Europese landen. In de Verenigde Staten is het girale betalingsverkeer minder wijd verbeid, minder snel (dus niet real-time), minder effectief en in gebruik nog steeds duurder dan chartaal geld. In Japan wordt tot op de dag van vandaag zelfs 70% van de waarde van alle betalingstransacties chartaal afgewikkeld. In aantallen transacties ligt dit aandeel dus waarschijnlijk nog hoger. Tegen deze achtergrond is het opmerkelijk dat juist in Japan zeer onlangs door een aantal banken het initiatief is genomen om een nieuwe digitale munt, de J-coin, in te voeren om het girale betalingsverkeer te bevorderen (Financial Times, 26 september 2017). Op het moment van schrijven zijn de technische specificaties van deze munt nog niet helder, maar wel dat het de bedoeling is dat de J-coin exact evenveel waard wordt als de yen. Het is dus, anders dan de naam suggereert, een geheel ander type munt dan de Bitcoin.[5] Een belangrijke aanleiding voor dit initiatief is overigens dat het eerder genoemde Chinese Alipay zijn oog op de onderontwikkelde Japanse markt voor girale betaaldiensten heeft laten vallen. Het initiatief van de Japanse banken, bang om te worden gemarginaliseerd door de komst van deze innovatieve nieuweling, is dus ook duidelijk defensief van aard.

Box 4: Betalen in Nederland

Nederland kent van oudsher een betrouwbaar, efficiënt en goedkoop giraal betalingsverkeer. Ook is het internetbankieren hier goed ontwikkeld. Dat heeft ertoe geleid dat het overgrote deel van de waarde van de betalingen in ons land giraal worden afgewikkeld. Grotere private betaaltransacties lopen via internetbankeren en alle transacties op de financiële markten worden giraal afgewikkeld. Alleen bij het zogeheten toonbankverkeer, de retailtransacties, speelt chartaal geld nog een substantiële rol. Maar ook daar zien we dat de grotere transacties tegenwoordig vrijwel altijd giraal gaan (het zogeheten ‘pinnen’), waardoor de totale waarde van de pinbetalingen al jarenlang aanmerkelijk groter is dan die van de chartale betalingen. Veel kleine transacties worden tot op de dag van vandaag nog steeds chartaal afgewikkeld. Maar dankzij het steeds goedkopere girale betalen, en sinds 2014 de komst van het contactloos betalen, worden ook steeds meer kleine betalingen giraal afgehandeld. Het jaar 2016 is het eerste jaar waarin ook het aantal pinbetalingen duidelijk boven het aantal chartale betalingen lag (figuren 3 en 4). Merk op dat de credit card in ons land nog steeds een ondergeschikte rol speelt. Verder zijn betaalcheques in ons land uit het betalingsverkeer verdwenen, net als overigens de chipknip. 

Figuur 3: Girale versus chartale toonbankbetalingen (aantal transacties)
Figuur 3: Girale versus chartale toonbankbetalingen (aantal transacties)Bron: Betaalvereniging Nederland en DNB
Figuur 4: Girale versus chartale toonbankbetalingen (totale waarde)
Figuur 4: Girale versus chartale toonbankbetalingen (totale waarde)Bron: Betaalvereniging Nederland en DNB

De weerstanden

Een belangrijke bron van weerstand tegen het terugdringen van het chartaal geld kan ontstaan vanuit overwegingen van privacy. Een girale betaling ligt zoals gezegd vast in de systemen van de banken, terwijl een chartale zo goed als geheel anoniem is. Veel mensen hechten aan een zekere mate van anonimiteit van het chartale betalingscircuit. Daarbij gaat het in veruit de meeste gevallen om gewone mensen en niet om mensen met criminele motieven.

Dit is een belangrijke reden waarom men bij het terugdringen van chartaal geld begint bij het verkleinen van de omloop van de grotere coupures, maar de kleinere coupures tot nader order in circulatie laat. Rogoff bijvoorbeeld stelt voor om de grens bij € 20, $ 20 en ¥ 2.000  te leggen. Met die biljetten kunnen de meeste transacties van de bevolking gewoon chartaal worden afgehandeld, maar voor het criminele circuit en/of grootschalige belastingontduiking wordt het dan wel een stuk minder aantrekkelijk om chartaal geld te gebruiken. Verder stelt hij voor om de chartale geldcirculatie uiteindelijk alleen nog uit muntgeld te laten bestaan. Voor kleinere transacties is dat nauwelijks lastig, maar de aantrekkelijkheid van het afwikkelen van grote bedragen in muntgeld is nul. Zoals hij uitlegt past een bedrag van € 1 mln. in briefjes van € 500 in een kleine koffer. Het zelfde bedrag in briefjes van € 20 vergt 50.000 briefjes, waar je al meerdere grotere koffers voor nodig hebt. Zou dit bedrag in munten van € 20 moeten worden betaald dan vergt dat als snel een forse vrachtauto met stevige veren. Overigens valt te verwachten dat hierdoor (nog meer) criminelen dan nu al het geval is zullen uitwijken naar digitale valuta’s zoals de Bitcoin. Maar in elk geval wordt door het voorstel van Rogoff de situatie, dat centrale banken onbedoeld wereldwijde criminele circuits faciliteren, feitelijk beëindigd. 

Opheffen van de ondergrens van de beleidsrentes

In het voorgaande werd al kort aangeduid dat sommige economen chartaal geld willen afschaffen met als doel centrale banken meer ruimte te geven om hun beleidsrentes te verlagen (Buiter, 2009). De achtergrond is de volgende. Wereldwijd is de laatste decennia sprake van een trendmatig dalende inflatie. Tot voor kort werd dit door de centrale banken als een zeer gunstige ontwikkeling gezien. Want het is nog maar enkele decennia geleden dat een te hoge inflatie juist een groot probleem vormde. Aan een hoog en vooral sterk fluctuerend inflatietempo kleven tal van nadelen. Daarom hebben de meeste centrale banken zich de afgelopen decennia vooral gericht op het structureel terugdringen van de inflatie, waarbij de meeste centrale banken mikken op een inflatie van 2%. Dit beleid is in de meeste landen boven verwachting succesvol geweest. Het inflatietempo is de afgelopen decennia inderdaad sterk afgenomen en bevindt zich in de eurozone nu zelfs al geruime tijd onder de doelstelling van een inflatie van twee procent (zie figuur 5).

Figuur 5: Inflatietempo in de VS, VK, Japan en de eurozone, 1960 – heden
Figuur 5: inflatietempo in de VS, VK, Japan en de eurozone, 1960 – hedenNoot: Voor 1999 is de Duitse inflatie gebruikt als proxy voor die in de EMU.
Bron: Macrobond
Figuur 6: De reële beleidsrente in de VS, VK, Japan en de eurozone, 1960 – heden
Figuur 6: De reële beleidsrente in de VS, VK, Japan en de eurozone, 1960 – hedenNoot: voor de eurozone is voor de periode 1960 – 1990 het Lombardtarief van de Deutsche Bundesbank genomen. Voor de jaren 1990 – 1998 betreft dit het open-markttarief van de Bundesbank. Nadien is de ECB refi-rente weergegeven. Het tarief voor de VS, het VK en Japan betreft respectievelijk de Federal Funds Rate, de Bank Rate en de Basic Discount Rate. De reële beleidsrente (ex-post) is berekend op basis van nominale beleidsrente, verminderd met het inflatietempo berekend aan de hand van maandelijkse prijsindexcijfers uit figuur 5.
Bron: eigen berekeningen o.b.v. data Macrobond

Daarmee is een nieuw probleem ontstaan. Want de definitie van ‘prijsstabiliteit’ ligt niet voor niets  hoger dan ‘echte’ prijsstabiliteit: een absoluut stabiel prijspeil, dus een gemiddelde prijsstijging van nul procent. De reden hiervoor is tweeledig. Ten eerste bestaat de indruk dat de meest gebruikte inflatiemaatstaf, de consumptieprijsindex, het echte inflatietempo overschat. Een deel van de gemeten prijsstijgingen zou worden veroorzaak door bijvoorbeeld kwaliteitsverbetering van producten. De tweede reden is, dat men met het inflatietempo wil wegblijven van de nulgrens, omdat monetair beleid een inflatie dicht bij nul of, erger nog, een deflatie (gemiddelde prijsdaling)  sterk aan effectiviteit inboet. Dit komt doordat men, als de economische groei tegenzit bij een laag of negatief inflatietempo, waarin het gevaar bestaat dat de deflatie uitmondt in een bestedingsuitval die de economie verder kan verzwakken, de rente niet meer ver genoeg kan verlagen om tot een substantieel negatief niveau van de reële rente te komen. Dus kan het monetaire beleid de groei niet meer aanjagen.

Met de reële rente wordt gedoeld op de nominale rente minus het inflatietempo. Normaal gesproken is deze positief, maar het is in het verleden regelmatig voorgekomen dat de reële rente duidelijk negatief was (figuur 6). Dat gebeurt dus als men de beleidsrente tot beneden het inflatietempo verlaagt. Op deze wijze kan men de economie een krachtige impuls geven. Stel dat zowel het huidige als het verwachte inflatietempo in een land op 4% ligt. Als de centrale bank dan de beleidsrente tot 1% verlaagt, is sprake van een negatieve reële beleidsrente van -3%. Dat geeft een stevige impuls aan de economie omdat het doorwerkt in de rentevoeten op de financiële markten en op de bancaire tarieven. Overheden en bedrijven kunnen zich goedkoop financieren, wat investeren aantrekkelijk maakt. Spaarders zullen hun geld willen inzetten om te beleggen in effecten, met hetzelfde effect. Als het inflatietempo echter op 1% ligt en de centrale bank kan de rente niet verder verlagen dan 0%, daalt de reële korte rente niet verder dan tot -1%. Bij een deflatie, dus als de prijzen dalen, blijft de reële rente positief, zelfs als de nominale rente op 0% ligt. Als het tempo van prijsdalingen toeneemt, staat een centrale bank geheel machteloos en loopt de reële rente zelfs weer op. Dit zet dan een extra rem op de toch al zwakke economische ontwikkeling.

Rogoff (2016) haalt diverse onderzoekers aan die stellen dat bij een crisis zoals die wij in 2008 hebben gezien een reële beleidsrente van min 5 tot min 7% passend zou zijn geweest. Maar bij een effectieve ondergrens van nul procent rente kan dat dus niet als de inflatie zo rond de 2% schommelt. Dus hebben centrale banken zich genoodzaakt gezien om over te gaan tot een beleid van kwantitatieve verruiming of QE (Boonstra & Van Schoot, 2016). Dat beleid duwt over de hele linie rentevoeten omlaag en het leidt tot omvangrijke vermogenseffecten in het systeem die op hun beurt weer een positieve bestedingseffecten hebben, maar het is een beleid met veel bijwerkingen. Merk op dat de effecten van een forse verlaging van de beleidsrente tot een negatief niveau in reële termen op het eerste gezicht lijkt op dat van het huidige beleid van kwantitatieve verruiming. Er zijn echter twee belangrijke verschillen. Ten eerste hoeft de centrale bank, als zij de beleidsrente sterk kan verlagen, niet grootschalig op te treden als koper van obligaties. De marktverstoring is dus veel kleiner. Ook kan de centrale bank in dat geval wegblijven bij het begrotingsbeleid. Er wordt immers geen overheidsschuld, nieuw of oud, gemonetiseerd. Discussies of de centrale bank buiten haar mandaat treedt zijn dan ook niet aan de orde. Zij kan dan ook beter bij haar leest blijven als uitvoerster van het monetaire beleid. Ten tweede kan het beleid kort en hevig worden uitgevoerd. Een scherpe verlaging van de beleidsrente kan in een zeer korte tijd worden doorgevoerd en, als het beleid aanslaat, ook heel snel worden teruggedraaid. In tegenstelling tot het huidige beleid, dat nog het beste kan worden omschreven als ‘langdurig en slepend’, kan een monetair beleid dat uitsluitend via veranderingen in de beleidsrente wordt geïmplementeerd ‘kort en hevig’ worden uitgevoerd. Er zullen wel kortstondige hevige schokken kunnen zijn, maar die vallen waarschijnlijk te prefereren boven de jarenlange marktverstoringen die gepaard gaan met het beleid van QE. Een mooi praktijkvoorbeeld van het effect van geld (in dit geval papiergeld) met een negatieve rente staat in box 5. 

Box 5: De effectiviteit van een negatieve rente: het wonder van Wörgl

Hoe een negatieve rente op geld de omloopsnelheid ervan kan vergroten en de positieve effecten daarvan op de reële economie kunnen worden geïllustreerd met het Wonder van Wörgl. Midden in de crisis van de jaren dertig van de 20e eeuw vond in het Oostenrijkse plaatsje Wörgl een interessant monetair experiment plaats. Het ging op dat moment erg slecht met de lokale economie. Deze leunde zwaar op twee grote industriële bedrijven die beide als gevolg van de crisis waren gesloten. De werkloosheid was hoog, de gemeentekas was leeg en de schuld van de gemeente aan de provincie was ver opgelopen.

In december 1931 trad een nieuwe burgemeester aan, Michael Unterguggenberger. Deze was een fervent aanhanger van de vrijgeld-theorie  van Silvio Gesell. Gesell was een Duits/Argentijnse koopman die voorstelde om (papier)geld van een negatieve rente te voorzien om te voorkomen dat mensen het zouden oppotten. Zelfs John Maynard keynes refereerde in zijn beroemde General Theory met instemming aan Gesell (Keynes, 1936). Unterguggenberger bracht de ideeën van Gesell om de geldcirculatie te versnellen in Wörgl met kracht in praktijk. 

In juli 1932 werd in Wörgl Schwundgeld ingevoerd. Unterguggenberger had lokale ondernemers, zij het met enige tegenzin, bereid gevonden dit geld in betaling te accepteren. Dit geld werd gedekt door een depot in shillings bij de lokale Raiffeisen Bank. Het Schwundgeld verloor maandelijks 1% aan waarde, vandaar de naam (voor details zie Von Murat, 1933). Hiermee had de bezitter dus een stevige prikkel om het geld niet op te potten, maar zo snel mogelijk weer in omloop te brengen (waardoor het geld zijn waarde behield). Het kon wel, zij het tegen een strafrente, worden ingeruild tegen Oostenrijkse shillings. En men kon er belastingen aan de overheid mee betalen. Verder ondernam de lokale overheid enkele grote projecten, waarbij de arbeiders werden uitbetaald in Schwundgeld.

De resultaten waren spectaculair. De lokale economische activiteit werd sterk aangewakkerd. De publieke werken resulteerden in nieuwe en/of beter onderhouden infrastructuur. De financiële positie van de lokale overheid verbeterde omdat de bevolking haar belastingachterstanden inliep. De gemeente kon op haar beurt haar schuld aan de provincie aflossen. Kortom, op het eerste gezicht was het een doorslaand succes, dat indertijd in binnen- en buitenland aandacht trok. Vier andere gemeenten wilden daarop het voorbeeld van Wörgl volgen, terwijl ruim honderd andere ook hun interesse lieten blijken. Hierdoor voelde de Oostenrijkse centrale bank zich bedreigd in haar positie als monopolist van de chartale gelduitgifte. Zij wendde zich tot de rechter. Deze stelde de centrale bank in het gelijk, waarna het experiment na dreiging van ingrijpen door het leger werd stopgezet. Wörgl gleed vervolgens weer terug in de malaise die de jaren dertig zo lang heeft gekenmerkt.

Hoewel ‘Wörgl’ in het algemeen als een succesverhaal wordt gezien, zijn er ook mensen die twijfelen of het experiment nog lang houdbaar was geweest. Toen de belastingachterstanden waren ingelopen nam de aantrekkelijkheid van Schwundgeld natuurlijk af. Het kon immers niet meer massaal naar de overheid worden gebracht. Wellicht dat de positieve invloed van het Schwundgeld programma dus na verloop van tijd sowieso zou zijn afgenomen. Want het succes van kwijngeld, zoals overigens iedere soort geld, staat of valt met de algemene acceptatie ervan. Zoals Visser (2008) opmerkt kan dit voor kwijngeld in een omgeving van deflatie, onderbezetting en werkloosheid wellicht op lokaal niveau op voldoende grote schaal worden georganiseerd, maar zal het in normale omstandigheden niet eenvoudig zijn om algemene aanvaarding van Schwundgeld te organiseren. Want wie wil er in normale tijden nu geld hebben dat stelselmatig in waarde daalt? Sterker nog, in tijden van inflatie, als geld vanzelf aan koopkracht verliest, verwordt al het geld toch tot Schwundgeld

Er zijn dus de nodige economen die sterk voorstander zijn van het opheffen van de Effective Lower Bound (ELB) en die om die reden pleiten om het gebruik van chartaal geld op te heffen. Als al het geld digitaal is, kan bij een sterk negatieve nominale (en reële) rente geen klassieke bank run meer optreden.[6] Wel kunnen mensen hun spaargeld omzetten in andere financiële titels. Dit kan weer leiden tot positieve vermogenseffecten, wat langs dat kanaal weer kan bijdragen aan het groeiherstel. Ook kunnen mensen besluiten hun geld, dat door de negatieve rente gestaag in waarde wordt uitgehold, uit te geven. Dat leidt tot een bestedingsimpuls voor de economie, die ook kan helpen om de groei aan te zwengelen.

Hoewel het terugdringen van het chartale geld vaak wordt gemotiveerd vanuit het belang om de ELB op te heffen, lijkt het hiervoor echter niet nodig om chartaal geld af te schaffen. De ELB kan immers ook worden opgeheven door het instellen van limiet aan de hoeveelheid chartaal geld die mensen op mogen nemen, of, wellicht nog effectiever, door aan het opnemen van grotere bedragen aan chartaal geld kosten te verbinden die het rentevoordeel ervan neutraliseert.

Een aspect dat in de literatuur over negatieve rentes verder weinig aan de orde komt betreft de gevolgen voor het bankwezen. Er zijn wel studies die er op duiden dat een omgeving met erg lage rentes per saldo slecht uit kan pakken voor de winstgevendheid van het bankwezen. Diezelfde studies laten zien dat de effecten op de economie per saldo toch positief zijn (Genay & Podjasek,  2014). Maar over hoe een bank haar verdienmodel in een omgeving met diep negatieve rentes overeind moet houden is minder bekend. Het is ook een situatie die voor zover bekend nog niet in de praktijk is voorgekomen.

Conclusie

Het belang van chartaal geld in het betalingsverkeer neemt in de meeste ontwikkelde landen langzaam maar zeker af. In een aantal landen streven de autoriteiten er actief naar om dit proces te versnellen. Dit, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat het grootste deel van het chartale geld, en dan met name de grootste coupures van belangrijke valuta, vooral worden gebruikt bij illegale transacties. De trend naar een volledige giralisering van het betalingsverkeer zal de komende jaren waarschijnlijk een extra impuls krijgen als de monetaire autoriteiten de effective lower bound (ELB) willen afschaffen. Hiermee wordt gedoeld op het verschijnsel dat centrale banken hun beleidsrentes niet noemenswaardig onder de grens van nul procent kunnen vaststellen. Het zou best eens kunnen dat dit argument aan kracht gaat winnen naarmate de centrale banken er langer over doen om het huidige beleid van kwantitatieve verruiming af te bouwen en hun beleidsrentes weer omhoog te brengen. Want bij een volgende conjuncturele neergang zal de ELB al weer snel in zicht komen. Wellicht is het dan ook effectiever om de ELB op te heffen door limieten te stellen aan de maximaal op te vragen hoeveelheid chartaal geld. Hoewel de afbouw van het gebruik van het chartale geld op de nodige weerstand zal stuiten, zou het proces de komende jaren daarom toch wel eens in een stroomversnelling kunnen komen. Tegelijkertijd moet er in tal van landen nog veel werk worden verzet voordat aan de randvoorwaarden, m.n. die op het vlak van de toegankelijkheid en de kwaliteit van het girale betalingsverkeer, is voldaan. Ook een goede samenwerking tussen de centrale banken van de belangrijkste landen is overigens een essentiële randvoorwaarde, waar op dit moment nog niet aan is voldaan. De afdronk is dat wij wellicht op weg zijn naar een zo goed als geheel girale wereld, maar dat wij naar nog lang niet zijn beland.

Voetnoten

[1] Wat niet wegneemt dat, als de later te benoemen nadelen van chartaal geld niet in beschouwing worden betrokken, het voor de overheid zeker winstgevend is om bankbiljetten in omloop te brengen zo lang de nominale waarde ervan groter is dan de productiekosten. Dit is zeker bij grote coupures het geval.

[2] India is hier dus een uitzondering. Waarbij aangetekend dat een biljet van 1.000 Indiase Roepies een tegenwaarde heeft van slechts 16 Amerikaanse dollars.

[3] Overigens was het een Nederlander, Johan Palmstruch, die in Zweden in 1657 een bank oprichtte die in 1661 als eerste papiergeld mocht uitgeven, gedekt door bij zijn bank (Stockholms Banco) gedeponeerd edelmetaal. De bank ging in 1664 failliet doordat deze meer papiergeld uitgaf dan dat zij aan dekking had. Haar activiteiten werden uiteindelijk ondergebracht in de Sveriges Riksbank, tot op de dag van vandaag de centrale bank van Zweden.

[4] Papiergeld is een Chinese uitvinding. Marco Polo meldde als in de 13e eeuw al het wonder van het Chinese papiergeld. In China was papiergeld alweer afgeschaft voordat het in Europa werd ingevoerd (Davies, 2002).

[5] Het is op het moment van schrijven nog niet helemaal duidelijk of de J-coin een gewone girale yen betreft, die door commerciële banken in omloop wordt gebracht, of dat het een variant op digital cash betreft: een girale vorm van het bankbiljet, dus vordering op de centrale bank.

[6] Een van de opties is om het papieren chartale geld te vervangen door een digitale versie. Dan hebben wij het over het zogeheten digital cash. Het verschil tussen digital cash en gewoon giraal geld is dat het laatstgenoemde een vordering op een commerciële bank betreft, maar het eerstgenoemde net als een bankbiljet een vordering op de centrale bank betreft. Het voordeel ten opzichte van een papieren bankbiljet is dat een digitale vorm ervan door de centrale bank ook van een negatieve rente kan worden voorzien, terwijl op papiergeld normaal gesproken noch een positieve, noch een negatieve rente wordt vergoed. Over dit onderwerp verschijnt binnenkort een separate publicatie.

Literatuur

Boonstra, W.W. & D. van Schoot (2016), Geld Scheppen met Boonstra & Van Schoot (I t/m IX), www.esb.nu, september – november 2016

Bordo, M. & A. Levin (2017), Central Bank Digital Curency and the Future of Monetary Policy, NBER Working Paper, 23711, Augustus 2017

Buiter, W. H. (2009), Negative Nominal Interest Rates: Tree Ways to Overcome the Zero Lower Bound, 21 June 2009

Davies, G. (2002), A History of Money, University of Wales Press.

Erken, H. (2017), India: Where is the Negative Impact of Demonitization?, Themabericht, 13 maart 2017.

Financial Times (FT, 2017), ECB scraps € 500 note, 4 May, 2016

Financial Times (FT, 2017), Japan’s big banks plan digital currency launch, 26 September 2017

Genay, H. & R. Podjasek (2014), What is the impact of a low interest rate environment on bank profitability? Essays on Issues, Federal Reserve Bank of Chicago, Number 324, July 2014

Keynes, J.M. (1936), The General Theory of Employment, Interest and Money, Macmillan, London

Murat, A. von (1933), The Wörgl Experiment with Depreciating Money. Vertaling van Duitse originele tekst, verschenen in Das Standisches Lebe, Blatter für organische Gesellschafts-u Wirtschaftslehre.

Rogoff, K.S. (2014), Costs and Benefits to Phasing Out Paper Currency. In Volume 20 of NBER Macroeconomics Annual 2014, ad. J. parker & M. Woodford, University of Chicago Press

Rogoff, K.S. (2016), The Curse of Cash, Princeton Press

Visser, H. (1983), Silvio Gesell, een geniale ’monetary crank’, Economisch Statistische berichten, No. 3402, 27 april.

Visser, H. (2008), Waarom eenvoudig als het ook ingewikkeld kan: interestvrij bankieren, afscheidsrede, Vrije Universiteit, Amsterdam, maart.

Delen:
Auteur(s)
Wim Boonstra
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 66617

naar boven