RaboResearch - Economisch Onderzoek

Nederland en Duitsland – van loonmatiging naar investeren in de toekomst

Column

Delen:

Het volk heeft een verdeeld parlement gekozen, met een flink zetelaantal voor een anti-immigratiepartij. Het vormen van een coalitie tussen christendemocraten, liberalen en groenen blijkt bovendien lastig en zal vermoedelijk lang duren. Wie niet oplet, zou denken dat het over Nederland gaat. De politieke ontwikkelingen in Duitsland lijken sterk op die binnen onze landsgrenzen. Ook wat economisch beleid betreft staan de twee landen niet ver van elkaar af. Toch zijn er ook belangrijke verschillen. Wat kunnen we van die raakvlakken en tegenstellingen leren?

Beide overheden hebben een begrotingsoverschot en een relatief bescheiden staatsschuld. De twee landen hebben jarenlang ook bewust de lonen gematigd. Samen met het begrotingsbeleid draagt dat bij aan flinke handelsoverschotten. Feitelijk verkopen Nederland en Duitsland op krediet goederen en diensten aan het buitenland. Dat lijkt de twee landen geen windeieren te leggen, want de economie groeit en de werkloosheid daalt.

Er kleven ook nadelen aan dit beleid. Een recente studie van RaboResearch wijst er bijvoorbeeld op dat Nederlanders en Duitsers weliswaar productiever zijn geworden, maar dat vaak niet terugzien in hun portemonnee. Zonder de doorgeslagen loonmatigingspolitiek hadden ze meer geld gehad om te besteden. Zo bezien is het eenvoudiger te begrijpen dat de gevestigde politieke partijen in beide landen, ondanks de lage werkloosheid, terrein hebben verloren.

Dan de verschillen. Nederlandse huishoudens en hun overheid regelen hun financiën op een fundamenteel andere manier dan hun Duitse tegenhangers. Nederlanders lijken eerder op Amerikanen en Britten als het om hun huishoudboekje gaat, dan op de Duitsers. De verhouding tussen huishoudschuld en –inkomen ligt hier drie keer zo hoog als daar. Er staat wel vaker een eigen huis tegenover, terwijl Duitsers vaker huren (mede dankzij een groter aanbod redelijk betaalbare huurwoningen). Duitse huishoudens sparen daarnaast veel minder dan Nederlanders via pensioenfondsen maar zetten juist vaker geld op een spaarrekening. Gevolg is dat Duitse vermogens minder kwetsbaar zijn voor schommelingen in de activaprijzen en vooral in de (reken-)rente. Nederlanders hebben daarentegen maar weinig vrij vermogen, waardoor ze financiële tegenslagen lastiger kunnen opvangen en noodgedwongen minder consumeren. Het is een belangrijke reden waarom de Nederlandse economie het na de crisis zo veel moeilijker had dan de Duitse. Houdt ons land inderdaad minder krampachtig vast aan loonmatiging dan is dat een opsteker voor huishoudens en dus de consumptieve bestedingen en binnenlandse dynamiek.

Natuurlijk moet er gewerkt worden aan de internationale concurrentiepositie van Nederland en Duitsland. Dat kan mede door beleid dat zich richt op goed onderwijs en een goede infrastructuur. En daarin zit het tweede verschil. Aan onze kant van de grens zijn jongeren vaker hoogopgeleid, meer mensen hebben hier toegang tot snel internet en de wegen liggen er beter bij. Overheidsdiensten zijn in Nederland ook vaker online beschikbaar. In zowel Nederland als Duitsland geeft de overheid ongeveer evenveel uit per hoofd van de bevolking, maar de Duitse overheid investeert minder.

Nederland kan dus van de buren leren als het om de flexibiliteit van huishoudfinanciën gaat, de Duitsers kunnen van ons afkijken hoe een overheid toekomstgericht kan investeren. Zijn de coalitiebesprekingen in Nederland en Duitsland straks eindelijk afgerond, dan zal blijken of de overheden in beide landen inderdaad wat van elkaar opsteken.

Delen:

naar boven