RaboResearch - Economisch Onderzoek

Hervorming pensioenstelsel: naar een persoonlijke pensioenrekening?

Themabericht

Delen:
  • De sociale partners zijn al een aantal jaar in discussie over hervorming van het pensioenstelsel
  • Er zijn veel alternatieven bekeken waarvan er nu nog drie over zijn: het contract met continue aanpassingen, de persoonlijke pensioenrekening en een combinatie van de twee
  • Wij denken te zien dat de urgentie voor verandering afneemt naarmate de dekkingsgraad toeneemt
  • Bij de keuze voor een persoonlijke pensioenrekening verwachten wij complexe discussies over de verdeling van de vermogens van de pensioenfondsen
  • De alternatieven met een persoonlijke pensioenrekening hebben onze voorkeur

De sociale partners –werkgevers en vakbonden– zijn al een aantal jaar in discussie over hervorming van (de tweede pijler van) het pensioenstelsel. Zij overleggen hierover onder andere in de Sociaal-Economische Raad (SER). Op korte termijn wordt een nieuw SER-advies verwacht, zo blijkt uit het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III. Wel schetst het regeerakkoord alvast de contouren voor een nieuw pensioenstelsel, in lijn met eerdere voorstellen van de SER (2015, 2016). Reden om de mogelijke alternatieven onder de loep te nemen. Wat gaat er mogelijk veranderen? Hoe persoonlijk wordt het nieuwe pensioencontract precies? En welke transitieproblemen zijn er?

Waarom het huidige systeem hervormen?

Het huidige stelsel biedt verschillende typen pensioenoplossingen aan. In het grootste deel van de sector wordt aan de werknemers een bepaalde pensioenuitkering in het vooruitzicht gesteld. Dit pensioen is in veel gevallen een levenslange uitkering voor de deelnemer vanaf de pensioengerechtigde leeftijd of voor de partner in geval van overlijden van de deelnemer. Met de toezegging van een pensioenuitkering ontstaat er voor de pensioenaanbieder een verplichting. Deze verplichting moet worden bekostigd met de premies die vervolgens worden belegd. De dekkingsgraad geeft aan of het vermogen voldoende is voor alle toekomstige pensioenuitkeringen.

Actuele dekkingsgraad = vermogen / verplichtingen * 100%. Deze wordt op maandbasis gepubliceerd.
Beleidsdekkingsgraad = gemiddelde van de gepubliceerde dekkingsgraden van de afgelopen 12 maanden.

Figuur 1: Actuele dekkingsgraad en beleidsdekkingsgraad pensioenfondsen
Figuur 1: Dekkingsgraad en beleidsdekkingsgraad pensioenfondsenBron: DNB

Bij hoge beleidsdekkingsgraden (vanaf 110 procent) kan de pensioenuitkering worden verhoogd (geïndexeerd) en daarmee worden gecompenseerd voor inflatie. Bij langdurig lage beleidsdekkingsgraden kan het pensioen daarentegen ook worden gekort. Zoals in figuur 1 getoond zijn de dekkingsgraden van veel pensioenfondsen sinds 2008 gedaald. De pensioenen zijn bij de meeste fondsen niet verhoogd, waardoor de koopkracht van het pensioen lager uitvalt. Bij sommige zijn de pensioenuitkeringen zelfs iets verlaagd. De gemiddelde beleidsdekkingsgraad is eind september 2017 geraamd op 104 procent.

Hoewel het Nederlandse pensioenstelsel internationaal hoog staat aangeschreven, heeft het een aantal tekortkomingen. De tekortkomingen die de aanleiding zijn voor de discussies over hervorming zijn:

  • Stabiliteit: binnen het huidige systeem is de waarde van de in het vooruitzicht gestelde pensioenuitkering afhankelijk van de risicovrije rente. De dekkingsgraden van pensioenfondsen zijn daarmee afhankelijk van de dagelijkse schommelingen van de (volatiele) risicovrije rente. Pensioenfondsen zijn echter langetermijnbeleggers die ook beleggen in risicovolle beleggingen waardoor er discussie kan ontstaan of de risicovrije rente wel de beste maatstaf is.
  • Transparantie: de werking van het huidige pensioenstelsel is niet transparant. Er wordt een belofte gedaan voor een uitkering vanaf de pensioengerechtigde leeftijd maar het is niet duidelijk wat er precies met de premie gebeurt en welk deel van de gezamenlijke pensioenpot voor welke deelnemer is.
  • Flexibiliteit: men is in veel gevallen verplicht te sparen voor pensioen. In de opbouwfase heeft de deelnemer geen mogelijkheden om de pensioenopbouw af te stemmen op de persoonlijke omstandigheden of voorkeuren. Mede daardoor is het pensioenbewustzijn laag. Alleen bij pensionering heeft de deelnemer een aantal keuzemogelijkheden.
  • Vertrouwen: men ging er altijd vanuit dat de pensioenuitkering een zekerheid was en eigenlijk alleen zou stijgen. Nu het slechter met de pensioenfondsen gaat en een mogelijke korting dreigt, is het vertrouwen geschaad.

Wat zijn de alternatieven?

Een flink aantal uiteenlopende alternatieven is in de pensioenwereld besproken. Alle genoemde alternatieven gaan uit van een afschaffing van de doorsneesystematiek. Wij hebben de afschaffing van de doorsneesystematiek meer in detail toegelicht in een separate publicatie. Na vele evaluaties zijn er op dit moment nog drie alternatieven over.

Alternatief 1 – Contract met continue aanpassingen

Dit alternatief -door de SER ook wel ‘1B met rts’ genoemd- onderscheidt zich op één belangrijk onderdeel van het huidige systeem. Waar de uitkering in het huidige systeem pas wordt verhoogd bij hoge dekkingsgraden en pas verlaagd bij langdurig lage dekkingsgraden wordt deze in het nieuwe systeem ieder jaar verhoogd of verlaagd. Ieder jaar wordt de uitkering aangepast ter hoogte van 1/10 * (dekkingsgraad – 100%).[1]

Alternatief 2 - Persoonlijke pensioenrekening met collectieve buffer

Dit alternatief -door de SER ook wel 4C-R genoemd- onderscheidt zich op verschillende aspecten van het huidige systeem:

  • In het nieuwe pensioencontract gaat de inleg van deelnemers naar een persoonlijke pensioenrekening. De deelnemer kan dus direct zien hoeveel vermogen er voor hem of haar is opgebouwd. De toevoeging van premie en rendement en onttrekking van kosten en de uitkering zijn inzichtelijk.
  • Bovenop de persoonlijke pensioenrekening wordt ook een collectieve buffer gevormd. Bij hoge rendementen wordt een deel van het rendement afgeroomd en overgeheveld naar een collectieve buffer. Die buffer kan worden gebruikt bij onverwachte veranderingen van de levensverwachting en schokken op de financiële markten. De buffer mag in geen geval negatief worden, aldus het regeerakkoord.

Hoe hoger de buffer, hoe groter de intergenerationele risicodeling. Een hoge buffer voorkomt grote verschillen tussen pech- en gelukgeneraties. Maar een hoge buffer betekent ook dat er in goede tijden minder vermogen in de persoonlijke pensioenpotjes terechtkomt dan bij een lage buffer. Bij een lagere buffer wordt het pensioen dus persoonlijker, maar ook volatieler.

Figuur 2: Voorbeeld Lifecycle beleggen: samenstelling beleggingsmix naar leeftijd
Figuur 2: Voorbeeld Lifecycle beleggen: samenstelling beleggingsmix naar leeftijdBron: Rabo PGGM Premiepensioeninstelling
  • De manier van beleggen wordt gekoppeld aan de leeftijd van de deelnemer. Dit wordt het Lifecycle beleggen[2] genoemd en een voorbeeld is weergegeven in figuur 2. Bij Lifecycle beleggen wordt er risicovoller belegd voor jonge deelnemers dan voor oudere, omdat de beleggingshorizon langer is. In het huidige systeem wordt nog belegd op basis van de ontwikkeling van de gemiddelde leeftijd (‘duratie’) van de deelnemers in het pensioenfonds.
  • Een persoonlijke pensioenrekening maakt het in principe ook gemakkelijker om een deel van het pensioenvermogen in te zetten voor andere doeleinden. Het regeerakkoord noemt twee voorbeelden:
  1. Het kabinet wil onderzoeken of en hoe het in het nieuwe stelsel mogelijk is om bij pensionering een beperkt deel van het pensioenvermogen op te nemen als (vrij te besteden) bedrag ineens.
  2. Het kabinet stelt ook dat in de opbouwfase een meer geïntegreerde benadering van pensioenvermogen en vermogensopbouw in de eigen woning mogelijk is. Dit kan aan de orde komen nadat de hervorming van het pensioenstelsel is afgerond.

Alternatief 3 - Combinatie

Tenslotte wordt er gesproken over een alternatief waarbij beide bovengenoemde alternatieven worden gecombineerd (FD, 2017):

  • Gedurende het werkzame leven wordt het pensioen opgebouwd in een persoonlijke pensioenrekening met collectieve buffer en;
  • Na pensionering wordt gekozen voor een contract van continue aanpassing.

Bij dit alternatief wordt de persoonlijke pensioenrekening aan het einde van de loopbaan afgebouwd en omgezet in een levenslange annuïtaire uitkering. Deze omzetting kan geleidelijk plaatsvinden gedurende de periode voor pensionering, zodat de hoogte van de uitkering minder gevoelig is voor schokken op de financiële markten. Deze levenslange uitkering wordt vervolgens jaarlijks aangepast zoals beschreven bij alternatief 1.

Welke hete hangijzers zijn er nu?

De overgang naar een nieuw stelsel is niet eenvoudig. Allereerst omdat er veel verschillende belangen spelen, zowel binnen de pensioenfondsen (jongeren versus ouderen) als buiten de pensioenfondsen (werkgevers, werknemers en overheid) als tussen pensioenfondsen (ondernemingspensioenfondsen versus bedrijfstakpensioenfondsen).

Zo wil de nieuwe regering het pensioenstelsel hervormen tot een meer persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling (alternatief 2). De grote bedrijfstakpensioenfondsen lijken hier in principe positief tegenover te staan. Enkele ondernemingspensioenfondsen hebben zich echter juist tegen alternatief 2 uitgesproken (FD, 2017b).

Belangrijkste tegenargument voor alternatief 2 is dat de buffers in dit alternatief beperkt zijn en ook niet negatief kunnen worden. Dit zorgt ervoor dat het verwachte pensioen onder ongunstige economische omstandigheden lager kan uitvallen dan in het huidige systeem.

Uitdagingen verdeling pensioenfonds bij keuze persoonlijke pensioenrekening

Als er toch wordt gekozen voor alternatief 2 zijn er ook uitdagingen met het opdelen van het grote collectieve vermogen van een fonds in individuele pensioenpotjes. Het heeft wel iets van een echtscheiding, waarbij de hele inboedel tot op het laatste theelepeltje moet worden verdeeld. Er ontstaan hier direct intergenerationele discussies over welke generatie het meeste heeft bijgedragen aan het fonds en wie waar recht op heeft.

Hoe lager de dekkingsgraad, hoe lastiger het is om de boedel te verdelen. Er is dan immers een tekort dat moet worden verdeeld. Daarentegen denken wij dat bij een hoge dekkingsgraad de urgentie voor verandering afneemt.

De meest voor de hand liggende methode om de bestaande pot te verdelen is op basis van de reserveringen. In de vaststelling van de reserveringen speelt de rente een heel belangrijke rol. Een lage rente zorgt ervoor dat er veel moet worden gereserveerd en met name voor jonge deelnemers. Met het huidige verruimende beleid van de ECB zijn er kanttekeningen te plaatsen of de huidige lage rente representatief is en of dit dan het moment is om de boedel te scheiden. Het verbaast ons dan ook niet dat de 50+ partij een voorstel heeft gedaan om tijdelijk een bodem in de rente te plaatsen van 2 procent. Er hoeft dan minder te worden gereserveerd voor jongeren, zodat er meer overblijft voor degenen die al met pensioen zijn of binnenkort met pensioen gaan.

Wat vinden wij van de alternatieven?

Aan de hand van de kritiekpunten op het huidige systeem hebben wij de alternatieven beoordeeld.

Tabel 1: Oordeel pensioenalternatieven – ten opzichte van huidige stelsel
Tabel 1: Oordeel pensioenalternatieven – ten opzichte van huidige stelselBron: Rabobank

Stabiliteit

In het contract met continue aanpassing zullen de pensioenen sneller worden verhoogd en verlaagd dan in het huidige stelsel. Dit betekent dat de pensioenen sneller heen en weer zullen bewegen ten opzichte van het huidige systeem waarbij mogelijke kortingen pas in uiterste situaties worden toegepast.

Bij de persoonlijke pensioenrekening met collectieve buffer wordt de verwachte pensioenuitkering aanzienlijk volatieler. De mate van volatiliteit zal afhangen van de hoogte van de buffer. Bij lagere buffers zullen er grotere uitschieters in de pensioenuitkering zijn, zowel omhoog als omlaag.

Gezien het laatste alternatief een combinatie is van eerdere alternatieven zal ook dit alternatief voor meer volatiliteit zorgen dan we nu gewend zijn.

Alle alternatieven zorgen voor minder stabiliteit in de pensioenuitkomsten. Wij zien dit als belangrijk nadeel van alle alternatieven. Op dit punt scoort het huidige stelsel beter.

Transparantie

Op het gebied van transparantie zien wij bij het contract van continue aanpassing maar beperkt verbeteringen. Wij zien enkel verbetering in de manier waarop de pensioenen worden verhoogd of verlaagd. Deze methodiek is momenteel verschillend per pensioenfonds en zal in dit alternatief voor iedereen gelijk zijn.

Bij de persoonlijke pensioenrekening neemt de transparantie toe. In dit alternatief is direct zichtbaar wat er met de pensioenopbouw gebeurt. De toevoegingen van de premie en het rendement en de onttrekking van kosten en een mogelijk uitkering zijn voor de deelnemer direct inzichtelijk. Daarentegen is het minder inzichtelijk welke uitkering men hiervoor naar verwachting kan inkopen - er is wel een indicatief bedrag maar dit bedrag is met meer onzekerheid omgeven.

Het gecombineerde alternatief geeft tijdens de opbouw dezelfde transparantie als de persoonlijke pensioenrekening. Daarentegen wordt bij de uitkeringsfase gebruik gemaakt van het contract van continue aanpassing die minder transparant is. Om deze reden hebben wij op dit punt een lichte voorkeur voor de persoonlijke pensioenrekening.

Flexibiliteit

Wij staan positief tegenover het aanbieden van meer flexibiliteit. Het biedt de individuele deelnemer meer mogelijkheden om zijn gespaarde vermogen aan te wenden op een manier die aansluit bij de persoonlijke situatie. Flexibiliteit lijkt eenvoudiger te realiseren bij de persoonlijke pensioenrekening en het alternatief waarbij de combinatie wordt gebruikt Op dit punt hebben wij daarom een lichte voorkeur voor deze varianten.

Vertrouwen

Wij denken dat het jaarlijks aanpassen van het pensioen in het contract met continue aanpassing het vertrouwen in het pensioenstelsel niet zal vergroten. Integendeel, doordat de uitkering jaarlijks wordt bijgesteld, zullen deelnemers mogelijk sneller worden geconfronteerd met kortingen wat tot verder verlies van vertrouwen kan leiden. Ook bij een persoonlijke pensioenrekening zijn de pensioenuitkomsten naar verwachting volatieler. Wel leidt een persoonlijke pensioenrekening tot meer inzicht voor deelnemers; zij kunnen zien dat er voor hen een bedrag is gereserveerd. Of dit per saldo ook zal leiden tot een toename van vertrouwen is lastig te beoordelen. Het gecombineerde alternatief biedt enerzijds meer transparantie en flexibiliteit maar anderzijds wellicht ook meer complexiteit doordat twee systemen worden gecombineerd. Daarom vinden wij ook bij dit alternatief het lastig om te beoordelen of dit tot een toename van vertrouwen zal leiden.

Conclusie

Hoewel de discussie al jaren loopt, zien wij niet direct een alternatief dat alle kritiekpunten op het huidige systeem oplost. De nieuwe regering heeft aangegeven in 2020 een nieuw stelsel te willen implementeren. Gezien de onenigheid tussen alle betrokken partijen en de mogelijke overgangsproblematiek lijkt dit ons ambitieus. Ook indien er niet voor een van deze alternatieven wordt gekozen, gaat het pensioenstelsel op de schop: de door het kabinet gewenste afschaffing van de doorsneesystematiek brengt al de nodige transitieproblemen met zich mee.

Als er moet worden gekozen voor een nieuw pensioenstelsel denken wij dat het element van de persoonlijke pensioenrekening met collectieve buffer beter aansluit bij de maatschappelijke ontwikkelingen en betere handvaten geeft voor meer flexibiliteit en transparantie. De hoogte van de buffers en de mogelijkheid om de buffers negatief te laten worden, lijken hier belangrijke knoppen om de mate van intergenerationele solidariteit en daarmee de volatiliteit van het pensioen te optimaliseren.

Zowel de ‘pure’ persoonlijke pensioenrekening (alternatief 2) als de gecombineerde variant (alternatief 3) hebben naar onze mening zowel voor- als nadelen. Wij hebben daarom geen uitgesproken voorkeur voor één van deze varianten.

Voetnoten

[1] Er wordt ook gesproken over het afschaffen van de Ultimate Forward Rate (UFR) in de rentecurve gebruikt bij de discontering van de verplichtingen.

[2] Dit Lifecycle beleggen is gebruikelijk bij de bestaande beschikbare premieregelingen.

Bronnen

Financieel Dagblad (2017), SER komt pas na verkiezing met pensioenplan

Financieel Dagblad (2017b), Nieuw pensioenstelsel kent grotere risico’s dan het huidige

Kabinetsformatie (2017), Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017 – 2021 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie

RaboResearch (2017), Afschaffing doorsneesystematiek in pensioenregelingen: wat, waarom en hoe?

Sociaal Economische Raad (2015), Toekomst pensioenstelsel – SER advies

Sociaal Economische Raad (2016), Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling

Delen:
Auteur(s)

naar boven