RaboResearch - Economisch Onderzoek

Nieuwe spelregels kunnen monetair keurslijf van de eurozone minder knellend maken

Column

Delen:

Verschenen in het Financieele Dagblad, 20 mei 2017

De eurozone is voor een deel van haar leden een te strak keurslijf. Toetreding tot de eurozone betekent het aangaan van een monetaire unie met een paar zeer concurrerende economieën, te weten Duitsland en Nederland. Aangezien het aanpassen van de wisselkoers in een monetaire unie niet meer tot de mogelijkheden behoort, kunnen te sterk uiteenlopende concurrentieposities en daaruit voortvloeiende handelsonevenwichtigheden tussen de lidstaten alleen met binnenlandse aanpassingen worden gecorrigeerd. Deze aanpassingslast wordt alleen door de landen met grote tekorten op de lopende rekening van de betalingsbalans gedragen. De overschotlanden hebben in dit opzicht tijdens de eurocrisis hun rol niet adequaat gespeeld.

Internationale handel leidt tot specialisatie tussen landen. Dat zorgt voor hogere productiviteit en mondiale welvaartsstijging, al verloopt dit in de praktijk met de nodige fricties. De uitkomsten van de internationale handelsstromen, de saldi op de lopende rekening van de betalingsbalans, tellen mondiaal op tot nul. Tegenover ieder overschot staat elders een tekort. Landen met een groot overschot vormen dus net zo goed een onderdeel van een onevenwichtigheidsprobleem als een tekortland. Het probleem is echter dat -waar tekortlanden vroeger of later in de problemen komen wegens een ondraaglijke buitenlandse schuld- overschotlanden zelden aandrang voelen om hun overschotten terug te dringen. Integendeel, een overschot in het lopende verkeer wordt als een teken van kracht gezien, met vaak als ondertoon dat hoe hoger het overschot is, hoe beter dat is. Dit is een moderne variant van het aloude mercantilisme, waarbij het vergaren van zoveel mogelijk goud als een belangrijke beleidsdoelstelling werd gezien.

Als een tekortland met een eigen munt in de problemen komt kan het via devaluatie van zijn munt zijn concurrentiepositie verbeteren. Het betaalt daarvoor een prijs, want buitenlandse producten worden duurder, buitenlandse schulden in vreemde valuta worden hoger en meestal lopen inflatie en rente op. De overschotlanden zien hun valuta’s hierdoor appreciëren, waar zij automatisch ook bijdragen aan het terugdringen van de handelsonevenwichtigheden.

Hun concurrentiepositie verslechtert, waardoor hun export negatief wordt beïnvloed. En binnenlandse producenten ervaren meer concurrentiedruk vanuit goedkope invoer. De kern van dit betoog is dat, zolang de wisselkoers van landen kan worden aangepast, de aanpassingslast kan worden verdeeld tussen overschot- en tekortlanden, waarbij de omvang van de devaluatie de relatieve verdeling tussen tekort- en overschotland bepaalt. Dit mechanisme treedt op bij zwevende wisselkoersen, maar trad ook op onder de Gouden Standaard en onder het stelsel van Bretton Woods. Want onder die stelsels hoorden wisselkoersaanpassingen, zij het in overleg, altijd tot de beleidsopties.

In de eurozone kan dit niet meer, omdat er geen wisselkoersen meer zijn. Dan kan een land zijn relatieve concurrentiepositie alleen maar herstellen via zogeheten ‘interne devaluaties’, ofwel het verlagen van zijn kostenniveau. Dit is in de praktijk een moeizaam en langdurig proces met hoge maatschappelijke kosten. Overschotlanden zouden een bijdrage aan de herbalancering kunnen leveren via ‘interne revaluaties’, ofwel het doelgericht verhogen van hun kostenniveau, bijvoorbeeld door loonsverhogingen.

Nederland en Duitsland hadden er goed aan gedaan om bijvoorbeeld via een versnelde loonstijging hun binnenlandse bestedingen aan te jagen om op die manier een bijdrage aan het groeiherstel in de eurozone te leveren. Dit zou niet alleen de tekortlanden hebben geholpen bij hun aanpassingsproces, maar ook de welvaart in eigen land ten goede zijn gekomen. In plaats daarvan voerden ook zij een deflatoir beleid. Dat maakte de aanpassingen in de tekortlanden extra moeilijk. Het remde ook het groeiherstel in de eurozone na de crisis.

De eurocrisis leert dat het goed zou zijn om nieuwe beleidsregels op te nemen voor landen met grote spaaroverschotten (ofwel structurele onderbesteding). Tot dusver zijn dergelijke beleidsregels er niet en ligt de aanpassingslast volledig bij de tekortlanden. Daarmee is de eurozone meer rigide dan de stelsels van de Gouden Standaard en Bretton Woods. Niet alleen vergroot dit de problematiek voor de tekortlanden, maar de overschotlanden doen zichzelf ook tekort omdat het groeitempo onnodig laag wordt gehouden. Het instellen van evenwichtige spelregels voor overschot- en tekortlanden zou het leven voor allemaal een stuk vrolijker maken.

Delen:
Auteur(s)
Wim Boonstra
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 66617

naar boven