RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

De werkloosheid daalt rap in Nederland, en de overheid schrijft eindelijk zwarte cijfers

Economisch Kwartaalbericht

Delen:
Deze publicatie is verouderd. Bekijk de recentste editie

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

  • De Nederlandse economie groeit in 2017 met 2,2 procent en in 2018 met 1,9 procent
  • Internationale onzekerheden lijken afgenomen, wat gunstig is voor de export
  • Woninginvesteringen en consumptie van huishoudens dragen vooral dit jaar sterk bij aan de groei
  • De overheid had in 2016 voor het eerst in acht jaar weer een begrotingsoverschot en zal zijn schuld dit jaar naar verwachting zien krimpen tot onder de 60 procent van het bbp
  • Steeds meer Nederlanders vinden een baan, waardoor de werkloosheid sterk daalt

Inleiding

Het volume van de Nederlandse economie groeide vorig jaar met 2,2 procent, de grootste stijging sinds 2007. Ook dit jaar verwachten we een groei van 2,2 procent (zie tabel 1). Dat is relatief gelijk verdeeld tussen uitvoer naar het buitenland en binnenlandse bestedingen (zie figuur 1). De export blijft het fraai doen, ondanks internationale onrust, en het valt op dat investeringen in woningen ook dit jaar stevig groeien door de nog altijd sterk herstellende huizenmarkt. 

Ondanks een daling van de consumptie van huishoudens in het eerste kwartaal, verwachten we daarnaast dat de particuliere consumptie dit jaar de sterkste bijdrage levert aan de groei sinds de crisis van 2008, door het gestegen besteedbaar inkomen en het hoge vertrouwen van huishoudens. In 2018 zal de groei naar verwachting licht terugvallen tot 1,9 procent. Dat komt vooral door een lagere groei van de woninginvesteringen en particuliere consumptie. 

De Nederlandse banenmotor draait op volle toeren, wat wel blijkt uit de sterk stijgende werkgelegenheid. We verwachten dan ook dat de werkloosheid verder daalt, tot gemiddeld 4,5 procent in 2018. Tegelijkertijd kruipt de inflatie omhoog. Dit jaar komt dat voornamelijk door een stijging van de energie- en brandstofprijzen. Voor volgend jaar gaan we ervan uit dat de Nederlandse economie haar potentieel heeft bereikt, wat ook voor opwaartse prijsdruk zorgt.

Dat de Nederlandse economie volgend jaar de herstelfase achter zich laat en het weer van haar structurele groei-vermogen moet hebben, betekent ook dat de jaren van hoge inhaalgroei binnenkort voorbij zijn: na 2018 verwachten we dat de bbp-groei structureel rond de 1,2 procent zal liggen[1].

De overheid had afgelopen jaar voor het eerst sinds de crisis een begrotingsoverschot, en houdt komende jaren naar verwachting eveneens geld over. Dat zorgt ervoor dat de Nederlandse staatsschuld dit jaar waarschijnlijk weer onder de Europees afgesproken norm van 60 procent van het bbp duikt.

Figuur 1: Consumptie en export in de plus
Figuur 1: Consumptie en export in de plusNoot: Nederlands reëel bbp naar groeibijdragen. Deze bijdragen worden berekend door de import ten laste te brengen van de verschillende bestedingscomponenten
Bron: CBS, bewerking Rabobank
Tabel 1: Kerngegevens Nederland
Tabel 1: Kerngegevens NederlandBron: Rabobank

Voetnoot
[1] Zie een uitgebreidere analyse van de structurele groei.

Minder internationale onzekerheden; export stijgt

Nadat de Britten vorige zomer via een referendum lieten weten de Europese Unie de bons te willen geven en Amerikaanse kiezers een paar maanden later de protectionistische Donald Trump als president aanwezen, zat de schrik er bij de rest van de wereld goed in; zou die golf van anti-establishment ook Nederland, Frankrijk en Duitsland verzwelgen?

In deze drie landen is vooralsnog overwegend gekozen voor continuïteit en gematigdheid. Zo gaven Nederlanders bij de Tweede Kamerverkiezingen in maart premier Mark Rutte de kans om opnieuw een kabinet te vormen. Anderhalve maand later zag Marine Le Pen van het eurosceptische Front National het Franse presidentschap aan zich voorbij gaan, ten faveure van mondialist Emmanuel Macron. Op de dag dat hij werd beëdigd, won een paar honderd kilometer verderop in Duitsland de partij van bondskanselier Angela Merkel de verkiezingen in Noordrijn-Westfalen en Sleeswijk-Holstein. Eerder had haar partij ook al in Saarland gewonnen. De kans lijkt daarmee groot dat Merkel bij de landelijke verkiezingen in september voor een vierde maal Bundeskanzlerin wordt.

Van internationale onzekerheid is ook nog niets terug te zien in de Nederlandse cijfers: afgelopen kwartaal is het vijftiende op rij waarin het volume van de Nederlandse uitvoer van goederen en diensten is gegroeid. De uitvoer in de eerste drie maanden van 2017 was 0,9 procent groter dan in het laatste kwartaal van 2016, waarmee de exportsector 2017 sterker is gestart dan wij eerder hadden voorzien. Wij verwachten dan ook dat de export dit en volgend jaar een sterke bijdrage levert aan de bbp-groei (zie tabel 1). Dat is in lijn met de iets betere vooruitzichten bij belangrijke handelspartners als Duitsland en Frankrijk (zie ‘Blik op de wereld’).

De Nederlandse export zal naar verwachting overigens niet zo hard groeien als in de jaren vóór de economische crisis. Want hoewel afgenomen, is de onrust nog niet uit de lucht. De ‘Brexit’-onderhandelingen kunnen nog altijd een flinke wig drijven tussen de Europese Unie (EU) en het Verenigd Koninkrijk, de derde belangrijkste handelspartner van Nederland in toegevoegde waarde. Naar verwachting zwakt de groei van de Britse economie dit jaar bovendien wat af. Verder kan het wispelturige beleid van president Trump in de Verenigde Staten de Nederlandse uitvoer onder druk zetten.

Eerste begrotingsoverschot sinds de crisis

Na het spaaklopen van de formatiepoging begin mei tussen VVD, CDA, D66 en GroenLinks lijkt een nieuw kabinet en nieuw regeerakkoord nog ver weg. Maar het komende kabinet begint naar verwachting wel met een huishoudboekje dat beter op orde is: de overheid had in 2016 een begrotingsoverschot van ruim 2,9 miljard euro, 0,4 procent van het Nederlandse bbp. Het is voor het eerst sinds 2008, en slechts de vijfde keer deze eeuw, dat het Rijk minder uitgaf dan het binnenkreeg (zie figuur 2).

Hoewel de overheid meer uitgaf aan ambtenarensalarissen, zorgkosten en de AOW, vloeide er door de aantrekkende arbeidsmarkt en hogere bedrijfswinsten meer geld de staatskas in via inkomstenbelastingen en sociale premies. Het overheidssaldo valt daarmee iets gunstiger uit dan we vorig kwartaal kwartaal hadden voorzien.

Figuur 2: Staat houdt geldt over
Figuur 2: Staat houdt geldt overBron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 3: Bijna op Europese norm
Figuur 3: Bijna op Europese normBron: CBS, bewerking Rabobank

Ook de Nederlandse staatsschuld daalde: van 65,2 procent van het bruto binnenlands product in 2015 naar 62,3 procent in 2016. Dit komt deels doordat de economie groter is dan het jaar ervoor, deels omdat het Rijk afgelopen jaar heeft afgelost dankzij bijvoorbeeld de opbrengsten uit de verkoop van (delen van) ABN AMRO, verzekeraar ASR en vastgoedbedrijf Propertize. In absolute aantallen stond de Nederlandse overheid eind 2016 in totaal 434 miljard euro in het krijt, 7 miljard minder dan in 2015.

De staatsschuld is desondanks nog fors hoger dan in 2007, vóór de economische crisis. In dat jaar had de overheid een schuld van ‘slechts’ 262 miljard euro, net geen 43 procent van het bbp. Bovendien ligt de Nederlandse schuld boven het Europese streefcijfer van 60 procent, ofschoon we verwachten dat de overheidsfinanciën zich de komende kwartalen verder verbeteren. Dit jaar groeien de uitgaven aan de zorg en AOW-uitkeringen weliswaar, maar door de toenemende werkgelegenheid zal de overheid minder geld kwijt zijn aan werkloosheidsuitkeringen en juist extra inkomstenbelastingen en premies ontvangen.

Bij ongewijzigd beleid zal de overheid komende jaren naar verwachting dan ook een begrotingsoverschot houden, terwijl de staatsschuld naar verwachting dit jaar al onder de 60 procent van het bbp uitkomt. Het is te hopen dat een komend kabinet deze financiële ruimte niet gebruikt voor douceurtjes, maar investeert in het Nederlandse groeipotentieel.

Consumenten blijven uitgeven

In april steeg het consumentenvertrouwen naar het hoogste niveau sinds 2001, en ook in mei bleven consumenten optimistisch (zie figuur 4). Dit past bij het gestegen besteedbaar inkomen van huishoudens door de aantrekkende arbeidsmarkt en iets gestegen lonen. We hadden verwacht dat huishoudens het jaar daarom zouden beginnen door flink extra uit te geven. Dat viel wat tegen: afgelopen kwartaal lag de consumptie 0,1 procent lager dan in het kwartaal ervoor.

We verwachten dat de consumptie van huishoudens de komende kwartalen wel weer zal toenemen, en dat de particuliere consumptie dit jaar flink zal bijdragen aan de economische groei. Naast het hoge vertrouwen stijgt het besteedbaar inkomen van huishoudens door het toenemende aantal banen en de reële loonstijging. Voor dit jaar verwachten we een private consumptiegroei van 1,9 procent, in 2018 valt de groei licht terug tot 1,7 procent.

Figuur 4: Meer optimisten dan pessimisten
Figuur 4: Meer optimisten dan pessimistenBron: CBS, bewerking Rabobank

Op lange termijn blijft de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen wel zorgwekkend. In de afgelopen crisis dook het inkomen van veel Nederlanders omlaag, en ondanks de snel stijgende werkgelegenheid groeit het inkomen nu al langere tijd matig. Afgelopen maanden was de reële loongroei zelfs fors lager dan in de eerste maanden van 2016. Dit kan deels komen doordat de Nederlandse arbeidsmarkt, net als die in andere Europese landen, ruimer is dan de werkloosheidscijfers impliceren. Zowel de hoogte van het besteedbaar inkomen als de werking van de arbeidsmarkt heeft baat bij verkleining van de wig tussen nettoloon en werkgeverslasten.

Steeds meer mensen gezocht

Figuur 5: Meer banen in de bouw
Figuur 5: Meer banen in de bouwBron: CBS, bewerking Rabobank

Afgelopen kwartaal meldden bedrijven en overheden liefst 13.000 extra vacatures ten opzichte van het kwartaal ervoor, de sterkste stijging sinds 2006. Het is symptomatisch voor de rappe werkgelegenheidsstijging in Nederland, waar in de eerste drie maanden van het jaar 54.000 werkzame personen bijkwamen. Vergeleken met het eerste kwartaal van 2016 zijn er nu 183.000 meer mensen met een baan. De commerciële dienstensector, waar ook uitzendbureaus onder vallen, blijft het sterkst bijdragen aan de baangroei. Maar ook in de bouw gaan weer meer mensen aan de slag (zie figuur 5). Opvallend, want in de crisis sneuvelden in die sector nog tienduizenden banen.

Figuur 6: Vacatures versus werkloosheid
Figuur 6: Vacatures versus werkloosheidBron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 7: Langdurige werkloosheid
Figuur 7: Langdurige werkloosheidBron: CBS, bewerking Rabobank

De werkloosheid kwam in het eerste kwartaal van 2017 uit op gemiddeld 5,2 procent, tegenover 6,5 procent een jaar eerder. Door die stroomversnelling op de arbeidsmarkt hebben ook mensen die al langer dan een jaar zoeken naar werk vaker succes: de groep langdurig werklozen kromp afgelopen kwartaal met 12.000. De langdurige werkloosheid volgt nu, in tegenstelling tot enkele jaren geleden, dezelfde trend omlaag als de kortdurende werkloosheid. Kanttekening is wel dat het aantal mensen dat al langer dan een jaar zoekt naar een baan nog altijd fiks hoger is dan vóór de crisis (zie figuur 7).

Maar gelet op het economische herstel en het sterk gestegen aantal vacatures verwachten we dat de werkloosheid verder daalt naar 5,0 procent in 2017 gemiddeld, en 4,5 procent in 2018. Dit biedt hopelijk ook de groep mensen die al langer werkloos is uitzicht op een betaalde baan. Naar verwachting uit de werkgelegenheidsgroei zich bovendien in een hogere consumptie door huishoudens, omdat werkenden een hoger besteedbaar inkomen hebben dan werklozen.

Overigens valt er niet direct te verwachten dat de lonen hard zullen stijgen door de dalende werkloosheid. Deze neemt weliswaar rap af, maar in het eerste kwartaal van dit jaar waren er nog zo’n 2,7 werkzoekenden voor elke openstaande vacature. Dat is meer dan in de krappe arbeidsmarkt direct vóór de crisis. Toen was er voor elke vacature ruim één werkzoekende minder. Bovendien zijn er volgens het CBS nog 486.000 mensen die weliswaar een baan hebben, maar graag meer uren willen werken. Er zit dus nog wel wat ruimte op de arbeidsmarkt, waardoor de opwaartse loondruk meevalt. Dit geldt voor meer landen binnen Europa (zie het hoofdstuk Eurozone in dit Kwartaalbericht).

Vollere werkweek

Dat er in Nederland steeds meer behoefte is aan arbeid is te merken aan het aantal uren dat werkenden draaien: in het eerste kwartaal van 2017 waren er dik 2 procent meer Nederlanders met een fulltimebaan dan een jaar eerder, en onder deeltijdwerkers groeit de groep met grotere banen hard. Sinds het eerste kwartaal van 2016 kwamen er 88.000 parttimersbij, waarvan liefst 95 procent met een baan voor meer dan twintig uur per week (zie figuur 8).

Dat komt deels door het toegenomen aantal mannen dat in deeltijd werkt. In 2006 had iets minder dan 21 procent van de mannen een parttimebaan, tien jaar later was dat 26 procent. In hoeverre dit conjunctureel is bepaald of juist sociaal-cultureel (zoals meer mannen met een ‘papadag’) is niet bekend. Vergeleken met 2006 hebben vrouwen gemiddeld bovendien vollere werkweken, hoewel het aandeel vrouwen met een fulltimebaan in 2016 nog net zo klein was als tien jaar eerder: 25,3 procent in 2016 tegenover 25,9 in 2006 (zie figuur 10).

Figuur 8: Meer uren
Figuur 8: Meer urenBron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 9: Maar vaker flex
Figuur 9: Maar vaker flexBron: CBS, bewerking Rabobank

Opvallend is ook dat de trend van flexibilisering nog niet lijkt gestuit. De vrije val van het aantal werknemers met een vast contract is weliswaar onderbroken, maar nog dik 90 procent van de werkzame personen die er tussen de eerste kwartalen van 2016 en 2017 bijkwamen, zijn uitzendkrachten, hebben een (half-)jaarcontract of werken als zelfstandige (zie figuur 9). Het aandeel van flexwerk in de totale arbeidsmarkt groeide daardoor in dezelfde periode van 37,9 procent naar 39,1 procent.

Flexwerk zal komende jaren waarschijnlijk een grote rol blijven spelen, behoudens een koerswijziging van een nieuw kabinet, zoals het versoepelen van het ontslagrecht en het aanpakken van doorbetaling bij ziekte.

Figuur 10: Mannen iets vaker deeltijd, vrouwen nog altijd weinig voltijd
Figuur 10: Mannen iets vaker deeltijd, vrouwen nog altijd weinig voltijdBron: CBS, bewerking Rabobank

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

Delen:
Auteur(s)

naar boven