RaboResearch - Economisch Onderzoek

Lage werkloosheidscijfers maskeren onbenutte arbeidsreserve

Column

Delen:

Verschenen in het Reformatorisch Dagblad, 10 juni 2017

Nog maar 5,1% van de Nederlandse beroepsbevolking zit zonder werk. Daarmee is de werkloosheid terug op het niveau van 2006. De trend zet door: naar verwachting treedt er in 2018 een verdere daling op tot 4,5 procent. Steeds meer ondernemers staan te springen om vakmensen. Niet alleen in de ICT, maar ook in de horeca, industrie en zakelijke dienstverlening komen ze mensen tekort. Toch is de stijging van de reële lonen in veel bedrijfstakken de afgelopen drie jaar achtergebleven bij de arbeidsproductiviteit (RaboResearch, 2016). Economisch gezien lijken deze twee ontwikkelingen moeilijk met elkaar te rijmen. Want als arbeid schaars is, dan zou dat de prijs ervan - de lonen - toch moeten opdrijven?

Dat gebeurde voor de crisis wel. Werkgevers trokken alles uit de kast om medewerkers aan zich te binden. Sommigen organiseerden zelfs sollicitatiereisjes naar Londen of New York om high potentials te strikken, liefst nog voordat ze waren afgestudeerd. Anderen hielden sollicitatiegesprekken in de showroom van een autodealer. Wie werd aangenomen, reed nog dezelfde dag in een fonkelnieuwe leaseauto naar huis.

De starters van nu kunnen zich daar niets bij voorstellen. Na hun afstuderen komen zij vaker dan vroeger terecht in tijdelijk of uitzendwerk met een lager loon. Het inkomen van werkende twintigers is – gecorrigeerd voor inflatie en huishoudsamenstelling – de afgelopen tien jaar zelfs gedaald, zo berichtte het CBS deze week. En ook oudere werknemers die na een periode van werkloosheid weer een nieuwe baan vinden accepteren vaak een salaris dat (veel) lager ligt, volgens een onderzoek van het UWV (Volkskrant, 2015).

Misschien is er sprake van een vertragingseffect. Met de hoge werkloosheid van de crisisjaren nog vers in het geheugen zijn starters en herintreders al snel blij als ze een interessante baan vinden. Om een hoger salaris zullen ze niet meteen vragen. Maar degenen die de werkgevers wel voor het uitkiezen hebben zullen het salaris wel degelijk laten meewegen in hun beslissing. Denk aan mensen die al werk hebben maar van werkkring willen wisselen.

Een andere verklaring voor de beperkte loongroei is dat de schaarste niet zo nijpend is als hij lijkt. De werkloosheidscijfers van voor en na de crisis zijn namelijk niet één op één met elkaar te vergelijken. Onder de werkzame beroepsbevolking bevinden zich steeds meer zzp’ers; hun aantal is sinds 2000 explosief gestegen. Kort na de eeuwwisseling was de keuze voor zelfstandig ondernemerschap erg lucratief: de inkomsten van zelfstandigen stegen harder dan die van werknemers in loondienst. Maar tijdens de crisis kwam er een nieuwe groep zzp’ers bij: zij die uit noodzaak voor zichzelf begonnen omdat zij geen baan konden vinden. Zo verdwenen zij uit de werkloosheidscijfers, ondanks dat zij liever in loondienst werken of meer uren zouden willen draaien. Sinds het begin van de crisis is de inkomensontwikkeling van zelfstandigen dan ook achtergebleven bij die van werknemers (RaboResearch, 2014).

Het is daarom goed om ook naar andere indicatoren te kijken. Zo blijkt dat het aantal openstaande vacatures nu lager ligt dan in de jaren vlak voor de crisis. En voor elke vacature zijn er 2,7 werkzoekenden, terwijl dat er vlak voor de crisis nog maar 1,3 waren. Bovendien blijkt uit CBS-cijfers dat er naast een half miljoen werklozen ook bijna een half miljoen mensen zijn die wel werk hebben, maar liever meer uren zouden willen werken. Je zou dus kunnen stellen dat de werkloosheid pas echt laag is als dit onbenutte arbeidsreservoir weer grotendeels is leeggelopen.

Op korte termijn liggen er dus voor de meeste mensen nog geen sterk stijgende lonen, buitenlandse reisjes of sollicitatiegesprekken bij autodealers in het verschiet.

Delen:
Auteur(s)

naar boven