RaboResearch - Economisch Onderzoek

Zo krap is de Nederlandse arbeidsmarkt nog niet

Economisch commentaar

Delen:
  • De werkloosheid daalt hard in Nederland
  • Bedrijven hebben moeite om sommige vacatures in te vullen
  • Daardoor klinkt de roep om hogere lonen steeds luider
  • Maar de werkloosheid is nog niet heel laag in Nederland
  • Bovendien is er nog ‘verborgen werkloosheid’ en willen veel mensen meer uren werken

Introductie

Figuur 1: Matige loongroei
Figuur 1: Matige loongroeiDriemaandsgemiddelde
Bron: CBS

Wie de krant openslaat kan niet om de berichten heen waarin werkgevers verzuchten dat ze verlegen zitten om personeel: op de bouwplaats, in de zorg, bij de politie, in de ICT, op de terrassen van cafés. In het kielzog van het economische herstel is het aantal Nederlanders zonder baan afgelopen jaren dan ook flink geslonken, waardoor bedrijven moeite hebben een groeiend aantal vacatures in te vullen. Dan rijst al gauw de vraag wanneer de lonen stijgen. Overtreft de vraag naar werkenden het aanbod ervan, dan zou de prijs –de lonen– logischerwijs moeten stijgen.

Toch gebeurt dat slechts mondjesmaat (zie figuur 1). In de eerste jaren sinds 2014, toen het herstel op de arbeidsmarkt inzette, kropen de cao-lonen omhoog. Maar juist nu de nood bij veel werkgevers kennelijk hoog is, duikt de loongroei omlaag. Is de arbeidsmarkt wel echt zo krap als wordt beweerd? Dat lijkt van niet: de reguliere werkloosheid is nog hoger dan vóór de crisis, en ook aanvullende indicatoren wijzen erop dat er op de arbeidsmarkt nog wel wat ruimte zit. Hoewel een hoger besteedbaar inkomen [1] in Nederland wenselijk is, lijkt de arbeidsmarkt nog niet krap genoeg om vanzelf voor hogere loongroei te zorgen.

Bredere werkloosheid nog hoog

Afgelopen mei was nog zo’n 5,1 procent van de Nederlandse beroepsbevolking werkloos (zie figuur 2), tegenover 7,9 procent begin 2014. Ondanks die rappe daling zijn er nog fors meer werkloze Nederlanders dan in de krappe jaren pal voor de crisis, toen de werkloosheid zo’n anderhalve procentpunt lager was. De werkloosheid is ook nog altijd hoger dan de door ons geschatte evenwichtswerkloosheid van 4,5 procent.

Figuur 2: Hoger dan vóór de crisis
Figuur 2: Hoger dan vóór de crisisDriemaandsgemiddelde
Bron: CBS, bewerking Rabobank

Dat het zo krap nog niet is, geldt ook voor het deel van de bevolking dat officieel niet werkloos is, maar toch een rol speelt op de arbeidsmarkt. Het CBS geeft het stempel ‘werkloos’ namelijk alleen aan hen die actief zoeken naar een baan en ook binnen twee weken aan de slag kunnen. Zij vormen immers de meest voor de hand liggende groep die reageert als werkgevers een vacature online zetten. Maar de vijver waaruit bedrijven vissen is groter. Denk aan studenten die nog niet klaar zijn met hun opleiding maar alvast solliciteren, of mensen die weliswaar meteen zouden kunnen beginnen maar het zoeken naar een nieuwe baan beu zijn na eerder al verschillende keren te zijn afgewezen. Dit wordt ook wel de verborgen werkloosheid genoemd[2].

De Nederlanders die niet hebben gezocht of niet direct beschikbaar zijn, vormen een soort reservebank op de arbeidsmarkt. Gaat het de economie voor de wind, dan zal eerst de reguliere werkloosheid dalen. Op zijn beurt kan dat ontmoedigden bewegen om weer sollicitatiebrieven te sturen, waarmee ze hun plek op de reservebank verruilen voor een positie in de werkloze of zelfs werkzame beroepsbevolking. Dit is bijvoorbeeld de laatste jaren te zien: het aantal reguliere werklozen daalt al sinds 2014, maar pas een jaar later begon de groep die niet heeft gezocht of niet direct beschikbaar is te krimpen (zie figuur 3).

Daarom kijken we in figuur 4 naar het vierkwartaalsgemiddelde van de bredere werkloosheid: de reguliere werkloosheid vermeerderd met de Nederlanders op de reservebank. Te zien is dat die net als de reguliere werkloosheid nog ruim boven het niveau van 2008 ligt. In dat jaar kwam de bredere werkloosheid uit op zo’n 7,3 procent van de bredere beroepsbevolking (de beroepsbevolking plus het latente aanbod). In de afgelopen vier kwartalen was dat gemiddeld nog ruim 10 procent. Dat komt, naast de al eerder genoemde hogere reguliere werkloosheid, ook omdat het aandeel niet gezocht of niet beschikbaar hoger is dan voor de crisis: 4,8 procent nu tegenover 5,8 procent toen.

Figuur 3: Latent aanbod
Figuur 3: Latent aanbodVierkwartaalsgemiddelde 
Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 4: Lange weg te gaan
Figuur 4: Lange weg te gaanVierkwartaalsgemiddelde. De bredere beroepsbevolking bestaat uit de reguliere beroepsbevolking vermeerderd met de groep die niet heeft gezocht naar werk maar wel beschikbaar is en de groep die wel heeft gezocht maar niet direct beschikbaar is.
Bron: CBS, bewerking Rabobank

Ook in Europees verband

Dit is geen uniek Nederlands fenomeen: zowel de reguliere als de bredere werkloosheid ligt elders in Europa ook (fors) hoger dan aan de vooravond van de Grote Recessie die in 2008 losbarstte. Figuur 5 laat de verandering zien tussen 2008 en 2016 van de officiële en de bredere werkloosheidscijfers voor enkele Europese landen.

Wat opvalt is dat de bredere werkloosheid in vooral Nederland en Finland veel harder is toegenomen dan de reguliere werkloosheid. Dit betekent dat in deze landen de kloof tussen de reguliere werkloosheid en de bredere werkloosheid is gegroeid (zie ook figuur 6). In deze landen is de reguliere werkloosheid tussen 2008 en 2016 dus een minder accurate indicator geworden voor de krapte op de arbeidsmarkt. Zo is de laatste maanden in Nederland te zien dat het aantal mensen dat een baan vindt toeneemt, maar ook dat het arbeidsaanbod stijgt. Een deel van de reservebank wordt dus actief.

Figuur 5: Nederland in de Europese middenmoot
Figuur 5: Nederland in de Europese middenmootBron: CBS, Eurostat, bewerking Rabobank
Figuur 6: Grotere reservebank Finland en Nederland
Figuur 6: Grotere reservebank Finland en NederlandBron: CBS, Eurostat, bewerking Rabobank

Bovendien veel mensen die meer willen werken

Figuur 7: Parttime-potentieel
Figuur 7: Parttime-potentieelEerste kwartaal van 2017 Bron: CBS, Eurostat, bewerking Rabobank

Daarnaast is het goed om op te merken dat veel mensen die de afgelopen drie jaar aan de slag gingen een deeltijdbaan hebben. Dat kan een bewuste keuze zijn, denk aan mannen die in navolging van vrouwen vaker kiezen voor parttime, maar het kan ook conjunctureel zijn bepaald: bij gebrek aan voltijdbanen nemen mensen voorlopig genoegen met werk in deeltijd. In Nederland waren er in die groep in het eerste kwartaal van 2017 pakweg 486.000 mensen, ruim 5 procent van de beroepsbevolking (zie figuur 7). Zij hebben weliswaar een baan, maar zouden graag meer uren willen werken. Ook vanuit die hoek kan dus een deel van de stijgende vraag naar arbeid worden opgevangen.

Het kan dus nog wel even duren voordat de arbeidsmarkt krap genoeg is om vanzelf voor hogere loongroei te zorgen.

Voetnoten

[1] Daar ligt ook een belangrijke rol voor een nieuw kabinet, bijvoorbeeld door de wig tussen het nettoloon en de loonkosten voor werkgevers te verkleinen.

[2] Zo verborgen is die werkloosheid niet: het CBS houdt er gewoon cijfers over bij. Het statistiekbureau heeft daarnaast ook gegevens over Nederlanders die én niet beschikbaar zijn, én niet zoeken naar werk, maar hypothetisch gezien wel een baan zouden willen. In deze groep, die in 2016 uit zo’n 200.000 mensen bestond, zitten bijvoorbeeld vaker studenten en scholieren in een eerder stadium van hun opleiding, maar ook mensen van hoge leeftijd en mensen die (langdurig) ziek of arbeidsongeschikt zijn. Zij stromen naar verwachting minder snel door naar de beroepsbevolking. De groep ‘zoekt niet en kan niet’ kan dus weliswaar latent aanbod zijn op de arbeidsmarkt, maar naar verwachting in veel mindere mate dan de twee in de tekst genoemde groepen. Om die reden, en om internationale vergelijking eenvoudiger te maken, laten we deze groep in de rest van dit commentaar buiten beschouwing.

Delen:
Auteur(s)

naar boven