RaboResearch - Economisch Onderzoek

De Nederlandse industrie kan niet zonder Europa

Themabericht

Delen:
  • De Nederlandse maakindustrie produceert vooral voor de Europese markt
  • Duitsland en België zijn de belangrijkste handelspartners, voornamelijk voor de export
  • Sommige sub-sectoren van de industrie zijn relatief sterk afhankelijk van export naar het VK en moeten op de Brexit gaan anticiperen

Europa grotere afzetmarkt dan Nederland

De Nederlandse industrie is sterk afhankelijk van de export. De meeste afnemers van de industrie bevinden zich in de andere Europese landen. Gemiddeld wordt ongeveer 61 procent van alle industriële productie in ons land geëxporteerd. Daarvan gaat gemiddeld 43 procent naar landen in Europa, met uitschieters tot 80 procent voor bijvoorbeeld de chemische industrie. Over de periode 2000 tot 2014 is Europa de belangrijkste afzetmarkt geweest voor de gehele Nederlandse industrie (figuur 1). Zelfs in 2013, toen de afzet in Nederland een stuk sterker toenam dan de export naar Europa, ging nog steeds 30 procent meer output naar Europa dan naar de binnenlandse markt. Behalve van de export is de sector ook sterk afhankelijk van de import van buitenlandse producten. Daar is Europa relatief minder belangrijk. Gemiddeld wordt 57 procent van de totale aankopen in de sector geïmporteerd. Slechts 22 procent van de door de industriesector geïmporteerde goederen komt echter uit Europa.

Figuur 1: Europa belangrijkste afzetmarkt voor industrie
Figuur 1: Europa belangrijkste afzetmarkt voor industrieBron: WIOD (data over 2000-2014), Rabobank

De Nederlandse industrie is goed voor 13 procent van het bbp. Hiermee is Nederland een van de landen met een relatief kleine industriesector. De sector is dan wel relatief klein, maar de productiviteit is vergeleken met het buitenland erg hoog. De arbeidsproductiviteit in de Nederlandse industrie staat zelfs in de top drie van de wereld (VNO-NCW, 2016). De sterke groei van de arbeidsproductiviteit heeft mede dankzij digitalisering, automatisering en robotisering plaatsgehad. Een andere ontwikkeling in de industrie is het uitbesteden van werk. Voornamelijk ondersteunende processen worden uitbesteed aan andere sectoren. Voorbeelden hiervan zijn IT-diensten en R&D-labs. Door het uitbesteden van werk verschuiven banen van de industrie naar de dienstensector. Als gevolg hiervan krimpt de omvang van de industriële sector al decennia. Sinds 1995 is het aantal banen in de industrie afgenomen met ruim 18 procent. In 1995 was ruim 12 procent van alle werkzame personen actief in de industrie. In 2015 is dit gezakt tot onder de 9 procent (CBS, 2016). Door de eerder genoemde uitbestedingen doet het aantal banen gerelateerd aan de industrie zoals geapporteerd door het CBS echter geen recht aan de werkelijke situatie. Een niet onaanzienlijk deel van de banen in de dienstensector is gerelateerd aan industriële activiteit. (SER, 2016). De werkelijke bijdrage van de industrie aan ons bbp wordt dan ook geschat op 30 procent (VNO-NCW, 2016).

Tabel 1: Duitsland belangrijkste afzetmarkt industrie
Tabel 1: Duitsland belangrijkste afzetmarkt industrie
Bron: WIOD (data over 2014), Rabobank

Duitsland en België belangrijkste handelspartners voor industrie

Voor vrijwel alle deelsectoren van de Nederlandse industrie is Duitsland de grootste afnemer. Vooral de branches ‘chemische producten’, ‘cokesovenproducten en aardolieverwerking’ en ‘basis metaal’ exporteren grootschalig naar Duitsland. Gemiddeld genomen gaat een derde van de totale output van de Nederlandse industrie naar Duitsland (tabel 1). Na Duitsland zijn België, het VK en Frankrijk de grootste afnemers. Hieruit blijkt dat vooral omliggende landen belangrijk zijn voor de industriële export. Een vreemde eend in de bijt is de sector ‘reparatie en installatie van machines’. Deze sector exporteert slechts 13 procent van haar totale output, waarbij de grootste afzetmarkt Brazilië is (2 procent van de totale output).

Tabel 2: Import meer gespreid over de wereld
Tabel 2: Import meer gespreid over de wereld
Bron: WIOD (data over 2014), Rabobank

In tegenstelling tot de export is onze import niet zo sterk afhankelijk van producenten uit Europese landen. Nederlandse producenten in de industrie importeren weliswaar voornamelijk uit Duitsland (tabel 2), maar anders dan bij de export is Duitsland voor de import van industriële producten lang niet zo belangrijk. De branche die het meest importeert uit Duitsland is de ‘kunststofverwerkende industrie’ (17 procent). Gemiddeld genomen is onze belangrijkste handelspartner goed voor 13 procent van de import van onze industrie. Opvallend is dat de hightech industrie (computers, elektronische componenten en elektrische apparatuur) relatief veel importeert uit China en de rest van de wereld. Voor de computerindustrie valt Duitsland zelfs buiten de top drie van grootste inkoopmarkten. Dit is de enige branche waar Duitsland geen podiumplaats heeft. Verder zijn België en de VS belangrijke importmarkten voor de maakindustrie. In tegenstelling tot bij de export speelt Frankrijk geen grote rol voor de import in de individuele deelsectoren.

Figuur 2: Duitsland draagt het meest bij aan exportgroei Nederlandse industrie
Figuur 2: Duitsland draagt het meest bij aan exportgroei Nederlandse industrieBron: WIOD (data over 2000-2014), Rabobank

De oudere EU-lidstaten (zij die toetraden voor 2004 en gebruik maken van de euro) zijn de belangrijkste handelspartners voor onze industrie. Gemiddeld gaat 71 procent van de output die naar Europa wordt geëxporteerd naar deze landen. Door de jaren heen is de hoeveelheid geëxporteerde output naar alle landen in Europa sterk toegenomen. De exportgroei in de hele industrie wordt voornamelijk gedragen door de uitvoer naar Duitsland. Gemiddeld genomen is de totale export naar Europa de laatste jaren gegroeid met circa 7 procent per jaar. Een derde van deze groei kwam voor rekening van onze export naar onze oosterburen. In relatieve zin is de export naar Oost-Europa de laatste jaren echter sterker gegroeid dan die naar de andere handelspartners. Hierdoor is het aandeel van de oudere handelspartners in het totaal iets afgenomen. De bijdrage van de uitvoer naar de nieuwe lidstaten aan de totale exportgroei is echter nog relatief klein. Gemiddeld genomen dragen deze landen nog geen tiende procent bij aan de totale exportgroei van de industrie.

Box: Interne Markt en de euro

Lid zijn van de Economische en Monetaire Unie (EMU) brengt twee significante voordelen met zich mee voor de Nederlandse export. Het eerste voordeel is de Interne Markt. Deze Europese markt kent een vrij verkeer van handel, kapitaal, goederen en arbeid. Goederen binnen de Unie exporteren is hierdoor gemakkelijker, omdat de wetgeving is gestroomlijnd. Dit wil zeggen dat een producent geen aanpassingen aan producten hoeft door te voeren voordat hij deze exporteert naar andere lidstaten. Daarbij is Nederland onderdeel van de monetaire unie. In een monetaire unie gebruiken alle lidstaten dezelfde valuta, in dit geval de euro. De euro zorgt ervoor dat internationale transacties tussen eurolanden gemakkelijker en goedkoper zijn. Dit komt doordat er geen fluctuaties meer zijn in de wisselkoersen en doordat de transactiekosten voor het omwisselen van valuta zijn verdwenen. Overigens zijn niet alle leden van de Interne Markt ook lid van de EMU of eurozone. Zo zijn het VK, Zweden en Denemarken wel lid van de Interne Markt, maar hebben zij nog steeds hun eigen valuta. 

Politieke ontwikkelingen en marktintegratie

Behalve de voordelen van de Interne Markt zorgt deze integratie van internationale markten ook voor wederzijdse afhankelijkheid. De sterke connecties met het VK maakt sommige Nederlandse sectoren relatief kwetsbaar voor de Brexit. Een voorbeeld hiervan is de farmaceutische industrie. Deze branche exporteert 19 procent van de totale productie naar het VK. Dit is enkel directe export naar het VK, dus exclusief indirecte handelsstromen. Onder indirecte handelsstromen vallen goederen die via andere landen alsnog terecht komen bij het VK. Maar niet alleen de farmaceutische industrie wordt door de Brexit geraakt. Uit een eerdere publicatie van de Rabobank blijkt dat het merendeel van de maakindustrie een aanzienlijk deel van haar productie exporteert naar het VK (Rabobank, 2016).

Over het algemeen is de Nederlandse economie zeer sterk vervlochten met de economieën van onze belangrijkste handelspartners in Europa. Ons land profiteert sterk van de Interne Markt. Daarbij heeft de gemeenschappelijke munt onze export naar de rest van de eurozone geen windeieren gelegd. Een eventueel uittreden van ons land uit de Interne Markt zou onze industriële handel met onze belangrijkste handelspartners relatief zwaar treffen.

Literatuur

CBS (2016) Arbeidsvolume naar bedrijfstak. Statline.cbs.nl, 24 juni 2016

VNO-NCW (2016) Directe belang van industrie in Nederland. Vno-ncw.nl, januari 2016

SER (2016) Mens en technologie samen aan het werk. Ser.nl, oktober 2016

Delen:
Auteur(s)
Georges de Boeck
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven