RaboResearch - Economisch Onderzoek

De balletdanser en de stukadoor

Column

Delen:

Verschenen in het Reformatorisch Dagblad, 18 februari 2017

Er waren eens een balletdanser en een stukadoor. Ze leken veel meer op elkaar dan u misschien denkt. Ze deelden de liefde voor hun vak, waren bereid keihard te werken en streefden altijd naar perfectie. En ook wisten zij allebei dat er aan hun werk op enig moment een einde zou komen. Want een zwaar beroep houd je niet je hele leven vol.

Een danser moet zelfs al vóór zijn veertigste verjaardag uitkijken naar ander werk. Dat betekent vaak omscholen naar een totaal ander beroep. Om die metamorfose mogelijk te maken, heeft de Nederlandse danswereld ruim dertig jaar geleden een prachtige regeling ingevoerd. Dansers en de gezelschappen waar zij werken dragen maandelijks vier procent van het inkomen of honorarium af aan een scholingsfonds (stichting Omscholing Dansers Nederland). Het fonds ontvangt ook een overheidssubsidie. Aan het eind van de danscarrière keert het fonds geld uit voor omscholing. Aan de kosten van levensonderhoud is eveneens gedacht. Dansers die recht hebben op een werkloosheidsuitkering mogen studeren met behoud van uitkering; daarover zijn afspraken gemaakt met het UWV. Daarna kunnen zij een vervangende uitkering van het fonds krijgen, afhankelijk van de duur van hun danscarrière en hun bijdrage aan het fonds. Zo kunnen zij zelfs een langere periode voltijds studeren. Kortom, dansers hebben hun omscholing tot in de puntjes geregeld.

Bij stukadoors ligt het iets anders. Een veertigjarige stukadoor kan meestal nog heel wat jaren vooruit. Hij heeft vaak een goed inkomen en hoopt zijn werk zo lang mogelijk vol te kunnen houden. Aan omscholen denkt hij niet. Misschien zet hij extra geld opzij om straks eerder te stoppen met werken. Maar weet de nu veertigjarige stukadoor dat hij waarschijnlijk pas na zijn zeventigste AOW krijgt? Wat als hij op zijn zestigste arbeidsongeschikt raakt? Een stukadoor in loondienst zal dan een beroep doen op de WIA. Als hij werkt als zelfstandige kan hij proberen meer variatie aan te brengen in zijn werkzaamheden. Ook kan hij zelf een arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten. Maar helaas hanteren verzekeraars voor de zwaarste beroepen vaak een eindleeftijd van zestig jaar, daarna is er alleen een heel sobere ‘vangnetverzekering’, met een uitkering op bijstandsniveau. Economisch gezien is dat begrijpelijk, want als de kans dat je als verzekeraar moet uitkeren zo hoog is dat het bijna een zekerheid is, dan schiet de premie zo snel omhoog dat een verzekering meer op een spaarplan lijkt. Begrijpelijk, maar wel uitermate vervelend voor de stukadoor.

Dus is ‘flink zijn en gewoon hard doorwerken’ wel zo verstandig voor de stukadoor van in de veertig? Of kan hij beter net als de danser op tijd weer in de schoolbanken duiken? Als hij werknemer in loondienst is, kan hij waarschijnlijk gebruikmaken van een scholingsbudget van zijn werkgever of het sectorgebonden Opleidings- en Ontwikkelingsfonds. Is hij werkzaam als zelfstandige dan heeft hij, net als iemand die werkloos is, recht op een scholingsvoucher van het UWV ter waarde van € 2.500. Hiermee kan hij zich omscholen naar een kansrijk beroep. Kost de opleiding meer, dan is lenen ook een optie: vanaf komend najaar kan iedereen tot 55 jaar een ‘levenlanglerenkrediet’ krijgen voor het betalen van lesgeld. Er zijn dus heel wat regelingen. Al halen zij het niet bij het fonds van de dansers, want in de kosten van levensonderhoud voorzien zij niet.

Nu bent u vermoedelijk geen danser of stukadoor en heeft u waarschijnlijk een beroep dat fysiek een stuk minder zwaar is. Toch is het maar de vraag hoe lang u en ik ons werk vol kunnen houden. Door de steeds verdergaande automatisering zullen banen verdwijnen of ingrijpend veranderen. Hoeveel mensen dat precies zal raken, is nog onduidelijk. Maar al met al gaan we wel steeds meer op de balletdanser en de stukadoor lijken. Ook voor ons wordt ‘gewoon doorgaan’ in ons huidige werk minder vanzelfsprekend en we zullen dus op tijd moeten nadenken over onze eigen inzetbaarheid. Zo werken we hopelijk nog lang en gelukkig.

Delen:
Auteur(s)

naar boven