RaboResearch - Economisch Onderzoek

Een productiever Nederland? Focus op de middenmoot van bedrijven

Themabericht

Delen:
  • Ondanks de klinkende economische kwartaalcijfers valt de groei in Nederland na 2018 waarschijnlijk terug
  • Dit komt doordat de arbeidsproductiviteit minder snel toeneemt dan in het verleden
  • Verschillen in arbeidsproductiviteit tussen bedrijven bieden een kans
  • Sectoren kennen vaak een kleine kopgroep van bedrijven met een hoge arbeidsproductiviteit en een grote groep volgers met een lagere arbeidsproductiviteit
  • De totale arbeidsproductiviteit kan fors worden verhoogd door de groep middenmoters binnen sectoren te helpen om zich te verbeteren

Economie groeit langzamer na 2018

De economische cijfers van het tweede kwartaal waren uitzonderlijk goed. Met anderhalf procent groei was het een van de drie beste economische kwartalen sinds de eeuwwisseling. Huishoudens laten het geld weer rollen, bedrijven vinden in het buitenland weer gretig aftrek van hun goederen en diensten en de huizenprijzen naderen het piekniveau van voor de crisis.

Na 2018 ziet het er vooralsnog minder rooskleurig uit. Dan heeft Nederland de schade van de crisis ingelopen en is de overcapaciteit weg. Dat betekent ook dat de sterke inhaalgroei die we nu zien straks voorbij is. De economie moet dan terugvallen op haar structurele groei, die wij op 1,2 procent schatten. Die groei kan maar op twee manieren omhoog: hogere productiviteit of een groter arbeidsaanbod.

Die laatste is lastig: de verhoging van de AOW-leeftijd en de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen (CPB, 2014) kunnen de vergrijzing niet tegenhouden. De groei van het arbeidsaanbod stagneert de komende jaren dan ook. De toekomstige economische groei moet dus vooral van hogere arbeidsproductiviteit komen. Maar hoe zorgen we daarvoor?

Wat maakt een bedrijf productief?

Bedrijven zijn de bouwstenen van de economie. Maar de ene onderneming is de andere niet; sommige bedrijven zijn per werknemer productiever dan anderen. De gemiddelde arbeidsproductiviteit verhult daarom een grote verscheidenheid aan productiviteit tussen bedrijven. Het is daarom nuttig om te kijken welke bedrijven er uitspringen, en welke bedrijven achterblijven.[1]

De gegevens die we gebruiken beslaan uitgebreide financiële informatie van ongeveer 4.500 bedrijven in verschillende sectoren in Nederland.[2] We kijken naar data voor het jaar 2015. Kijken we naar de verdeling van de arbeidsproductiviteit over verschillende bedrijven, waarbij productiviteit gedefinieerd is als toegevoegde waarde per FTE, dan vallen een paar zaken op (figuur 1).

De mediaan (middelste waarde) ligt onder het gemiddelde. Er is een kleine groep bedrijven met een hoge productiviteit en een grote groep bedrijven met een lagere productiviteit. Dat betekent dat de meerderheid van bedrijven benedengemiddeld presteert.

Voor een deel komt dit door verschillen in productiviteit tussen de sectoren waarin deze bedrijven vallen. In de industrie wordt bijvoorbeeld vaker met machines gewerkt dan in de zakelijke dienstverlening, wat tot een gemiddeld hogere arbeidsproductiviteit leidt. Toch ontlopen de sectoren elkaar niet veel wat productiviteit betreft. Als we sectoren uitsplitsen naar individuele bedrijven, blijkt iedere sector een kleine groep koplopers te bevatten, en een grote middenmoot (figuur 2).

Figuur 1: De meeste bedrijven in Nederland scoren benedengemiddeld qua productiviteit
Figuur 1: De meeste bedrijven in Nederland scoren beneden het gemiddelde qua productiviteitBron: Amadeus Dataset, berekeningen Rabobank
Figuur 2: Productiviteitsverschillen tussen sectoren zijn kleiner dan vaak gedacht
Figuur 2: Productiviteitsverschillen tussen sectoren zijn kleiner dan vaak gedachtBron: Amadeus Dataset, berekeningen Rabobank

Waarom zijn sommige bedrijven productiever dan anderen?

Wat zorgt er binnen zo’n sector dan eigenlijk voor dat het ene bedrijf met minder mensen meer goederen en diensten kan leveren dan een concurrent? Naar dit onderwerp is veel onderzoek gedaan, waaruit meerdere mogelijke verklaringen naar voren komen (Syverson, 2011). Zo is het duidelijk dat de verschillen vaak niet afhankelijk zijn van de sector, maar van andere factoren. Om een voorbeeld te geven: bedrijven die zich op de export richten en bedrijven in buitenlandse handen zijn gemiddeld productiever dan concurrerende bedrijven binnen hun bedrijfstak (Wagner, 2007). De causaliteit is hier niet eenduidig, maar mogelijk helpt blootstelling aan buitenlandse concurrentie of helpen buitenlandse ideeën bedrijven om hun productiviteit te verhogen.

Een andere belangrijke factor is de kwaliteit van het management. Uit internationaal onderzoek blijkt dat dit fors verschilt tussen bedrijven, wat een effect heeft op de arbeidsproductiviteit (Bloom en van Reenen, 2007). Het gaat er hier bijvoorbeeld om of het management heldere en zinvolle doelen stelt en een strak HR-beleid voert.

Als laatste worden best practices binnen sectoren vaak impliciet doorgegeven van bedrijven met een hoge productiviteit aan bedrijven met een lagere productiviteit. Dit helpt die laatste groep om zich op te trekken aan de koplopers. De mate waarin deze ‘diffusie’ van ideeën plaatsvindt, bepaalt voor een groot deel hoe verschillen tussen bedrijven binnen sectoren zich ontwikkelen (OECD, 2015). 

Hoe maken we van zessen zevens?

Zou de middenmoot van de bedrijven aansluiting vinden bij de koplopers, dan kan dit een flinke impact hebben op de arbeidsproductiviteit. Stel bijvoorbeeld dat de bedrijven uit het onderste kwartiel de gemiddelde productiviteit van het derde kwartiel hebben, en de productiviteit van bedrijven uit het derde kwartiel zich ontwikkelt tot die in het tweede kwartiel. De totale gemiddelde arbeidsproductiviteit zou dan met 14 procent stijgen.[3]

Maar hoe zorgen we dat bedrijven zich inderdaad op zo’n manier ontwikkelen? De eerste stap is bewustwording: zoals de meeste automobilisten denken dat ze bovengemiddeld goed kunnen rijden (Svenson, 1980), denken de meeste ondernemers wellicht dat hun bedrijf bovengemiddeld productief is. Met hulp van benchmarking tools kunnen bedrijven inzien of dit ook echt zo is, en kunnen ze hun relatieve positie binnen de sector bepalen.[4]

Daarna is tijd voor ondernemers om aan de bak te gaan: onderzoek laat zien dat de kwaliteit van het management medebepalend is voor de gemiddelde arbeidsproductiviteit binnen bedrijven (Bloom en van Reenen, 2007) Daarom is continue scholing van ondernemers van groot belang, want goed management op het gebied van bijvoorbeeld strategie, HR of financiën is te leren.[5]

Daarbij zou een bedrijf met een lagere productiviteit ook aan een mentor kunnen worden gekoppeld, in dit geval een bedrijf met een hogere productiviteit. Bedrijven kunnen op die manier elkaar best practices bijbrengen, zodat de diffusie van ideeën van bedrijven met een hoge productiviteit naar bedrijven met een lagere productiviteit beter op gang komt. Natuurlijk zullen concurrenten weinig geneigd zijn om elkaar daarin te helpen. Gelukkig hoeven mentor en mentee niet per se in dezelfde sector te zitten: belangrijke oorzaken van productiviteitsverschillen, zoals managementkwaliteit, hangen namelijk niet af van specifieke sectoren. Bovendien kan een bedrijf met een hoge productiviteit bijvoorbeeld baat bij een productievere en efficiëntere toeleverancier hebben, waardoor er zelfs binnen een sector animo kan zijn voor uitwisseling van best practices (Haldane, 2017).

We hoeven ons er dus niet bij neer te leggen dat de Nederlandse economie na 2018 naar verwachting nog maar mondjesmaat zal groeien. Door op zoek te gaan naar creatieve manieren waarop we de arbeidsproductiviteit kunnen verhogen, zorgen we ook in de toekomst voor economische groei. En de aandacht mag in die zoektocht best uitgaan naar wat nu nog de middenmoot van het bedrijfsleven is.

Voetnoten

[1] Haldane (2017) doet een soortgelijke exercitie voor Britse bedrijven.

[2] De gegevens komen uit de Amadeus Dataset. Met dank aan Lisa Hoving voor het beschikbaar stellen van deze data. Grotere bedrijven zijn ietwat oververtegenwoordigd in de gegevens die we gebruiken.

[3] Een nog stevigere stijging krijgen we als we alle beneden gemiddeld scorende bedrijven naar het gemiddelde krijgen. Dan stijgt de totale arbeidsproductiviteit met maar liefst 22 procent. Dit is niet haalbaar, maar indicatief voor het potentieel van de middenmoot.

[4] Rabobank heeft hiervoor Cijfers en Trends.

[5] Voor ondernemers heeft Rabobank hiervoor de Rabobank Ondernemers Academie opgezet.

Literatuur

Bloom, N. en van Reenen, J. (2007). Measuring and Explaining Measurement Practices Across Firms and Countries. Quarterly Journal of Economics, 122, 1351-1408.

CPB (2014). Arbeidsaanbod tot 2060, CPB Achtergronddocument.

Haldane, A. (2017). Productivity Puzzles, Bank of England.

OECD (2015). The Future of Productivity.

Swenson, O (1981). Are We All Less Risky and More Skillful Than Our Fellow Drivers? Acta Psychologica, 47, 143-148.

Syverson, C. (2011). What Determines Productivity? Journal of Economic Literature, 49, 326-365.

Wagner, J. (2007). Exports and Productivity: A Survey of the Evidence from Firm-Level Data. The World Economy, 30, 60-82

Delen:

naar boven