RaboResearch - Economisch Onderzoek

Afname vertrouwen in EU verklaard: gevoel zegt meer dan harde cijfers

Special

Delen:

Een verkorte versie is verschenen op MeJudice, 21 augustus 2017

  • Het anti-EU sentiment is sinds de crisis toegenomen
  • Dat komt eerder doordat mensen een slechter gevoel hebben bij hun (economische) situatie dan doordat de economie er feitelijk slechter voor staat
  • Om het anti-EU geluid te stoppen moeten beleidsmakers daarom aandacht besteden aan hoe mensen hun situatie ervaren
  • Dit is belangrijk. Des te minder burgers de EU vertrouwen, des te kleiner de kans op goede en betere samenwerking tussen lidstaten en des te groter de kans op protectionistisch beleid in lidstaten
  • Juist voor de van handel afhankelijke Nederlandse economie zou dergelijk beleid schadelijk zijn

Le Pen, Wilders en Nigel Farage hebben in ieder geval één ding met elkaar gemeen: ze hebben recent successen behaald door in te spelen op nationalistische gevoelens. De globalisering, open grenzen en de Europese Unie dan wel de euro moeten het in hun retoriek ontgelden. Le Pen werd niet de nieuwe Franse president, maar kon wel rekenen op maar liefst 34 procent van de stemmen. Wilders werd niet onze nieuwe minister-president, maar zijn PVV behaalde wel een flinke zetelwinst en is nu de tweede partij. En Farage heeft de politiek alweer verlaten, maar had met zijn campagne voor een Brexit wel een belangrijk aandeel in de ‘Leave-uitkomst’ van het Brexit-referendum.

Hoewel nationalistische populisten in vrijwel geen enkele EU-lidstaat de absolute macht hebben, hebben zij door hun grote achterban wel degelijk een belangrijke invloed op nationaal en Europees beleid. Ook omdat gevestigde partijen regelmatig een deel van hun retoriek overnemen, om verloren steun terug te winnen onder de bevolking. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de voormalige Britse premier Cameron die het volk een Brexit-referendum beloofde, ook al is hij zelf voorstander van de EU.

Nationalistisch en protectionistisch beleid in Nederland of zijn handelspartners schaadt de van handel afhankelijke Nederlandse economie. Met het uiteenvallen van de Europese (en Monetaire) Unie als ultiem risico. Zolang lidstaten zich niet gesteund voelen door hun bevolking, is de kans op betere Europese samenwerking op belangrijke dossiers klein. Hoe groter en langduriger de frustratie over de EU, hoe groter het risico op een ongecoördineerde afbrokkeling van de Unie. In dit licht is ook stilstand achteruitgang; doormodderen leidt uiteindelijk tot afbrokkeling

Bent u geneigd de EU te vertrouwen, of niet?

Hoe kunnen we de onvrede over de EU verklaren? Is deze te verklaren door jaren van economische achteruitgang en stilstand (zoals Clinton in 1992 tegen de kiezers zei, “it’s the economy, stupid”), of moeten we breder kijken?

Er bestaat veel literatuur over de oorzaken van EU-scepticisme. De huidige literatuur vindt voornamelijk oorzaken in macro-economische variabelen[1], nationaal identiteitsgevoel[2] en een laag vertrouwen in nationale politiek en instituties in het algemeen[3].

Figuur 1: Verloop van EU-sentiment door de jaren heen
Figuur 1: Verloop van EU-sentiment door de jaren heenNoot: Ongewogen gemiddelde. Noord-Europa: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Finland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Sweden, Verenigd Koninkrijk. Zuid-Europa: Cyprus, Griekenland, Italië, Portugal, Spanje. Midden- en Oost-Europa: Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Tsjechië.
Bron: Eurobarometer van de Europese Commissie, Macrobond, bewerking Rabobank.

Ons onderzoek maakt onderscheid tussen harde en zachte variabelen als verklaring voor vertrouwen in de EU. Harde economische variabelen zeggen iets over de feitelijke situatie waarin een land zich bevindt. Bij harde economische variabelen kan worden gedacht aan inkomens- en werkloosheidscijfers. Zachte variabelen zeggen iets over het gevoel dat mensen hebben bij de situatie waarin een land zich bevindt. Denk hierbij aan algehele tevredenheid van mensen of de tevredenheid met hun werksituatie. De laatste soort variabelen geven met andere woorden inzicht in hoe mensen hun (economische) situatie daadwerkelijk ervaren. Dit kan namelijk afwijken van wat macro-economische cijfers ons proberen duidelijk te maken.

Als afhankelijke variabele die we willen verklaren, gebruiken we het antwoord op de vraag “Bent u geneigd de EU te vertrouwen of niet?” uit de Eurobarometer van de Europese Commissie. Meer specifiek, de afhankelijke variabele is het percentage van de respondenten per land dat aangeeft geneigd is de EU te vertrouwen. In de jaren na het uitbreken van de financiële crisis nam het vertrouwen in de Europese Unie af. Ondertussen kan de EU weer op meer steun rekenen dan tijdens het dieptepunt, maar het vertrouwen is zeker nog niet hersteld (figuur 1).

Het model

In ons onderzoek gebruiken we een econometrisch model om de invloed van harde en zachte variabelen op het vertrouwen van een land in de EU in kaart te brengen. De specifieke modelspecificaties en aannames zijn te vinden in de appendix. In het model corrigeren we ervoor dat het niveau van vertrouwen kan verschillen tussen landen en ook in verschillende jaren. Zo kunnen specifieke gebeurtenissen in een bepaald jaar in alle landen het sentiment jegens de EU vergroten of verkleinen (in figuur 1 bijvoorbeeld in 2007). Daarnaast nemen we vanuit de literatuur twee variabelen mee: het vertrouwen van de bevolking in de eigen overheid en in hoeverre mensen zich vooral verbonden voelen met hun land in plaats van met de EU.[4]

Resultaten: hard versus zacht

Wat is de invloed van werkloosheid op het EU-sentiment? Het ligt in de lijn der verwachting dat als een land een hogere werkloosheid kent, de bevolking minder vertrouwen heeft in de EU (of de eigen overheid). Dit komt ook overeen met resultaten uit eerder werk[5]. In onze resultaten vinden we echter geen significante relatie tussen werkloosheid en vertrouwen in de EU. Dit kan betekenen dat een hogere werkloosheid het EU-sentiment niet (voldoende) beïnvloedt of dat dit voornamelijk wordt afgewenteld op de eigen overheid (zie ook box 1).

De volgende harde economische variabele die we gebruiken, is bbp per hoofd van de bevolking. Economen gebruiken dit als maatstaf voor het gemiddelde inkomen in een land. Het is van tevoren niet duidelijk of die invloed positief of negatief is. Vanuit het idee dat overheidsinstanties positief bijdragen aan het gemiddelde inkomen van een land[6] verwachten we enerzijds dat het gemiddelde inkomen bijdraagt aan vertrouwen in de EU. Anderzijds kan het ook zijn dat landen met een hoog gemiddeld inkomen vrezen hun rijkdom te verliezen aan de EU. In dat geval verwachten we een negatief effect. We vinden echter geen invloed van bbp per hoofd op het vertrouwen in de EU. Om de relatie tussen inkomen en vertrouwen in de EU meer direct te schatten, hebben we ook gebruik gemaakt van de variabele besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking. We zien dat besteedbaar inkomen over het algemeen een positief effect heeft op vertrouwen in de EU, maar dit effect is niet voor alle specificaties significant.

Met harde economische variabelen alleen lukt het ons dus niet om het vertrouwen in de EU te verklaren. Daarom onderzoeken we of zachtere variabelen, zoals verzameld aan de hand van enquêtes, meer kunnen verklaren. Hiervoor gebruiken we het subjectieve equivalent van de voorgaande variabelen werkloosheid en bbp per hoofd. Dit zijn respectievelijk het antwoord op de vraag “verwacht u dat uw werksituatie het komende jaar verbetert, gelijk blijft of verslechtert” en ”bent u over het algemeen tevreden met het leven dat u leidt”. Deze variabelen blijken wél significant in de meeste specificaties. Met name een hogere tevredenheid over het eigen leven hangt sterk samen met een beter gevoel bij de EU.

Box 1: Doet werkloosheid er dan écht niet toe? Crisislanden versus niet-crisislanden

Dat we voor de EU als geheel geen significant effect vinden voor werkloosheid, betekent niet dat deze nergens van belang is voor het verklaren van vertrouwen in de EU. Zo zou je verwachten dat de verklaring voor het vertrouwen in de EU afwijkt voor lidstaten die het hardst zijn geraakt door de recente economische en financiële crisis.

Met onze methodologie kunnen we niet op individueel landniveau kijken naar het effect van variabelen op het vertrouwen in de EU. Maar dit neemt niet weg dat er signalen zijn die erop wijzen dat er wel degelijk verschillen bestaan tussen lidstaten. Figuur 2 en 3 laten de correlaties zien tussen vertrouwen in de EU en werkloosheid voor respectievelijk crisislanden en niet-crisislanden: de correlatie tussen veranderingen in het vertrouwen in de EU en veranderingen in de werkloosheid is significant voor crisislanden(correlatie = -0,49), maar niet significant voor niet-crisislanden (correlatie = -0,09).[7] Dit lijkt er op te wijzen dat werkloosheid over het algemeen niet van belang is, maar voor landen die hard zijn getroffen door de crisis juist wél een belangrijke verklaring vormt voor het afnemende vertrouwen in de EU.

Figuur 2: In crisislanden is er wél een significante relatie tussen werkloosheid en vertrouwen in de EU
Figuur 2: In crisislanden is er wél een significante relatie tussen werkloosheid en vertrouwen in de EUBron: eigen berekeningen Rabobank
Figuur 3: In niet-crisislanden is er geen significante relatie tussen werkloosheid en vertrouwen in de EU
Figuur 3: In niet-crisislanden is er geen significante relatie tussen werkloosheid en vertrouwen in de EUBron: eigen berekeningen Rabobank

It’s not just about the economy, stupid!

Harde economische variabelen die de feitelijke staat van de economie weerspiegelen zijn niet genoeg om het verslechterde vertrouwen in de EU te verklaren. Sterker nog, volgens ons onderzoek bestaat er geen significant verband tussen de twee. Zachtere (economische) variabelen kunnen wel een deel van het (verloren) vertrouwen in de EU verklaren. Om het vertrouwen in de EU te vergroten zouden beleidsmakers er dus goed aan doen om meer aandacht te besteden aan hoe mensen de (economische) situatie in een land ervaren. Het lastige is echter dat deze wetenschap weinig handvatten biedt om economisch beleid te voeren. De tevredenheid van mensen zelf wordt waarschijnlijk ook bepaald door meerdere factoren. Denk hierbij aan hardere economische factoren, maar ook aan de invloed van media, onderwijs en politici. Daarnaast beïnvloeden instituties als media, onderwijs en politici vermoedelijk ook rechtstreeks het vertrouwen in de EU. Feit blijft dat, om het vertrouwen in de EU te vergroten, beleidsmakers er goed aan zouden doen verder te kijken dan de gangbare economische variabelen, in lijn met een brede kijk op welvaart (Rijpma e.a., 2017). Steun voor de EU is nodig voor een goede samenwerking tussen lidstaten. Juist voor een open economie als de Nederlandse is een goed functionerende EU met vrij handelsverkeer van belang.

Appendix

Tabel 1: Gebruikte data en bronnen
Tabel 1: Gebruikte data en bronnen

Tabel 1 geeft een overzicht van de variabelen die zijn gebruikt in de analyses. De afhankelijke variabele, vertrouwen in de EU, is afgeleid van een enquête die de afgelopen 12 jaar ten minste 1 keer per jaar is afgenomen onder EU-burgers (de zogenaamde Eurobarometer). De harde variabelen uit ons model zijn afkomstig van het statistisch bureau van de EU Eurostat. De zachte variabelen zijn evenals de afhankelijke variabele ontleend uit de Eurobarometer.

Voor de hoofdanalyse gebruiken we een fixed-effects model om de effecten van indicatoren op EU-sentiment te schatten:

Y is het vertrouwen in de EU-variabele in land i in jaar t. ß is de coëfficiënt die het effect aangeeft van de gekozen indicator (of controle-variabele) X op vertrouwen in de EU. γzijn tijd fixed effect dummies en δlanden fixed effects (28 EU-landen). Uit is de storingsterm.

Zoals al in de tekst beschreven onderzoeken we voor vele variabelen of ze invloed hebben op het vertrouwen in de EU. Alle data bestrijken de 28 EU-landen van 2005 tot 2016. 

Tabel 2: Correlaties tussen de verschillende variabelen
Tabel 2: Correlaties tussen de verschillende variabelenBron: eigen berekeningen Rabobank

Tabel 2 geeft een overzicht van de correlaties tussen de verschillende variabelen uit het model (in eerste verschillen). Wat opvalt is dat alle variabelen zich in de verwachte richting verhouden tot vertrouwen in de EU (eerste kolom). Wat verder opvalt is dat sommige onafhankelijke variabelen sterk met elkaar correleren (vanaf tweede kolom). Dit vormt mogelijkerwijs een aandachtspunt voor de interpretatie van ons model wanneer sterk correlerende variabelen tegelijkertijd in het model worden opgenomen.

Tabel 3 toont de belangrijkste uitkomsten uit onze analyses. In model 1 worden alleen onafhankelijke variabelen opgenomen waarvan we uit de literatuur weten dat ze doorgaans een significant effect hebben op vertrouwen in de EU. Vanaf model 2 nemen we vervolgens harde (modellen 2 en 3) en zachte variabelen mee in de analyse (modellen 4-7). Uit model 2 en 3 blijkt dat respectievelijk bbp per capita en werkloosheid niet significant gerelateerd zijn aan vertrouwen in de EU. Dit in tegenstelling tot tevredenheid met leven (model 4). Tevredenheid met de werksituatie is in de hier gerapporteerde resultaten alleen significant op het 10%-niveau (model 5). Zodra we tevredenheid met leven en tevredenheid met de werksituatie gelijktijdig opnemen in het model is tevredenheid met de werksituatie niet langer significant (model 6). Dit kan te maken hebben met de hoge correlatie tussen tevredenheid met leven en tevredenheid met de werksituatie. Daarom nemen we ook een samengestelde tevredenheidsindicator op in model 7. Het effect van deze variabele op vertrouwen in de EU is, evenals tevredenheid met leven zelf, sterk positief significant. 

Tabel 3: Regressieresultaten
Tabel 3: RegressieresultatenBron: eigen berekeningen Rabobank

We hebben verscheidene tests uitgevoerd om na te gaan of het gekozen model het juiste is. Allereerst verrichten we regressieanalyses in eerste verschillen om de aanname van strict exogeneity te onderzoeken (niet gerapporteerd). De coëfficiënten van de baseline regressie zijn vergelijkbaar met die van fixed effects, wat erop wijst dat deze aanname geldig is. Ook testen we voor random effects vs. fixed effects met een Hausman test (Hausman, 1978). Deze verwerpt de hypothese dat random effects efficiënter is, waardoor we vasthouden aan onze specificatie met fixed effects.

Daarnaast nemen we een aantal extra verklarende variabelen op in ons model om na te gaan of bovenstaande analyseresultaten hierdoor veranderen. De extra variabelen die we opnemen zijn inflatie, overheidsschuld en aantal inwoners (logaritmisch getransformeerd). De resultaten hiervan worden gerapporteerd in tabel 4. Aangezien het opnemen van deze extra verklarende variabelen geen afbreuk doet aan de eerder gevonden resultaten, gaan we er van uit dat onze bevindingen robuust zijn voor verschillende modelspecificaties. 

Tabel 4: Resultaten robuustheidsanalyses
Tabel 4: Resultaten robuustheidsanalysesBron: eigen berekeningen Rabobank

Ook hebben we gekeken naar de rol van besteedbaar inkomen per capita als alternatief voor bbp per capita. Tabel 5 geeft een overzicht van de resultaten. In model 12 wordt alleen besteedbaar inkomen toegevoegd aan het basismodel. Het effect dat we vinden is positief significant. Vervolgens voegen we in model 13 tevredenheid met leven, tevredenheid met de werksituatie en de controlevariabelen uit de robuustheidsanalyses op. Uit de resultaten blijkt dat besteedbaar inkomen niet langer een significant effect heeft op vertrouwen in de EU. Mogelijk komt dit door de hoge correlatie tussen besteedbaar inkomen en tevredenheid met leven, waardoor het effect van de eerste mogelijk wordt ‘opgegeten’ door het effect van de laatste variabele. Tegelijkertijd zien we ook dat de significantie van het effect van besteedbaar inkomen verdwijnt wanneer variabelen worden opgenomen die niet sterk correleren met besteedbaar inkomen zoals inflatie, overheidsschuld en aantal inwoners (model 14). Het effect van besteedbaar inkomen op vertrouwen in de EU lijkt met andere woorden niet robuust voor alternatieve specificaties van het model.

Tabel 5: Resultaten regressieanalyses met besteedbaar inkomen als onafhankelijke variabele
Tabel 5: Resultaten regressieanalyses met besteedbaar inkomen als onafhankelijke variabele Bron: eigen berekeningen Rabobank

Tot slot zijn we nagegaan in hoeverre het effect van werkloosheid verschilt tussen crisislanden en niet-crisislanden. Tabel 6 presenteert de correlaties van veranderingen in vertrouwen in de EU met veranderingen in de verschillende onafhankelijke variabelen voor zowel crisislanden (2e kolom) en niet-crisislanden (3e kolom). Hieruit blijkt dat de verklaring voor vertrouwen in de EU mogelijk anders ligt voor crisislanden dan voor niet-crisislanden. Wat met name opvalt is dat het verband tussen vertrouwen in de EU en werkloosheid veel sterker is in crisislanden dan in niet-crisislanden. Dit duidt erop dat werkloosheid mogelijk een grotere rol speelt in het verklaren van vertrouwen in de EU in crisislanden dan in niet-crisislanden. 

Tabel 6: Correlatieverschillen tussen crisislanden en niet-crisislanden.
Tabel 6: Correlatieverschillen tussen crisislanden en niet-crisislanden.Bron: eigen berekeningen Rabobank 

Voetnoten

[1] Armingeon en Ceka, 2014; Roth et al., 2013; Demosthenes et al., 2015

[2] McLaren, 2002; Serricchio et al., 2013

[3] Armingeon en Ceka, 2014; Harteveld et al., 2013; McLaren, 2002; Serricchio et al., 2013

[4] Naast genoemde specificaties hebben we in onze analyses ook geëxperimenteerd met andere variabelen zoals werkgelegenheid, de openheid van economieën, aanwas van vluchtelingen en overheidsschuld. Aangezien dit geen significante resultaten oplevert, rapporteren we hier verder niet over.

[5] Armingeon en Ceka, 2014; Roth et al., 2013; Demosthenes et al., 2015

[6] Landen met een hoger inkomen hebben vaak betere (overheids-)instituties. Burgers hebben in zulke landen dan ook meer vertrouwen in hun eigen overheid. Het kan zijn dat dit overslaat op vertrouwen in de EU.

[7] Crisislanden zijn hier Cyprus, Griekenland, Ierland, Italië, Portugal, Slovenië en Spanje vanaf het jaar 2010. Deze landen hebben in deze periode in meer of mindere mate interventies vanuit de EU gekend met strenge voorwaarden. 

Literatuurlijst

Armingeon, K., en B. Ceka (2014), The Loss of Trust in the European Union During the Great Recession Since 2007: The Role of Heuristics from the National Political System, European Union Politics 15(1): 82-107.

Demosthenes, I., Jamet, J-F., en J. Kleibl (2015), Spillovers and Euroscepticism, ECB Working Paper.

Eichenberg, R. en R. Dalton, R. (1993), Europeans and the European community: the dynamics of public support for European integration, International Organization 47: 507–534.

McLaren, L. (2002), Public support for the European Union: cost/benefit analysis or perceived cultural threat?, The Journal of Politics 64: 551–566.

Hakhverdian, Armen, Erika van Elsas, Wouter van der Brug, Theresa Kuhn. 2013. “Euroscepticism and Education: A Longitudinal Study of 12 EU Member States, 1973-2010.” European Union Politics 14(4): 522-541.

Harteveld, E., T. van der Meer, en C.E. De Vries (2013), In Europe We Trust? Exploring Three Logics of Trust in the European Union, European Union Politics 14(4): 543-565.

Hobolt, Sara B. 2014. “Ever Closer or Ever Wider? Public Attitudes Towards Further Enlargement and Integration in the European Union.” Journal of European Public Policy 21(5): 664-680.

Krouwel, A. en K. Abts (2007), Varieties of Euroscepticism and Populist Mobilization: Transforming Attitudes from Mild Euroscepticism to Harsh Eurocynicism

Rijpma, A., Moatsos, M., Badir, M., & Stegeman, H. (2017). Netherlands beyond GDP: A Wellbeing Index.

Roth, F., F. Nowak-Lehmann D., en T. Otter (2013), Crisis and Trust in National and European Union Institutions: Panel Evidence for the EU, 1999 to 2012, EUI RSCAS Working Paper 2013/31.

Serricchio, F., M. Tsakatika en L. Quaglia (2013), Euroscepticism and the Global Financial Crisis, Journal of Common Market Studies 51(1): 51-64.

Szczerbiak, Aleks and Paul Taggart, 2008. Opposing Europe? The Comparative Party Politics of Euroscepticism. Oxford: Oxford University Press.

Delen:
Auteur(s)
Sjoerd Hardeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
06 8362 1270
Daniël van Schoot
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666
Maartje Wijffelaars
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 68740

naar boven