RaboResearch - Economisch Onderzoek

Protectionistische houding Trump brengt kansen voor China en India

Special

Delen:

Verschenen op MeJudice, 7 april 2017

  • Sinds Donald Trump is aangetreden als nieuwe president van de VS zijn de spanningen met Azië op politiek en handelsgebied opgelopen
  • Trumps protectionistische agenda biedt ook mogelijkheden voor nieuwe mondiale voortrekkers, waarvan in Azië China en India de voornaamste kandidaten zijn
  • Met de juiste hervormingen en investeringen kunnen zij deze voortrekkersrol verwezenlijken
  • Door deze gigantische afzetmarkten kunnen Nederlandse bedrijven hier flink profijt van hebben

Trump veroorzaakt nervositeit in Azië

Sinds Donald Trump in januari is geïnaugureerd als 45ste president van de Verenigde Staten (VS) is de relatie tussen Azië en de VS onder toenemende spanning komen te staan. In de eerste weken sinds zijn aantreden heeft Trump de wereld duidelijk gemaakt dat hij wars is van politieke etiquette en zich alleen aan eerder gemaakte afspraken wil houden, zolang ze passen binnen zijn mantra: “America first”. Een van de eerste wapenfeiten in dit opzicht was het opzeggen van het vrijhandelsverdag TPP (Trans-Pacific Partnership). Ook plannen voor importtarieven worden mondiaal met argusogen bekeken, vooral in China, hoewelde eerste meeting tussen Trump en de Chinese President Xi Jinping van afgelopen week de zenuwen vermoedelijk heeft bedaard.

Toenemend protectionisme en geopolitieke en regionale instabiliteit kunnen de groeivooruitzichten van de Aziatische regio verslechteren. In reactie op de protectionistische retoriek van Trump heeft de Chinese president Xi Jinping zich begin dit jaar in Davos opgeworpen als vaandeldrager van vrijhandel en samenwerking. Dit roept de vraag op of China en India met een gezamenlijke bevolking van 2,7 miljard mensen een voortrekkersrol kunnen vervullen voor de wereldeconomie, zeker nu de VS voornemens is zich terug te trekken van het mondiale toneel. Er liggen dus kansen voor Azië, zeker wanneer China en India werk maken van hun eigen onevenwichtigheden. Nederlandse bedrijven kunnen hier gezien de potentiële afzetmarkten flink profijt van hebben.

Geopolitieke spanningen

Politiek heeft Trump al wat Aziatisch kapitaal verbruid, waardoor de spanningen in verschillende delen van de regio verder zijn opgelopen (figuur 1). Zo accepteerde hij felicitaties van de Taiwanese president Tsai, terwijl er sinds 1979 geen contact meer had plaatsgevonden tussen de VS en Taiwan. En hoewel de gemoederen sindsdien wel wat zijn bedaard door onder meer het onderschrijven van het één-China-principe[1], blijft de nervositeit groot. Ook Trumps houding ten opzichte van Noord-Korea zorgt voor spanningen, zeker wanneer het omstreden THAAD[2] raketafweersysteem uiteindelijk doorgang zal vinden.

Afgelopen week vond de eerste ontmoeting in de VS tussen de Amerikaanse president en de Chinese president Xi Jinping plaats. Ondanks grote vraagtekens in aanloop naar deze meeting, bijvoorbeeld over de situatie rond Noord-Korea en de handelsrelatie tussen beide landen, lijkt het een geslaagde meeting te zijn geweest. Beide landen zijn een honderd-dagen plan overeengekomen om onevenwichtigheden in de handel aan te pakken. De toekomst zal uitwijzen of het goede begin het halve werk was. Of zoals Trump na de meeting tweette: “Goodwill and friendship was formed, but only time will tell on trade”.

Figuur 1: Spanningen in de Aziatische regio
Figuur 1: Spanningen in de Aziatische regioBron: Rabobank

Op de achtergrond speelt ook nog het conflict rond de Zuid-Chinese Zee. Deze zee is een belangrijke strategische internationale handelsroute en bevat veel natuurlijke rijkdommen, zoals gas, olie en vis. Trump heeft eerder aangegeven strenger op te willen treden tegen de houding en macht van China in dit gebied. Maar ook hier is het tot op heden vooral bij blaffen in plaats van bijten gebleven. Ook heeft Japan een slepend conflict met China over een eilandengroep in de Oost-Chinese Zee. Maar niet alleen de politieke spanningen zijn toegenomen, ook vanuit handelsperspectief lopen de spanningen verder op.

Handelsrelaties onder druk

Trump heeft meermaals aangegeven vooral China en Mexico op de korrel te willen nemen door handelsbarrières in te stellen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de VS een tekort op de handelsbalans hebben van USD 800 miljard. Dit betekent dat de Amerikanen voor USD 800 miljard aan goederen en diensten meer importeren dan zij exporteren. De VS hebben het grootste handelstekort met China van USD 350 miljard (figuur 2).

Figuur 2: Handelsbetrekkingen VS-Azië
Figuur 2: Handelsbetrekkingen VS-AziëBron: UNCTAD

Deze onevenwichtigheden op de handelsbalans zijn Trump een doorn in het oog, aangezien ze de VS zeer afhankelijk maken van de instroom van buitenlands kapitaal om dit handelstekort te financieren. Feitelijk ligt het lot van de Amerikaanse economie in handen van buitenlandse spaarders die deze spaaroverschotten in de VS investeren. Mochten die buitenlandse investeringen teruglopen, dan zal de Amerikaanse burger zelf meer moeten gaan sparen. Dit gaat ten koste van de particuliere consumptie en het BBP. Bovendien zal de waarde van de Amerikaanse dollar onder druk komen te staan, als bijvoorbeeld China een deel van zijn kapitaal zal repatriëren.

Uitvoerbaarheid van protectionistische agenda lastig

Vooralsnog is echter onduidelijk wat Trump op handelsgebied van plan is met Azië. Hij heeft meermaals aangegeven de handelsrelatie met China opnieuw te gaan herzien en hij heeft een uniform importtarief genoemd op alle Chinese import van 45 procent. Daadwerkelijke plannen zijn op het moment van schrijven echter nog niet bekend. Stappen om handelsbarrières op te werken, bijvoorbeeld via importtarieven, kunnen echter snel en eenvoudig worden geïmplementeerd, omdat president Trump hiervoor geen goedkeuring van de Amerikaanse Senaat nodig heeft. De uitvoerbaarheid blijkt echter een stuk weerbarstiger dan Trump aanvankelijk wellicht had voorzien. Zo zijn de VS en China beide lid van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en is hier het principe van most favoured nation van toepassing. Onder de WTO-akkoorden kunnen landen niet discrimineren met importtarieven tussen de WTO-leden. Als een WTO-lid dus besluit om tarieven te implementeren, dan gelden deze voor alle landen, en niet voor één land. Dit betekent dat als Trump een tarief op Mexicaanse of Chinese import in het leven roept, dit voor alle landen moet gelden. Dat zorgt echter voor grote schade aan de Amerikaanse economie, doordat de prijzen van goederen en diensten in de VS hiermee stijgen, waardoor de particuliere consumptie daalt. Ook exporterende Amerikaanse bedrijven worden geconfronteerd met hogere prijzen van intermediaire goederen. Dit gaat ten koste van hun concurrentiepositie en het exportvolume, of, wanneer ze de prijsverhoging niet doorberekenen, van hun winstgevendheid.

Trump zou uiteraard kunnen besluiten om de WTO-regels aan zijn laars te lappen. Momenteel wordt er ook gesproken over de implementatie van een zogenoemde border adjustment tax (BAT)[3], simpel gezegd een belasting op invoer en een subsidie op uitvoer. Het is onduidelijk of een BAT in strijd is met de WTO-overeenkomsten. Ook ondervindt Trump veel weerstand van bijvoorbeeld de Amerikaanse detailhandel voor de invoering van een BAT. Deze sector importeert namelijk op grote schaal kleding en elektronica om deze binnenlands af te zetten. Een BAT zou ervoor zorgen dat de Amerikaanse detailhandel alleen de lasten voelen (dus een boete op import), maar niet de lusten (een subsidie op export). Kortweg kunnen we concluderen dat Trumps protectionistische agenda vanwege de uitvoerbaarheid maar lastig van de grond komt.

Vergelding

Los van de weerbarstige uitvoerbaarheid is het zeer onwaarschijnlijk dat landen die worden getroffen door protectionistische maatregelen op hun handen blijven zitten. China zou op diverse manieren kunnen terugslaan, bijvoorbeeld door zelf tarieven te heffen op Amerikaanse import. Dit zou het Amerikaanse internationale bedrijfsleven in het hart raken. China is een grote markt voor veel grote Amerikaanse bedrijven, vooral op het gebied van consumentenelektronica (Apple, Microsoft), vliegtuigbouwers (Boeing) en auto’s (General Motors). China zou er ook voor kunnen kiezen om kapitaal uit de VS te repatriëren. Dit zou, zoals eerder genoemd, de Amerikaanse dollar sterk onder druk kunnen zetten en ook het Amerikaanse investeringspotentieel sterk aantasten. Aangezien China en de VS gezamenlijk 28 procent van de totale mondiale import voor hun rekening nemen, zouden handelsbarrières tussen beide landen de basis vormen voor een wereldwijde handelsoorlog. Dit hebben we onder meer gezien in de jaren dertig, toen de Smooth-Hawley wet in de VS van kracht werd, waarmee handelstarieven werden geheven op twintigduizend importgoederen. Andere landen reageerden met vergeldingsmaatregelen, waardoor de crisis van de jaren dertig naar verluidt sterk is verergerd.

Schrappen TPP leidt tot kans voor RCEP

Trump heeft al wel één punt van zijn protectionistische agenda kunnen afvinken, namelijk het niet ondertekenen van het Trans-Pacific Partnership (TPP), een eerder door de VS geïnitieerd handelsakkoord waar in totaal twaalf landen aan mee zouden doen. Alle TPP-landen samen omvatten maar liefst 40 procent van het mondiale BBP-volume alsmede 20 procent van het totale wereldhandelsvolume. Dit biedt mogelijkheden voor China om een alternatief handelsakkoord verder op te zetten, het Regional Comprehensive Economic Partnership (RCEP). Dit alternatief is echter wel een stuk beperkter dan TPP, omdat de focus vooral ligt op het beslechten van tarieven en veel minder op een breder palet aan TPP-integratiemaatregelen, zoals hervormingen in de deelnemende landen (figuur 3).

Figuur 3: TPP- en RCEP-landen
Figuur 3: TPP- en RCEP-landenBron: Rabobank

China en India waren geen onderdeel van TPP, maar hebben wel een centrale rol in RCEP. Dit biedt mogelijkheden om hun invloed in de Aziatische regio verder uit te breiden. Ook buiten Azië heeft China gepleit voor een voortzetting van samenwerking op het gebied van handel en het klimaat. Haaks op de “America First”-retoriek van Trump zijn de woorden van president Xi Jinping op het World Economic Forum in Davos: “Just blaming economic globalization for the world’s problems is inconsistent with reality, and it will not help solve the problems”. Dit roept de vraag op of China en India in staat zijn het vacuüm op te vullen dat Amerika dreigt achter te laten door het opwerpen van protectionistische muren.

Kunnen China en India de voortrekkersrol op het mondiale toneel van de VS overnemen?

Momenteel dragen China en India gezamenlijk gemiddeld ongeveer de helft bij aan de groei van de wereldeconomie. En onze verwachting is dat dit aandeel de komende twee jaar nog iets verder toeneemt (figuur 4). Om een structurele bijdrage aan de wereldeconomie te kunnen blijven leveren, staan beide landen voor de grote uitdaging om de komende periode de zogenoemde middeninkomensval te ontlopen.

Figuur 4: Groot belang China en India voor groei wereldeconomie
Figuur 4: Groot belang China en India voor groei wereldeconomieBron: Macrobond, IMF, Rabobank

Van de middeninkomensval is sprake als de economische groei in een opkomende economie sterk terugvalt doordat het welvaartsniveau per hoofd van de bevolking een bepaalde drempelwaarde heeft bereikt. Deze drempelwaarde ligt tussen USD 12.000 en USD 18.000 (Eichengreen et al., 2013), omdat lonen bij dit welvaartsniveau aanzienlijk stijgen en de economie hierdoor haar comparatieve kostenvoordeel verliest. Landen die vast zijn gelopen door de middeninkomensval zijn bijvoorbeeld Thailand, Brazilië en Mexico (figuur 5).

Figuur 5: Middeninkomensval grote uitdaging voor China en India
Figuur 5: Middeninkomensval grote uitdaging voor China en IndiaBron: Macrobond, Conference Board, Rabobank

Maar ook China loopt dit risico, omdat we nu al zien dat bedrijven een deel van de laaggeschoolde productie van onder meer elektronica vanuit China verplaatsen naar landen in de regio met relatief lagere lonen, zoals Indonesië, Thailand en Vietnam (Economist, 2015). Om de middeninkomensval te ontlopen, is het belangrijk dat landen hoogwaardigere producten en diensten gaan maken en hun arbeidsproductiviteit verhogen. Landen die er in zijn geslaagd om de middeninkomensval te ontlopen, zoals Singapore, Japan, Zuid-Korea en Ierland, zijn allemaal veranderd van een laaggeschoolde productie-economie in een hoogwaardige kenniseconomie.

Stimuleren productiviteitsgroei

Op dit moment ligt de arbeidsproductiviteit in China op 11 dollar per uur en in India op 7 dollar. In internationaal perspectief zitten beide landen in het onderste spectrum (zie figuur 6), vergelijkbaar met landen als Nigeria en Pakistan. De vraag is hoe China en India hun arbeidsproductiviteit de komende tijd kunnen verhogen om te voorkomen dat ze vastlopen in de middeninkomensval.

Figuur 6: Arbeidsproductiviteit per uur in India en China is zeer laag
Figuur 6: Arbeidsproductiviteit per uur in India en China is zeer laagBron: Berekeningen Rabobank op basis van data van de Conference Board, Indian Ministry of Statistics & Programme Implementation en China National Bureau of Statistics (NBS)

Erken (2017) laat zien dat investeringen in onderwijs en innovatie, het benutten van buitenlandse technologische kennis en het verbeteren van institutionele kwaliteit factoren van belang zijn om de arbeidsproductiviteit te stimuleren en de middeninkomensval te ontlopen (zie ook bijlage 1). Dit betekent dus dat China en India hun productiviteitsagenda moeten verleggen van investeringen in staal en beton naar investeringen in kennis om betere producten en diensten te kunnen maken. Overigens bestaat in productiviteitsland niet zoiets als een ‘free lunch’: een land zal altijd moeten investeren in de eigen innovatiecapaciteit om kennis uit het buitenland te kunnen absorberen.

Innovatie en onderwijs

Om de arbeidsproductiviteit te stimuleren, zullen China en India dus sterk moeten inzetten op het bevorderen van innovatie en onderwijs. Momenteel lopen beide landen op deze pijlers nog mijlenver achter op andere landen. Met 800.000 patenten per jaar lijkt China op het eerste oog nu al een stuk innovatiever dan de VS. Hierbij gaat het echter om kennis die alleen nieuw is voor de Chinese markt, maar die reeds bekend is in het buitenland. Nemen we het aantal patenten dat uniek is voor de hele wereld, dan telt China slechts twee patenten per 100.000 personen in de beroepsbevolking, tegen bijvoorbeeld 430 patenten in Japan en 255 in Zuid-Korea (figuur 7). Ook scoort met name India laag op investeringen in onderzoek & ontwikkeling als percentage van het BBP (O&O-intensiteit). In China ligt de O&O-intensiteit op het gemiddelde niveau van de EU, maar het probleem hiermee is weer dat maar een zeer beperkt deel van de R&D-investeringen zijn gericht op fundamenteel onderzoek (4 procent) en het overgrote deel naar kennis op het gebied van infrastructuur gaat (OECD, 2016). Er kunnen dus vraagtekens worden gezet bij de doelmatigheid van de Chinese kennisinvesteringen.

Ook als we kijken naar het opleidingsniveau in India en China valt op dat beide landen in internationaal perspectief sterk achterlopen. De gemiddelde opleidingsduur van de bevolking ouder dan 25 jaar ligt in China op 7,5 jaar en in India op iets meer dan 5 jaar. Dit is vergelijkbaar met het niveau van landen als Algerije en Uganda. Meer specifiek heeft slechts 2,4 procent van de Chinese populatie ouder dan 25 jaar hoger onderwijs afgerond (figuur 8), wat lager is dan India (6,1 procent) en significant lager dan Aziatische landen zoals Zuid-Korea (35 procent) en Japan (20 procent). Ook het onderwijssysteem is niet geëquipeerd op het stimuleren van probleemoplossend vermogen en creativiteit van scholieren en studenten, maar vooral op reproductie van kennis (Zhao, 2015).

Figuur 7: China en India zijn niet innovatief
Figuur 7: China en India zijn niet innovatiefBron: Berekeningen Rabobank op basis van USPTO data en World Bank Development Indicators
Figuur 8: China en India hebben relatief laag niveau menselijk kapitaal
Figuur 8: China en India hebben relatief laag niveau menselijk kapitaalBron: Macrobond, Penn World Tables 9.0, Rabobank

Institutionele kwaliteit

Voor China en India is het ook van groot belang om de institutionele kwaliteit te verbeteren, aangezien dit voor landen aanzienlijke economische voordelen kan opleveren (Bruinshoofd, 2016; Coe et al., 2009 en Acemoglu en Robertson, 2013). Een meer open economie in combinatie met prudente regelgeving kan bijvoorbeeld meer (buitenlandse) investeerders aantrekken. Omwille van objectiviteit, transparantie en vergelijkbaarheid maken we voor de vergelijking tussen India en China gebruik van de zes World Governance Indicators van de Wereldbank (WGI’s) en de Ease of Doing Business Indicator (EDB). Een analyse van zeven institutionele indicatoren laat zien dat India alleen beter presteert op World Governance-indicatoren[4], vanwege een significant hogere score op het terrein van ‘inspraak en verantwoording’. Op alle andere sub-indicatoren staat China er beter voor (figuur 9). Ook voor wat betreft het gemak van zakendoen (EDB) presteert China op alle fronten beter dan India (figuur 10). Het grootste deel van de verschillen kan worden verklaard door het politieke systeem in beide landen. China is immers een communistisch land waarbij de overheidsinvloed significant groter is dan in het democratische Indiase systeem.

Figuur 9: China presteert beter dan India op gebied van governance…
Figuur 9: China presteert beter dan India op gebied van governance…Bron: Wereldbank Noot: bij deze ranking geldt: hoe hoger de score, hoe beter (0-100).
Figuur 10: …iets wat ook geldt voor het gemak van zakendoen
Figuur 10: …iets wat ook geldt voor het gemak van zakendoenBron: Wereldbank Noot: bij deze ranking geldt: hoe lager de score, hoe beter (1=hoogste, 190=laagste).

In de loop der jaren is de institutionele kwaliteit in beide landen aanzienlijk verbeterd (Giesbergen et al., 2017). In 2012 heeft de Chinese president Xi Jinping zelfs zijn anti-corruptiecampagne bovenaan zijn beleidsagenda gezet. India maakt ook werk van de aanpak van corruptie. Het meest recente voorbeeld hiervan is de vervanging van roepiebiljetten van hoge waarde door nieuwe biljetten om de grote hoeveelheid zwart geld uit de economie te bannen[5]. Ook het gemak van zakendoen (EDB) is verbeterd door verschillende maatregelen die in de landen zijn genomen, zoals de verbetering van licenties en registraties en de vermindering van kapitaalvereisten. Uit een interview met het beursgenoteerde bedrijf Vopak hebben wij meer waardevolle illustraties uit de praktijk gekregen (box 1).

Box 1: Ervaringen van Vopak in India en China

Koninklijke Vopak N.V. is het grootste onafhankelijke tankopslagbedrijf ter wereld. Het bedrijf is gevestigd in havens wereldwijd en bouwt terminals voor op- en overslag van vloeistoffen, zoals chemicaliën en eetbare oliën. Vopak is gelokaliseerd op acht plaatsen in China en in 2011 heeft het bedrijf zich ook gevestigd in India.

De heer Eelco Hoekstra, CEO Koninklijke Vopak, geeft zijn visie op de uitdagingen bij het zakendoen in China en India. Tevens gaat hij in op het belang van internationale samenwerking.

India en China zijn gebaat bij de infrastructuur die Vopak levert om vloeistoffen via havens lokaal te kunnen transporteren of op te slaan, waarbij het bedrijf de hoogste standaarden hanteert als het gaat om veiligheid, kwaliteit en integriteit. Een eerste uitdaging die het bedrijf in China en India ondervindt is om deze standaarden op locatie te borgen en ervoor te zorgen dat alle betrokken partijen het belang hiervan onderkennen. Een tweede uitdaging is het vinden van gekwalificeerd personeel en talent. Dit correspondeert met de waarneming dat India en China gebrekkig scoren op het gebied van menselijk kapitaal en onderwijsdeelname van de bevolking.

Om succesvol te opereren in het buitenland is het wat Vopak betreft doorslaggevend om de lokale situatie en cultuur te kennen en met mensen connecties te maken. De multiculturele blik is van onschatbare waarde. Ook raadt Vopak bedrijven aan die intenties hebben om zich in China en India te vestigen om te praten met partijen in Nederland die al ervaring hebben met zakendoen in deze landen.

Vopak denkt dat bepaalde primaire producten zoals voedsel, energie en basale producten in chemicaliën zo vitaal zijn voor economieën dat protectionisme hier maar beperkt grip op zal krijgen en dus niet doorslaggevend zal zijn voor hun bedrijfsvoering. Het bedrijf gelooft er gepassioneerd in dat mondiale problemen niet opgelost kunnen worden binnen de landsgrenzen en dat het nationaal denken niet helpt om economieën goed te laten functioneren.

Productiviteitswinsten in China en India

Om de middeninkomensval te ontlopen, zullen China en India nog heel wat werk moeten verzetten. Tegelijkertijd laat Erken (2017) zien wat de economische baten zijn als China en India erin slagen om een serieuze kennis- en innovatieagenda te implementeren en hun instituties te verbeteren. In een relatief conservatief scenario zou het patentkapitaal stijgen naar het niveau van Singapore (123 patenten per 100.000 werkenden), het hoger-onderwijsniveau zou toenemen naar het niveau van Japan (één jaar voor alle personen ouder dan 25 jaar), de kwaliteit van de regulering zou worden verbeterd naar het niveau van Portugal en de mate van openheid van de economie zou stijgen tot het niveau van Griekenland en Costa Rica. Dit pakket zou leiden tot een stijging van de productiviteit in China van USD 11 nu naar USD 20 in 2025, een winst ten opzichte van het basisscenario van 3,7 dollar (figuur 11). Dit effect lijkt gering, maar bedenk dat er in China 1.770 miljard uur wordt gewerkt. Uiteindelijk zou een dergelijke agenda in China leiden tot 6.500 miljard extra dollar aan toegevoegde waarde, wat gelijk staat aan meer dan een derde van de Amerikaanse economie (USD 18.000 miljard). In India zouden de extra welvaartseffecten neerkomen op USD 3.100 miljard (figuur 12).

Figuur 11: Stimulering verdubbelt arbeidsproductiviteitsgroei in China
Figuur 11: Stimulering verdubbelt arbeidsproductiviteitsgroei in China Bron: Rabobank op basis van Macrobond, Penn World Tables 9.0
Figuur 12: Stimulering verhoogt arbeidsproductiviteitsgroei in India naar 8 procent
Figuur 12: Stimulering verhoogt arbeidsproductiviteitsgroei in India naar 8 procentBron: Rabobank op basis van Macrobond, Penn World Tables 9.0

China en India in de Aziatische innovatievoorhoede

In een extreem scenario waarin zowel China als India qua innovatiekracht, onderwijsniveau en institutionele kwaliteit de Aziatische top evenaart[6], zal de arbeidsproductiviteitgroei in China stijgen naar meer dan 10% in 2025 (figuur 13). Dit heeft als consequentie dat de arbeidsproductiviteit per uur stijgt van USD 11 per uur nu naar USD 25 per uur in 2025. In India zal de productiviteit in dit scenario stijgen van USD 7 naar USD 15. Hoewel de arbeidsproductiviteit per uur dan misschien nog steeds aanzienlijk lager ligt dan gemiddeld in de OESO, zal een dergelijke stimulans voor een enorme welvaartsschok zorgen van maar liefst USD 19.000 miljard in China en USD 6.000 miljard in India. Hiermee boeken beide landen gezamenlijk een welvaartswinst die een stuk hoger ligt dan het totale bruto binnenlands product van de Verenigde Staten.

Figuur 13: Navolging van de Aziatische top zorgt voor een Chinese productiviteitsgroei van meer dan 10%
Figuur 13: Navolging van de Aziatische top zorgt voor een Chinese productiviteitsgroei van meer dan 10%Bron: Rabobank op basis van Macrobond, Penn World Tables 9.0

Hoewel dit scenario zeer ambitieus is, hebben andere Aziatische landen laten zien dat forse ontwikkelingssprongen naar een innovatieve kenniseconomie in korte tijd wel degelijk mogelijk zijn. Het vergt echter een sterke strategische visie en investeringscommitment, waarbij overheden ook accepteren dat bepaalde onrendabele bedrijfstakken niet langer steun ontvangen. Op dit vlak hebben China en India echter nog een lange weg te gaan. In beide landen krijgen staatsbedrijven momenteel veel steun en moeten macro-economische onevenwichtigheden worden afgebouwd. China heeft als uitdaging om veel overcapaciteit in bijvoorbeeld de kolen- en staalindustrie af te bouwen. Daarnaast vormt de sterk opgelopen schuldenlast bij grote Chinese staatsbedrijven en op regionaal niveau een groot risico voor onder meer de bankensector. Ook de Indiase bankensector heeft de afgelopen jaren te veel geld geleend aan grootschalige projecten van dubieuze kwaliteit. Dit heeft ervoor gezorgd dat het percentage slechte leningen bij vooral staatsbanken is opgelopen naar bijna 10 procent. Als gevolg van de tegenvallers in de Indiase financiële sector zijn de kredietverlening en de private investeringen recent zelfs gekrompen.

Conclusie

Sinds zijn aantreden heeft president Donald Trump de gemoederen wereldwijd flink verhit. Ook in Azië heeft Trumps onconventionele manier van opereren de politieke spanningen vergroot. En hoewel Trump zijn protectionistische agenda enigszins in gang heeft gezet, blijkt de verdere uitvoering hiervan weerbarstig en levert zij economisch alleen maar verliezers op. Dit verklaart wellicht waarom de houding van president Xi Jinping als voorvechter van mondiale vrijhandel diametraal staat op de anti-wereldhandelsretoriek van president Trump. Maar het roept ook de vraag op of China en India met een gezamenlijke bevolking van 2,7 miljard mensen in staat zijn om de mondiale voortrekkersrol van de VS over te nemen. Niet alleen als hoeders van politieke stabiliteit en het klimaat, maar ook als bron van economische groei en innovatie. De belangrijkste uitdaging die China en India hebben, is het overbruggen van de zogenoemde middeninkomensval. Landen die in staat zijn hun economie op te schalen naar een hoogwaardigere productie lopen namelijk niet vast in deze middeninkomensval. Mochten China en India hun onevenwichtigheden weten af te bouwen, hun instituties weten te verbeteren en een ambitieuze investeringsagenda lanceren in kennis en onderwijs, dan kunnen ze een aanzienlijke welvaartswinst boeken. Dit kan bij een relatief conservatief scenario de helft van het Amerikaanse bbp betreffen (USD 9.600 miljard aan extra toegevoegde waarde). En mochten beide landen zich in de innovatievoorhoede van Azië manoeuvreren, dan kan de welvaartswinst zelfs oplopen tot USD 25.000 miljard.

Deze studie bevat de belangrijkste conclusies uit een bredere Engelstalige Azië-Pacific regiostudie. Voor meer informatie en achtergronden verwijzen we naar de overzichtspagina van deze Regiostudie.

Voetnoten

[1] China erkent Taiwan niet als onafhankelijke natie. De Chinese regering noemt Taiwan een afvallige provincie. Onder druk van China hebben veel landen hun betrekkingen met Taiwan in het verleden opgezegd.

[2] Terminal High Altitude Area Defense (THAAD) is een raketafweersysteem dat de VS op Amerikaanse bases in Zuid-Korea willen plaatsen. Deze systemen zijn ontworpen om uiteenlopende ballistische raketten neer te schieten, waarvan Noord-Korea claimt deze in bezit te hebben. China is geen voorstander van THAAD, omdat het vermoedt dat het radarsysteem van de THAAD Chinese militaire activiteit kan waarnemen.

[3] Door de invoering van een BAT kunnen de kosten van importen niet meer worden afgetrokken van de inkomsten van een bedrijf, terwijl de inkomsten uit exporten niet langer zullen worden opgenomen in de totale omzet van een bedrijf.

[4] De zes WGI’s zijn voice and accountability (inspraak en verantwoording), rule of law (rechtstaat), regulatory quality (kwaliteit regelgeving), political stability and absence of violence (politieke stabiliteit en afwezigheid geweld), government effectiveness (effectiviteit overheid), control of corruption (corruptiebeheersing).

[5] Op 9 november kondigde premier Modi aan dat alle biljetten van 500 en 1.000 roepie niet langer als rechtsgeldig betaalmiddel werden beschouwd en tot 30 december konden worden ingewisseld voor nieuwe biljetten van 500 en 2.000 roepie. Met deze zogenoemde demonetisatie-operatie werd in een klap 86 procent van de bankbiljetten in circulatie ongeldig verklaard en de conversie van grote sommen geld zou worden onderworpen aan controle door de Indiase fiscus. Door deze onorthodoxe maatregel wilde de overheid de grote hoeveelheid zwart geld uit de economie bannen, betalingen via digitale bankkanalen stimuleren en de belastingopbrengsten van de overheid vergroten.

[6] In dit extreme scenario zouden China en India hun patentkapitaal moeten verhogen naar het relatieve niveau van Taiwan (500 patenten per 100.000 werkenden), het hoger-onderwijsniveau moeten verhogen naar het niveau van Zuid-Korea (gemiddelde opleidingsduur van 1,5 jaar per persoon ouder dan 25 jaar), en de kwaliteit van regelgeving en openheid van de economie moeten verhogen naar het niveau van Hong Kong.

Bijlage 1: Opbouw van welvaartsniveau van een land

Bijlage 1: Opbouw van welvaartsniveau van een land
Bijlage 1: Opbouw van welvaartsniveau van een landBron: Erken, Giesbergen en Prins (2017)
Delen:
Auteur(s)
Hugo Erken
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 52308
Björn Giesbergen
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 62562

naar boven