RaboResearch - Economisch Onderzoek

“As good as it gets”

Themabericht

Delen:
  • Verbetering van mondiale economische prestaties ligt niet in de lijn der verwachting aangezien de meeste grote economieën draaien op of boven hun groeipotentieel
  • Na de Grote Recessie is het groeipotentieel in grote economieën in het meest gunstige geval gelijk gebleven, maar in de meeste gevallen zelfs gedaald. De huidige lage potentiële groei lijkt in ieder geval samen te hangen met een mondiale liquiditeitsval, die zich kenmerkt door lage rentes en ineffectief monetair beleid
  • Veel landen stellen zetten onvoldoende in op broodnodige hervormingen aan de aanbodzijde van de economie
  • Hogere olieprijzen zouden kunnen helpen om de deflatoire spiraal te doorbreken, maar dat moet nog blijken

We zitten op ons potentieel…

Figuur 1: Landen zitten op of vlakbij hun groeipotentieel
Figuur 1: Landen zitten op of vlakbij hun groeipotentieelBron: Macrobond, Rabobank.
Toelichting: Potentiële groei 13-16 heeft betrekking op 2020. * Potentiële groei = 2017.

“What if this is as good as it gets?” vroeg Jack Nicholson zich hardop af in het bijzijn van zijn lotgenoten in de wachtkamer van een psychiatrische kliniek. Deze vraag kan ook gesteld worden als we kijken naar de economische prestaties op het mondiale toneel (zie figuur 1). Niet alleen zitten bijna alle landen op of boven hun groeipotentieel, ook valt op dat in de meeste landen de potentiële groei is teruggezakt ten opzichte van de periode voor de Grote Recessie. Alleen Duitsland vormt hierop een uitzondering, waarbij ook nog moet worden aangetekend dat de negatieve effecten van de Brexit nog niet volledig zijn verwerkt in het groeipotentieel van de Britten.

Waarom is het potentieel zo sterk aangetast?

De lage potentiële groei hangt samen met de zogenoemde liquiditeitsval waarin we mondiaal lijken te verkeren. Na de Grote Recessie is de nominale rente op een historisch zo laag niveau beland (zie figuur 2), dat monetair beleid minder effect meer heeft op de geaggregeerde vraag in een economie. Met andere woorden, een zwakke economische omgeving leidt tot lagere inflatie, maar de centrale banken kunnen weinig meer doen om de inflatie, bestedingen en investeringen op peil te houden. Sterker, een lagere inflatie zorgt bij een nominale rente van nul voor een hogere reële rente, waardoor economische activiteit alleen maar wordt geremd.

Figuur 2: Monetaire beleidsrentes worden steeds lager
Figuur 2: Monetaire beleidsrentes worden steeds lagerBron: Macrobond, Rabobank

Intussen zorgt de lage renteomgeving wel voor allerlei negatieve bijverschijnselen en kan zelfs leiden tot een lagere potentiële groei (Van den End en Hoeberichts, 2014), een ontwikkeling die we in de data steeds prominenter terugzien (zie figuur 1). Zo zorgt de lage rente ervoor dat de dekkingsgraden van pensioenfondsen worden aangetast. Het gevolg is dat aankondigingen van de ECB over verruiming van het kwantitatieve verruimingsprogramma in Nederland alleen maar zorgden voor méér onzekerheid over pensioenen en daardoor méér besparingen in plaats van particuliere uitgaven (zie De Groot, 2016). De lage renteomgeving zorgt er ook voor dat improductieve zwakke bedrijven hun leningsverplichtingen gemakkelijk kunnen blijven voldoen, waarmee de winstgevendheid van een sector als geheel verslechtert en ook de markttoegang van gezonde bedrijven wordt geblokkeerd (Caballero et al., 2008). Ook zorgt de chronische onderbesteding voor de vernietiging van kennis, fysiek en technologisch kapitaal. Niet voor niets zien we in de eurozone en de VS dat de arbeidsproductiviteitsgroei flink is teruggelopen.

Tot slot zien we in een aantal opkomende markten, zoals China en Brazilië, dat de potentiële groei is teruggezakt. In China heeft de vertraging vooral te maken met demografische veranderingen in combinatie met een transitie die China moet doormaken van een investeringsgedreven economie naar een hoogwaardige consumptiegedreven economie. Demografische veranderingen spelen ook in Brazilië een rol, waar bovendien jaren van krimpende investeringen en verslechterende handelsvoorwaarden het groeipotentieel aangetast hebben.

Beleid van pappen en nathouden

Wat nodig is om de potentiële groei te verhogen zijn investeringen in factoren die de arbeidsproductiviteit verhogen, zoals innovatie, onderwijs en ondernemerschap (zie Erken, Donselaar en Thurik, 2016). Maar ondertussen grijpen nationale overheden vooral terug op een beleid van pappen en nathouden. De hervormingsagenda aan de aanbodzijde van de economie wordt in China en Brazilië zeer langzaam geïmplementeerd. De VS kampt met investeringsachterstanden en hoewel Trump en Clinton beiden hebben aangegeven een investeringsagenda te willen uitrollen, zal het nog een tijd duren voordat deze ook daadwerkelijk tot wasdom zal komen. Dit zal wellicht meespelen in de overweging van de Fed om in september wederom af te zien van een renteverhoging, terwijl in januari nog vier renteverhogingen werden verwacht.

In Europa roept Mario Draghi steeds harder om hervormingen aan de aanbodzijde van de Europese economie en het intensiveren van een investeringsagenda. Dit blijft lastig, aangezien de begrotingsregels onverdeeld van kracht blijven, waardoor er weinig ruimte is om publiekelijk tegen gunstige financieringsvoorwaarden de economie te stimuleren. Ook het Europese Investeringsplan, beter bekend als het Juncker-plan[1], loopt niet storm. Halverwege 2016 werd duidelijk dat binnen het programma slechts 11 miljard aan projecten zijn goedgekeurd, wat neerkomt op de helft van de doelstelling voor het eerste jaar.

Voetnoot
[1] Het Juncker-plan zet het EU-budget in als garantie om risicovolle innovatieve projecten van de grond te trekken. In combinatie met een klein deel cofinanciering vanuit de EU zou dit uiteindelijk moeten leiden tot €315 mrd euro aan extra investeringen over drie jaar tijd.

Een helpende hand van de OPEC?

Op 18 September heeft de OPEC een akkoord bereikt om de gezamenlijke olieproductie te beperken tot 32.5-33 miljoen vaten per dag. Dit is het eerste succesvolle akkoord sinds 2008 en daarmee een wezenlijke strategieverandering. Het akkoord kan een eerste bescheiden stap zijn om de neerwaartse deflatoire spiraal te doorbreken. Hogere olieprijzen kunnen zorgen voor hogere inflatieverwachtingen, waardoor de reële rente daalt, wat vervolgens weer kan resulteren in hogere bestedingen en investeringen.

We zien een positieve ontwikkeling in de inflatieverwachting, die vanaf het begin van 2016 nog omgekeerd gerelateerd was aan de olieprijzen, maar nu weer gelijk op lijkt te lopen (zie figuur 3). Maar daarmee zijn we er nog niet. Want het is maar de vraag of de het olie-akkoord voor verdere opwaartse druk op de inflatieverwachting zal zorgen. Daarvoor is het akkoord te weinig ambitieus (zie figuur 4), en bovendien is nog maar de vraag of de OPEC-landen er zich echt aan zullen houden.

Figuur 3: Olieprijs zet inflatieverwachtingen niet meer onder druk…
Figuur 3: Olieprijs zet inflatieverwachtingen niet meer onder druk…Bron: Macrobond
Figuur 4: Reductiedoelstelling is weinig ambitieus
Figuur 4: Reductiedoelstelling is weinig ambitieusBron: EIA, OPEC
Delen:
Auteur(s)
Alexandra Dumitru
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2326 6856
Hugo Erken
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2223 1650

naar boven