RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Het onbekende potentieel van de Nederlandse economie

Themabericht

Delen:

Naar dossierpagina  Visie op 2017

  • Voor de toekomstige welvaart van Nederland is de potentiële groei van belang
  • Arbeid, kapitaal en technologie bepalen de potentiële groei
  • Door vergrijzing stagneert de groei van het arbeidsaanbod
  • Het tempo van kapitaalverdieping blijft redelijk op peil
  • Hogere groei moet daarom van verdere technologische vooruitgang komen

De crisis is voorbij, en de Nederlandse economie groeit weer met gemiddeld twee procent per jaar. Hierdoor lijken verhalen over permanent lagere economische groei onder in de bureaula te kunnen. Maar de onzekerheid rond de toekomstige groeiverwachtingen is groot. Daarom is een uitgebreidere analyse van de potentiële groei van belang. En dan blijkt dat het allerminst zeker is dat de groei ook voor een langere periode op twee procent ligt.

De aanbodzijde van de economie bepaalt de potentiële groei

Op de lange termijn drijven technologische vooruitgang, arbeid en kapitaal de ontwikkeling van de economie. Deze factoren vormen de zogeheten aanbodzijde van de economie en bepalen hoeveel zij potentieel kan produceren. Als we het groeipotentieel van Nederland voor de komende periode willen schatten, is een goede analyse van de aanbodzijde (de ontwikkeling van technologie, arbeid en kapitaal) noodzakelijk. Natuurlijk sluiten vraag en aanbod niet altijd netjes op elkaar aan. De gerealiseerde groei wijkt op de korte en middellange termijn dan ook vaak af van de potentiële groei. Deze mogelijkheid bespreken we in onze publicatie over de vraagzijde van de economie.

De potentiële groei kan worden uitgesplitst naar de bijdragen van arbeidsaanbod en arbeidsproductiviteit. Hoe meer mensen zich aanbieden op de arbeidsmarkt, hoe hoger de potentiële groei. En hoe groter de inzet van kapitaal, of hoe sneller de technologische vooruitgang, hoe productiever zij worden.[1]

Tabel 1: Hoe ziet de potentiële economische groei er uit voor de periode 2018-2023?
Tabel 1: Hoe ziet de potentiële economische groei er uit voor de periode 2018-2023?Bron: Total Economy Database, Eurostat, Verenigde Naties, EU KLEMS, AMECO, bewerking Rabobank

In dit stuk schatten we daarom de meest waarschijnlijke ontwikkeling van de factoren arbeid en arbeidsproductiviteit – een basisscenario. In de berekeningen, die we hieronder toelichten, komen we uit op een bijdrage van de structurele werkgelegenheid van gemiddeld 0,2 procent per jaar voor de periode 2018-2023 en een bijdrage van de structurele arbeidsproductiviteit van gemiddeld 1,0 procent per jaar. De potentiële economische groei komt zo uit op gemiddeld 1,2 procent per jaar voor de periode 2018-2023 (tabel 1).

Natuurlijk kunnen de onderliggende determinanten zich anders ontwikkelen dan gedacht. Zo is het mogelijk dat technologische doorbraken de komende jaren zorgen voor een aanmerkelijk sneller groeipad. Deze specifieke situatie werken we uit in een apart scenario.

Hoe ontwikkelt de factor arbeid zich de komende jaren?

De factor arbeid draagt de komende jaren minder bij aan de potentiële groei dan in het verleden. Dat heeft alles te maken met demografische ontwikkelingen. Zoals in veel Westerse landen vergrijst de Nederlandse bevolking, waardoor de groei van de potentiële beroepsbevolking afvlakt en op termijn zelfs zal dalen (na 2023). Daarnaast zijn werkenden steeds ouder. Ouderen participeren in de regel minder vaak in het arbeidsproces, waardoor de gemiddelde participatiegraad van de samenleving afneemt. Dit is het zogeheten cohorteffect. Aan de andere kant heeft de verhoging van de pensioenleeftijd de vergrijzingsproblematiek wel deels ondervangen. De omvang van de potentiële beroepsbevolking is daardoor vergroot.

Om tot een schatting te komen van de netto groei van het arbeidsaanbod voor de komende jaren, berekenen we structurele participatiegraden per leeftijdsgroep en combineren we deze met data over de omvang van elke bevolkingsgroep.[2] 

Figuur 1: Het arbeidsaanbod stagneert ondanks de verhoging van de AOW-leeftijd
Figuur 1: Het arbeidsaanbod stagneert ondanks de verhoging van de AOW-leeftijdBron: Eurostat, Verenigde Naties, bewerking Rabobank

Figuur 1 laat de resulterende ontwikkeling van de beroepsbevolking (alle werkenden en werkzoekenden tussen 15 jaar en de pensioenleeftijd) zien, waarbij de gevolgen van een hogere AOW-leeftijd zijn meegenomen.[3] Het aantal mensen dat werk zoekt en (in een evenwichtssituatie) vindt, neemt toe met gemiddeld 0,2 procent per jaar in de periode 2018-2023, waarbij het arbeidsaanbod naar het einde van de periode licht afneemt.

De groei van het arbeidsaanbod ligt door de effecten van de vergrijzing dus structureel lager dan voor de crisis. In de periode 2002-2008 was de groei bijvoorbeeld nog 1,0 procent. Het effect van de toename van het arbeidsaanbod op de groei is de komende jaren naar verwachting dus beperkt.Om op een hoger groeipad te komen moet de arbeidsproductiviteit daarom toenemen, door extra inzet van kapitaal, door beter geschoolde arbeid, of door technologische vooruitgang.

En wat doet de factor kapitaal?

De factor kapitaal lijkt zijn toegevoegde waarde voor de potentiële groei de komende tijd te behouden. Tijdens de crisis vonden er door vertrouwens- en conjuncturele effecten tijdelijk minder kapitaalsinvesteringen plaats, waardoor het tempo van kapitaalverdieping terugliep: per werknemer werd er minder geïnvesteerd in machines en automatische processen. Daarnaast vond er labour hoarding plaats – bedrijven hielden werknemers vast in plaats van ze te ontslaan (CPB, 2011). Deze beide factoren drukten de groei van de arbeidsproductiviteit.

Figuur 2: De bijdrage van kapitaal blijft de komende jaren op peil
Figuur 2: De bijdrage van kapitaal blijft de komende jaren op peilBron: Total Economy Database, EUKLEMS

Het is de vraag of deze effecten op een langere termijn negatief zijn. Lagere investeringen op macroniveau hoeven niet te betekenen dat investeringen in de kapitaalgoederenvoorraad teruglopen. En zelfs bij een trage groei kan het voor bedrijven heel rendabel zijn om te investeren, als die investeringen leiden tot productiviteitswinst. Het effect van lage groei op investeringen (Bhageloe, 2016) hoeft dus niet te leiden tot lagere potentiële groei.

In de data zijn nog geen aanwijzingen voor permanente negatieve effecten van de crisis. We maken een inschatting van hoe de trend van kapitaalverdieping verloopt en schatten de gemiddelde jaarlijkse bijdrage aan de groei op 0,4 procent voor de periode 2018-2023 (figuur 2).[4]

Hoe staat het met technologische vooruitgang?

De laatste factor die relevant is voor de potentiële groei, de groei van de totale factorproductiviteit (TFP), is tijdens de crisis flink teruggezakt en lijkt vooralsnog niet terug te keren naar zijn vorige groeipad. TFP-groei is de meest zuivere maatstaf voor de stand van de technologie. Het geeft de efficiëntie weer waarmee kapitaal en arbeid toegevoegde waarde leveren.

Figuur 3: Toekomstige TFP groeit op lager tempo dan voor de crisis
Figuur 3: Toekomstige TFP groeit op lager tempo dan voor de crisisBron: Total Economy Database, AMECO, bewerking Rabobank

Op basis van het TFP-model van Erken, Stegeman en Thurik (2016) schatten we de toekomstige ontwikkeling van TFP.[5] Deze komt uit op gemiddeld 0,6 procent per jaar voor de periode 2018-2023 (figuur 3).

Daarmee lijkt de technologische vooruitgang die we om ons heen zien slechts beperkt bij te dragen aan hogere groei. Hoe kan het dat huidige innovaties op het gebied van smartphones, biotechnologie, kunstmatige intelligentie, 3D-printen en big data geen grotere impact hebben?

Deze vraag heeft geleid tot felle discussies onder economen. Een verklaring is dat deze innovaties wel degelijk effect hebben op de productiviteit, maar dat de impact niet goed wordt gemeten (Mokyr, 2015). Een vakantie kun je tegenwoordig bijvoorbeeld grotendeels regelen via (gratis) apps en deelplatformen, in plaats van via een reisbureau. Maar deze economische activiteiten zijn niet terug te zien in de statistieken.

Gordon (2016) heeft een wat pessimistischere insteek. Hij betoogt in zijn boek The Rise and Fall of American Growth dat huidige innovaties simpelweg minder gevolgen hebben voor de productiviteit dan vroeger. De stap van paard en wagen naar auto is veel groter dan de stap van een ouder model smartphone naar een nieuwer model smartphone. In zijn optiek is het huidige tempo van TFP-groei het nieuwe normaal.

Een laatste mogelijkheid is dat we op de rand van enkele grote technologische doorbraken staan die binnenkort wel in de productiviteitscijfers zullen zijn terug te zien. McAfee en Brynjolfsson (2014) schetsen zo’n scenario in hun boek The Second Machine Age. Innovaties op het gebied van bijvoorbeeld nanotechnologie en zelfrijdende auto’s kunnen in de komende jaren de TFP-groei dan naar een nieuw, hoger, niveau tillen.

Een Vierde Industriële Revolutie?

Zo’n versnelling van technologische vooruitgang zou een Vierde Industriële Revolutie kunnen betekenen (WEF, 2016). We hebben een voorbeeld van zo’n ontwikkeling in ons model voor TFP-groei verwerkt.

Nederland lift voor een groot deel mee op innovaties die in het buitenland plaatsvinden. Als er bijvoorbeeld in de VS een doorbraak plaatsvindt op het gebied van zelfrijdende auto’s, neemt in ons model het zogeheten inhaalpotentieel van de Nederlandse economie fors toe, wat de Nederlandse TFP-groei aanjaagt.

Figuur 4: Een Vierde Industriële Revolutie zou de TFP-groei een flinke extra zet geven
Figuur 4: Een Vierde Industriële Revolutie zou de TFP-groei een flinke extra zet gevenBron: Total Economy Database, AMECO, bewerkingen Rabobank

Daarbij gaan we ervan uit dat Nederlandse bedrijven hun investeringen in R&D-kapitaal vervolgens structureel verhogen om van deze nieuwe technologie gebruik te kunnen maken. Ook deze factor draagt bij aan een hogere TFP-groei voor Nederland. Er is daarnaast een rol weggelegd voor de overheid. We gaan ervan uit dat zij, om aan te haken op de ontwikkelingen van de Vierde Industriële Revolutie, structureel meer investeert in menselijk kapitaal en ondernemerschap. Dit heeft vervolgens ook positieve gevolgen voor de productiviteitsgroei.

Door het cumulatieve effect van deze ontwikkelingen komt de TFP-groei in ons model uit op 1,6 procent voor de periode 2018-2023 (figuur 4). Om dit getal in context te plaatsen: de TFP-groei ligt daarmee hoger dan in de periode 1980-2008, toen deze 1,4 procent bedroeg en toen onder andere de IT-revolutie van begin jaren 2000 plaatsvond.

Technologische vooruitgang is meer dan ooit bepalend voor economische groei

De mogelijkheden voor hogere potentiële groei liggen overduidelijk op het vlak van technologie. Het arbeidsaanbod stagneert en verdere kapitaalverdieping blijkt niet uit de cijfers. Voor TFP-groei zijn de vooruitzichten, zonder extra inspanningen van de overheid en van bedrijven, vooralsnog niet spectaculair. Tegelijkertijd kan een technologische schok, gedreven door disruptieve innovaties, daar verandering in aanbrengen. In het verleden hebben we dat vaker zien gebeuren: technologie kan meer bijdragen aan economische groei. Maar daarbij is het wel noodzakelijk dat overheden en bedrijven meer geld en tijd steken in innovatie en ondernemerschap. En zo’n scenario met hogere TFP-groei zal nooit alleen een Nederlands scenario kunnen zijn. Ook andere landen, die immers grotendeels dezelfde technologie gebruiken, zullen een hogere, technologie-gedreven groei moeten meemaken.

Om deze effecten nader te beschouwen, hebben we voor de periode tot en met 2023 drie scenario’s gemaakt. In twee scenario’s hebben we de basisaanname voor de potentiële groei gebruikt zoals hierboven weergegeven. En in één scenario is de groei van de arbeidsproductiviteit een vol procentpunt hoger: de Vierde Industriële Revolutie.

Voetnoten

[1] Een dergelijke uitsplitsing vindt zijn oorsprong in het werk van Solow (1957) en vormt de basis voor de neoklassieke groeitheorie. 

[2] Per vijfjaarsleeftijdsgroep ramen we jaarlijkse structurele participatiegraden op basis van historische data en een HP-filter. Deze vermenigvuldigen we met prognoses van de bevolkingsomvang per leeftijdsgroep. Voor de leeftijdsgroep 65 - pensioenleeftijd gaan we uit van een participatiegraad die ligt tussen de participatiegraad van de leeftijdsgroep 55-65 en de leeftijdsgroep 65-75.

[3] Overig recent beleid dat mogelijk participatieverhogend werkt, zoals de Participatiewet, hebben we niet in de analyse inbegrepen. Voor een uitgebreide analyse van de participatie-effecten van recent arbeidsmarktbeleid, zie de publicatie Kansrijk Arbeidsmarktbeleid van het Centraal Planbureau.

[4] Met een ARIMA-model schatten we de pre-2008-trend van kapitaalverdieping en trekken deze na de meest recente realisatiecijfers (2015) door.

[5] Het model bevat onafhankelijke variabelen zoals privaat R&D-kapitaal, ondernemerschap en menselijk kapitaal die TFP-groei verklaren. Zie Erken et al. (2016). We extrapoleren deze onafhankelijke variabelen om TFP-groei in de toekomst te kunnen voorspellen. We gaan bijvoorbeeld uit van een groei van privaat R&D-kapitaal van 1,5 procent voor de periode na 2016 en we verwachten dat de mate van ondernemerschap en het niveau van menselijk kapitaal zich trendmatig ontwikkelen.

Literatuur

Bhageloe, R. (2016). Eindelijk herstel(d)? Rabobank Special.

Centraal Planbureau (2016). Kansrijk arbeidsmarktbeleid. Den Haag: CPB.

Centraal Planbureau (2011). Werkloosheid en de Grote Recessie. Den Haag: CPB.

Gordon, R. (2016). The Rise and Fall of American Growth: the U.S. Standard of Living since the Civil War. Princeton University Press. New Jersey.

McAfee en Brynjolfsson (2014), The Second Machine Age: Work, Progress, and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies, W.W. Norton & Company: New York.

Mokyr, J. (2014). Secular Stagnation? Not in your Life, in Secular Stagnation: Facts, Causes and Cures, CEPR Press: Washington.

Solow, R. (1957), Technical Change and the Aggregate Production FunctionReview of Economics and Statistics 39 (3): 312–320.

World Economic Forum (2016). The Fourth Industrial Revolution: what it means, how to respond. Blog op www.weforum.org.

Delen:

naar boven