RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Nederland tussen technologie en deglobalisering

Special

Delen:

Naar dossierpagina  Visie op 2017

  • De toekomst is onzeker. Daarom schetsen wij drie heel verschillende economische scenario’s voor de periode 2018-2023: Doormodderen, De Vierde Industriële Revolutie en Deglobalisering
  • In het scenario Doormodderen is er geen sprake van visionair beleid en worden structurele problemen niet opgelost, waardoor de economische groei in de periode 2018-2023 slechts 1,4 procent bedraagt
  • In het scenario de Vierde Industrie Revolutie blijkt dat we productiviteitswinsten van de huidige technologische ontwikkelingen hebben onderschat en neemt de overheid maatregelen om innovatie en ondernemerschap te stimuleren. De groei komt uit op 2,3 procent in de periode 2018-2023
  • In het scenario Deglobalisering neemt het protectionisme sterk toe en is er nauwelijks bereidheid tot internationale samenwerking. De wereldhandel valt sterk terug, waardoor de economische groei in Nederland in de periode 2018-2023 slechts 0,3 procent bedraagt

De Nederlandse economie doet het volgend jaar ook relatief goed. De binnenlandse bestedingen dragen daarbij het grootste deel van die groei. Een economische groei van 1,8% is meer dan op lange termijn houdbaar is voor de Nederlandse economie.

Hiermee bevindt de economie zich op een kruispunt, net als de wereldeconomie. De tekenen van het herstel van de reële economie zijn onmiskenbaar, maar de private schulden zijn nog steeds hoog en het monetaire beleid is ongekend ruim.

Grofweg zijn er drie visies op de economische ontwikkelingen voor de komende tijd. Ten eerste die van ‘langdurige stagnatie’, vooral gedreven door problemen aan de vraagzijde van de economie. In het themabericht ‘Eindelijk herstel(d)?’ gaan we in op de vraag of we nu in een situatie van permanente onderbesteding zijn terechtgekomen, hoe het staat met de balansen van huishoudens en wat de oorzaken zijn van vraaggedreven herstel of juist het ontbreken daarvan.

Ten tweede is er de visie van ‘De Vierde Industriële Revolutie’. Dit impliceert dat de aanbodzijde van de economie, en dan met name technologische vooruitgang, de komende tijd in een stroomversnelling komt. In ons themabericht ‘Het onbekende potentieel van de Nederlandse economie’ gaan we in op de factoren achter de structurele groei van Nederland. Uit beide analyses komt een beeld naar voren van grote onzekerheid: technologische vooruitgang en de effecten op de economische groei zijn zeer moeilijk in te schatten.

Een derde visie is die van een verder voortmodderende economie. Internationale economische uitdagingen en onzekerheden op de financiële markten spelen daarbij een rol. Zij leiden weliswaar niet tot grote ongelukken, maar ook niet tot echte oplossingen.

Deze elementen hebben we gebruikt om drie scenario’s te maken. Als er de komende jaren geen maatregelen worden genomen om de structurele onevenwichtigheden aan te pakken en er geen beleid wordt gevoerd om het potentieel van de economie te verhogen, zullen we in de periode 2018-2023 waarschijnlijk een lagere groei zien dan we voor dit en volgend jaar verwachten. In dit scenario genaamd Doormodderen zal de gemiddelde groei in deze periode op 1,4 procent liggen. Dit is een lagere groei dan voor de crisis en betekent ook dat de koopkracht van werknemers niet stijgt.

Toch is het niet ondenkbaar dat de structurele groei hoger zal liggen dan nu het geval is. In het scenario Vierde Industriële Revolutie zal in de Westerse wereld visionair beleid worden gevoerd om de economie structureel te versterken Uit dit scenario blijkt dat we de bijdrage van de huidige technologische ontwikkelingen aan de economische groei hebben onderschat. Hierdoor zal de groei in 2018-2023 op 2,3 procent liggen, waarmee we langzaamaan weer in de richting van het trendmatige groeipad van voor de crisis komen.

Het huidige politieke klimaat maakt het echter ook goed denkbaar dat landen steeds meer uit elkaar drijven door toenemend protectionisme. In het scenario Deglobalisering daalt de wereldhandel sterk, waardoor vooral de uitvoergroei in Nederland in de periode 2018-2023 laag zal zijn. Hierdoor ligt de gemiddelde economische groei in deze periode op 0,3 procent, waardoor we door vraaguitval onder ons potentieel groeien.

Hoe de economie zich de komende jaren werkelijk ontwikkelt, blijft gissen. Maar naar onze mening geven deze scenario’s de bandbreedte aan van de risico’s en kansen voor de Nederlandse economie. 

Scenario I: Doormodderen

De Westerse wereld slaagt er niet in met een gezamenlijk antwoord te komen op de problemen die zich aandienen. Nieuwe opspelende problemen worden steeds met kunst- en vliegwerk en halve maatregelen aangepakt, waardoor de scherpste kantjes er vanaf worden gehaald, maar niets echt wordt opgelost. Europa versterkt op sommige terreinen de samenwerking (bewaking buitengrenzen), terwijl het op andere terreinen verslapt (begrotingsbeleid, landbouwbeleid). Er is geen sprake van substantiële verdere integratie. Het blijft bij pappen en nathouden. Daardoor blijven er in het systeem grote spanningen onder de oppervlakte. Deze spanningen en halve oplossingen zorgen steeds weer voor nieuwe brandhaarden en onrust, met als gevolg veel volatiliteit, zowel op de financiële markten als in het vertrouwensklimaat. Deze situatie is op langere termijn niet houdbaar, maar kan de komende jaren nog best aanhouden (Zie: Visie op 2017: de wereldeconomie in het Trump-tijdperk).

Ook de Nederlandse overheid treedt niet daadkrachtig op. Zij neemt geen maatregelen om de economie structureel te versterken. Weliswaar investeert zij nog wel in innovatie en ondernemerschap, maar niet voldoende en zonder duidelijke visie. De structurele economische groei blijft daarom 1,2 procent in de periode 2018-2023.[1] Ook wordt er geen aanvullend overheidsbeleid gevoerd. Een begrotingstekort van 0,6 procent in 2017 wordt hierdoor omgezet in een gemiddeld overschot van 0,5 procent in de periode 2018-2023. Daarbij stijgen vooral de collectieve lasten door toenemende zorgkosten. Deze stijging hangt samen met demografische ontwikkelingen en een intensivering van de zorg, en vertaalt zich in hogere premies. Mede hierdoor neemt de koopkracht van huishoudens de komende jaren nauwelijks toe.

Uitvoer

Figuur 1: Exportgroei blijft steken op post-crisis ontwikkeling
Figuur 1: Exportgroei blijft steken op post-crisis ontwikkelingBron: CBS, Rabobank

Het Nederlandse uitvoervolume groeit in dit scenario met gemiddeld 4,0 procent in de periode 2018-2023. Hiermee groeit de uitvoersector in ongeveer hetzelfde tempo als we gemiddeld na de crisis van 2008 hebben gezien, maar wel in een aanzienlijk lager tempo dan het gemiddelde van voor de crisis (figuur 1). Dit heeft alles te maken met de aanhoudende zwaktes van de mondiale economie (Zie: Visie op 2017: de wereldeconomie in het Trump-tijdperk). De voor Nederland belangrijke handelspartners laten een gematigde groei zien, terwijl (handels-)verdragen die de verdere internationale integratie zouden bevorderen op de planken blijven liggen. Ook helpt een klimaat van onzekerheid en volatiliteit de internationale handel niet.

Consumptie

De volumegroei van de consumptie van huishoudens is in dit scenario gematigd, met gemiddeld 0,7 procent per jaar in de periode 2018-2023. Dit komt vooral doordat het besteedbare inkomen van huishoudens nauwelijks stijgt. Een belangrijke reden hiervoor is dat de oplopende inflatie niet gepaard gaat met een gelijke stijging van de lonen, waardoor de reële lonen maar beperkt toenemen (figuur 2). Ook is de stijging van de werkgelegenheid gematigd in de periode 2018-2023 en gaan de stijgende zorgpremies ten koste van het besteedbare inkomen van huishoudens.

Figuur 2: Lage reële loongroei zorgt voor matige groei besteedbaar inkomen huishoudens
Figuur 2: Lage reële loongroei zorgt voor matige groei besteedbaar inkomen huishoudensBron: CBS, Rabobank

Het blijvende relatief lage renteniveau heeft een tweeledig effect op de consumptie. Enerzijds zorgt de lage rente ervoor dat de woningprijzen in reële termen stabiliseren. Dit heeft een beperkt positief effect op de vermogenspositie van huishoudens. Anderzijds zorgt de aanhoudend lage rente voor problemen bij pensioenfondsen, waarvan de dekkingsgraden onder het vereiste niveau blijven. Hierdoor lopen de pensioenpremies op en wordt er gekort op de pensioenen. Dit tast het besteedbare inkomen van huishoudens aan, en de aanhoudende onzekerheid zorgt voor een lager consumentenvertrouwen, vooral onder ouderen. De onzekerheid is ook door de sterke toename van de zorgkosten groot en de discussie gaat over wie hiervoor de rekening moet betalen. Het effect van een langdurig laag renteniveau is daarom per saldo negatief voor de binnenlandse consumptie, door de grote pensioenvermogens in Nederland. Dat het reëel besteedbare inkomen van huishoudens nog wel toeneemt, komt doordat meer mensen werk vinden en de lonen in reële termen de komende jaren licht stijgen.

Private investeringen

De private investeringen groeien bij verder doormodderen gemiddeld met slechts 1,5 procent per jaar in de periode 2018-2023. De woninginvesteringen worden niet langer gestimuleerd door een stijging van het aantal transacties op de woningmarkt. Dit zorgt voor een aanmerkelijk lagere groei van de woninginvesteringen in deze periode. Tegelijkertijd zorgen de aanhoudende onzekerheid en volatiliteit op de financiële markten voor een onzeker investeringsklimaat. Hierdoor zien bedrijven weinig reden om uitbreidingsinvesteringen te doen. 

Arbeidsmarkt

Figuur 3: Werkloosheid nadert evenwichtswaarde in 2023
Figuur 3: Werkloosheid nadert evenwichtswaarde in 2023Bron: CBS, Rabobank

De arbeidsmarkt herstelt in de loop der jaren verder. Het arbeidsaanbod neemt in de periode 2018-2023 nog wel trendmatig toe, maar de groei wordt ondanks de verhoging van de AOWw-leeftijd steeds zwakker door de verdere vergrijzing. De werkgelegenheidsgroei is in deze periode sterker dan de groei van het arbeidsaanbod, waardoor de werkloosheid geleidelijk daalt. Wij verwachten dat de werkloosheid aan het eind van de periode de evenwichtswaarde van 4,5 procent nadert, wat de facto betekent dat de output gap dan is gesloten (figuur 3). 

Tabel 1: ramingstabel Nederland 2016-2023
Tabel 1: ramingstabel Nederland 2016-2023Bron: CBS, Rabobank

 

Voetnoot
[1] Dat we in deze periode toch met 1,4 procent groeien, komt doordat we momenteel nog onder het structurele economische niveau zitten. Wij verwachten in dit scenario dat de output gap aan het eind van de periode, in 2023, is gesloten.

 

Scenario II: De Vierde Industriële Revolutie

Kunstmatige intelligentie, robotica, smartphones, 3D-printen, nanotechnologie. De disruptieve technologische ontwikkelingen hebben elkaar de afgelopen jaren in een duizelingwekkend tempo opgevolgd. Heel wat economen en schrijvers verwachten een aanmerkelijke stijging van de productiviteitsgroei door nieuwe technologische doorbraken, van wie de economen Brynjolfsson en McAfee (2014) wellicht de bekendste zijn. Maar ook het Word Economic Forum (2016) gelooft dat de huidige technologische ontwikkelingen zich met een snelheid ontwikkelen die historisch ongeëvenaard is. Zij menen dan ook dat we ons na de drie centrale doorbraaktechnologieën -de stoommachine, elektriciteit en ICT- moeten opmaken voor de Vierde Industriële Revolutie. Door een samensmelting van verschillende technologieën vervagen hier de lijnen van de fysieke, digitale en biologische domeinen (figuur 4).

Figuur 4: technologische ontwikkelingen
Figuur 4: technologische ontwikkelingenBron: World Economic Forum (2016) en Rabobank

Dit raakt alle landen en alle industrieën. Door de snelheid en alomvattendheid van deze processen is het niet ondenkbaar dat we tien jaar geleden zonder het te merken al de Vierde Industriële Revolutie zijn binnengetreden. De technieken hadden echter meer dan tien jaar nodig om zich te vertalen in hogere productiviteitsgroei, waardoor we hiervan pas in 2018 de gevolgen zullen merken.

Dit proces krijgt ook hulp van internationale politieke daadkracht om de structurele productiviteitsgroei te versterken. Overheden, de Duitse maar zeker ook de Nederlandse, zien de mogelijkheden die de lage rente en de goede overheidsfinanciën hun bieden. Ze zien tevens de noodzaak van daadkracht en een duidelijke economische visie en investeren daarom vanaf 2018 overtuigend en gericht in onder meer R&D, innovatie en ondernemerschap.

De resulterende innovatiewinst die initieel plaatsvond in de meer ontwikkelde economieën -de eurozone, de VS en het VK- vertaalt zich hier in een jaarlijkse additionele groei van de Total Factor Productivity (TFP) van rond de 1 procent (Zie: Het onbekende potentieel van de Nederlandse economie). De additionele overheidsbestedingen in Nederland en Duitsland verhogen de Nederlandse kapitaalvoorraad verder, waardoor de potentiële groei in Nederland bijna verdubbelt ten opzichte van Doormodderen en uitkomt op 2,3 procent.

Is alleen Nederland in staat grote technologische vooruitgang te boeken en de TFP groei te verhogen, dan leidt dit niet direct tot een veel hogere BBP-groei. De open aard van de economie heeft hier alles mee te maken. Een technologische schok enkel in Nederland leidt weliswaar tot hogere investerings- en consumptiegroei, maar een groot deel van het effect hiervan op de groei lekt door importen weg naar het buitenland. Ook neemt de export nauwelijks toe door zo’n impuls omdat er geen additionele vraag vanuit het buitenland is.

De Vierde Industriële Revolutie is echter een mondiaal fenomeen, waardoor we ook een toename van de TFP-groei zien in andere landen. Dit leidt tot een jaarlijkse additionele stijging van het Nederlandse BBP in de periode 2018-2023. De opleving van buitenlandse economieën zorgt voor extra vraag naar Nederlandse goederen en diensten, waardoor de exportgroei een stuk hoger ligt (tabel 2). Tegelijkertijd zorgen de additionele overheidsbestedingen voor een extra vraagimpuls. De toegenomen effectieve vraag werkt ook door in andere bestedingscomponenten, zoals de private investeringen. Deze laten een veel hogere groei zien dan in het doormodderscenario.

Ondanks de vraagimpuls uit het buitenland en van de overheid is de vraagzijde op korte termijn niet in staat in een zelfde tempo te groeien als de aanbodkant van de economie. De technologische vooruitgang zorgt namelijk voor een grotere productiecapaciteit. Maar zolang deze niet wordt ‘bevraagd’, wordt de output gap in de periode 2018-2023 gemiddeld iets groter, waardoor de inflatie in deze periode laag is. Ook de rente blijft hierdoor laag, wat positief is voor de woningmarkt maar slecht voor de dekkingsgraden van pensioenfondsen. Op de langere termijn (na 2023) zal de output gap echter wel sluiten.

De snelle ontwikkelingen van nieuwe technieken in de Vierde Industriële Revolutie hebben een tweeledig effect op de arbeidsmarkt. Enerzijds verdwijnen relatief veel van de huidige banen door de invoering van nieuwe productieprocessen en technieken, vooral bij middelbaar gekwalificeerde arbeid (Erken et al., 2016). Tegelijkertijd worden er veel nieuwe banen gecreëerd, vooral bij laaggeschoolde en hooggeschoolde arbeid. Netto is dit effect positief voor de werkgelegenheid, waardoor de werkloosheid in dit scenario lager ligt dan in het scenario Doormodderen.

De consumptie stijgt in dit scenario met gemiddeld 1 procent over de periode 2018-2023. Het besteedbare inkomen van huishoudens neemt in deze periode gemiddeld namelijk een stuk harder toe dan in het doormodderscenario. De reële lonen nemen toe doordat de inflatie laag is terwijl de druk op de arbeidsmarkt de nominale lonen omhoog stuwt. Ook de werkgelegenheidsgroei zorgt voor een hoger besteedbaar inkomen. Tegelijkertijd blijft de rente laag, waardoor de dekkingsgraden van pensioenfondsen ook laag blijven. De resulterende onrust zorgt ervoor dat huishoudens voorzichtig blijven en de additionele inkomens niet allemaal consumeren.

De private investeringen nemen in dit scenario na een lichte afzwakking in 2017 weer sterker toe. De groei zit voor het grootste deel bij de bedrijfsinvesteringen, aangezien het herstel op de woningmarkt in de periode 2018-2023 juist wat gematigder is dan ervoor. De toegenomen vraag naar goederen en diensten vanuit het buitenland en vanuit de overheid leiden tot vraaginvesteringen, terwijl ook de nieuwe technologische ontwikkelingen leiden tot additionele investeringen.

De overheidsfinanciën ontwikkelen zich in dit scenario minder gunstig. Door de toegenomen economische activiteit, de stijging van de werkgelegenheid en de stijging van de lonen nemen de belastinginkomsten weliswaar toe, maar gemiddeld zal er in de periode 2018-2023 toch een tekort zijn. Mede door de technologische vooruitgang zullen de zorgkosten in dit scenario stijgen, waardoor de toegenomen inkomsten zich niet helemaal doorvertalen in een gunstiger saldo. Daarnaast zorgt de extra impuls vanuit de overheid voor een  verdere verslechtering van het saldo. Uiteindelijk blijven de overheidsfinanciën wel keurig binnen de Europese vangrail van 3 procent.

Tabel 2: Ramingstabel 2017-2023
Tabel 2: Ramingstabel 2017-2023Bron: CBS, Rabobank

Scenario III: Deglobalisering

De uitslag van het Brexit-referendum, de overwinning van Donald Trump en de stemming in Wallonië over het CETA verdrag blijken het einde van een lange periode van globalisering in te luiden. Na decennia van economische en politieke integratie staan we nu aan het begin van een keerpunt met veel geopolitieke onrust. Hierbij treden protectionisme en nationalisme op de voorgrond, doordat een aanzienlijk deel van de samenleving zichzelf beschouwt als een verliezer van deze ontwikkelingen. Economisch historicus Jan Luiten van Zanden (2016) ziet in de huidige tijd duidelijk overeenkomsten met het einde van de globalisering aan het begin van de twintigste eeuw. Aan het eind van de negentiende eeuw kende de mondiale economie een periode van sterke integratie, zo sterk dat de wereld naar sommige maatstaven toen meer geglobaliseerd was dan nu. Ook toen waren er echter aanzienlijke groepen die er op achteruit gingen, voornamelijk boeren en groot-industriëlen op continentaal-Europa. Dit leidde tot een grote weerstand tegen globalisering en verdere economische en politieke integratie. Het bleek een goede voedingsbodem voor protectionisme en nationalisme, waarbij deze krachten uiteindelijk samenkwamen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 en de opmaat vormden voor de Tweede Wereldoorlog.

Zover gaan we in dit scenario niet. Maar ook nu zijn er duidelijke economische verliezers van de globalisering, zoals de fabrieksarbeiders in de maakindustrie in de VS. Tegelijkertijd zijn grote delen van de bevolking er de afgelopen decennia nauwelijks op vooruitgegaan als het gaat om hun besteedbare inkomen. De nadelen van globalisering worden tegenwoordig breed uitgemeten, terwijl de voordelen niet meer worden genoemd en de grote gevaren van economische en politieke desintegratie uit het geheugen zijn verdwenen. Dit leidt tot de steeds sterkere opkomst van nationalistische en protectionistische politieke bewegingen. Steeds meer landen keren hun blik naar binnen: oude handelsverdragen worden opgeschort en er is geen enkele bereidwilligheid tot internationale economische en politieke samenwerking. Handelsblokken vallen uit elkaar en sterke handelsbarrières worden ingevoerd. De volatiliteit op de financiële markten neemt sterk toe en de onzekerheid voor bedrijven is zeer groot.

De wereldhandelsgroei ligt daarom in het scenario Deglobalisering in de periode 2018-2023 jaarlijks gemiddeld bijna 2 procentpunt lager dan in het doormodderscenario, waar de handelsgroei al zwakker was dan voor de crisis. Nederland heeft hier als open economie veel last van: het volume van de export in de periode 2018-2023 groeit slechts met 1,5 procent per jaar. Dit vertaalt zich ook door naar lagere groei in andere bestedingscomponenten. Er is sprake van grootschalige vraaguitval, wat uiteindelijk tot gevolg heeft dat er in ons land nauwelijks economische groei is. Het BBP-volume neemt in de periode 2018-2023 jaarlijks gemiddeld maar met 0,3 procent toe.

Door de vraaguitval wordt de afstand tussen het daadwerkelijke BBP en het potentiële BBP in dit scenario steeds groter, waardoor de output gap steeds negatiever wordt. Dit heeft tot gevolg dat ook de inflatie zeer laag blijft, met 0,8 procent gemiddeld ruim onder de ECB-doelstelling van rond de 2 procent. Dit alles heeft tot gevolg dat ook de rente in de periode 2018-2023 laag blijft.

Ook de private investeringen komen tot stilstand. De woningmarkt herstelt niet meer (de prijzen dalen zelfs in reële termen), terwijl bedrijven hun investeringen door de vraaguitval uit het buitenland en de grote onzekerheid opschorten. De groei van de kapitaalgoederenvoorraad is hierdoor ook wat zwakker, waardoor de potentiële groei eveneens iets afzwakt.

De volumegroei van de private consumptie is lager dan in het doormodderscenario. De belangrijkste reden hiervoor is dat het besteedbare inkomen in dit scenario niet toeneemt. Tegelijkertijd is de werkgelegenheidsgroei te laag om de toename van het arbeidsaanbod op te vangen. De werkloosheid ligt hoger dan bij het scenario Doormodderen. De nominale loongroei zwakt zodanig af dat de lonen ondanks de gematigde inflatie in reële termen dalen. Door de zwakke ontwikkeling van het besteedbare inkomen dalen ook de huizenprijzen in reële termen, ondanks het lage renteniveau. Ook pensioenfondsen komen steeds meer in de problemen. De aanhoudend lage rente tast de dekkingsgraden aan, terwijl de lage mondiale groei zorgt voor lagere opbrengsten uit onder meer aandelen. Dit alles draagt bij aan een zwakke ontwikkeling van de private consumptie.

In tegenstelling tot Doormodderen is er in het scenario Deglobalisering sprake van een begrotingstekort, van gemiddeld 0,3 procent over de periode 2018-2023. De belangrijkste reden hiervoor is dat het inkomen van huishoudens sterk lager ligt ten opzichte van het doormodderscenario, waardoor de opbrengsten uit de inkomstenbelasting lager zijn. Ook is de groei van het nominale BBP lager. Het hogere tekort en de lagere nominale BBP-groei hebben tot gevolg dat ook de schulden afgezet tegen het BBP gemiddeld hoger liggen dan in het doormodderscenario.

Tabel 3: Ramingstabel 2017-2023
Tabel 3: Ramingstabel 2017-2023Bron: CBS, Rabobank

Faciliteren van vooruitgang

De toekomst is onzeker. En zeker niet maakbaar. We weten op dit moment niet eens of we nu te maken hebben met onderbesteding, beperkte technologische vooruitgang of juist een economie die de komende jaren gaat groeien. Drie scenario’s voor de toekomst van Nederland geven heel verschillende uitkomsten met betrekking tot economische variabelen zoals economische groei, werkloosheid, overheidstekort en inflatie. Wat leren deze scenario’s ons voor het mogelijke toekomstige beleid voor Nederland?

De dilemmaloze Haagse wereld

De economische groei in het scenario Deglobalisering is gemiddeld 0,3 procent per jaar gedurende zes jaar. Dat is laag, maar nog altijd 0,1 procentpunt hoger dan het gemiddelde van de zeven jaren die achter ons liggen. In het scenario Vierde Industriële Revolutie gaan we uit van een groei van gemiddeld 2,3 procent in de komende zes jaar. Dat lijkt wellicht hoog, maar de gemiddelde groei in de periode voor 2008 bedroeg 2,5 procent. De bandbreedte van de scenario’s is dus nog beperkter dan wat Nederland in het nog niet zo heel verre verleden al heeft meegemaakt.

Deze bandbreedte van onzekerheid lijkt nog niet tot de Haagse werkelijkheid te zijn doorgedrongen. Het CPB gaat in zijn middelangetermijnramingen uit van een economische groei van 1,7 procent. Daarbij komt de geruststellende boodschap dat dit ertoe leidt dat de overheidsfinanciën zonder aanvullend beleid in veilig vaarwater terechtkomen, met in 2021 een begrotingsoverschot van bijna één procentpunt. Deze doorrekening is de basis voor de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s, waar ze nu aan de Bezuidenhoutseweg waarschijnlijk druk mee bezig zijn.

Dit beeld van het CPB kan natuurlijk uitkomen. Maar het is wel iets positiever dan het beeld dat wij in ons scenario Doormodderen neerzetten. Het verschil zit vooral in de groei van de arbeidsproductiviteit, waar wij wat minder positief over zijn. Maar goed, dat zijn detailverschillen. Het grote probleem met de CPB-cijfers is dat deze door politici als dilemmaloos worden ervaren: echt bezuinigen is niet nodig, we krijgen geen crisis in Nederland en we hoeven ons ook niet voor te bereiden op een wereld die er ofwel door innovatie ofwel door protectionisme totaal anders uit komt te zien. En dat dreigt voor stilstand te zorgen. Zeker als er na de komende Tweede-Kamerverkiezingen zeker vier of vijf partijen nodig zijn om een kabinet te vormen.

Een onzekere wereld vraagt om standvastig beleid

Maar de toekomst van de economie is niet dilemmaloos. De economische onzekerheid is groot. Het monetaire beleid is nog ongekend ruim. De private schulden zijn nog steeds hoog. En met een Brexit, de verkiezing van Trump en verkiezingen in veel Europese landen in het vooruitzicht zal die onzekerheid de komende tijd ook niet afnemen. En dan is het wel handig om als land enigszins voorbereid te zijn.

Natuurlijk is het geen beleidsmatige keuze welke wereld werkelijkheid wordt. Maar we kunnen wel zo goed mogelijk zijn voorbereid op de verschillende mogelijke scenario’s. Daarom is er een aantal zaken die we uit onze gedachtenoefening kunnen leren.

Ten eerste hoeven we ons niet zo heel druk te maken om snel hoog oplopende werkloosheid. Ook in een scenario met minder economische groei valt de schade op de Nederlandse arbeidsmarkt nog mee. Belangrijke reden hiervoor is natuurlijk de vergrijzing. Maar dit betekent niet dat er niets moet gebeuren op de arbeidsmarkt. Het grote verschil tussen zzp’ers en ‘vaste’ krachten blijft natuurlijk een probleem zonder beleid. En in De Vierde Industriële Revolutie betekent dit ook dat het aanpassingsvermogen van mensen te klein zal zijn, zodat voor sommige groepen langdurige werkloosheid op de loer ligt.

Ten tweede valt de ontwikkeling van het besteedbare inkomen tegen. Zelfs in het scenario Vierde Industriële Revolutie is de toename van de koopkracht beperkt. Dit heeft alles te maken met hoe we zaken collectief hebben ingericht in Nederland. De liquiditeit van Nederlandse huishoudens is beperkt, doordat aan de ene kant behoorlijk veel van hun vermogen vastzit in huizen en pensioenen terwijl aan de andere kant veel uitgaven, zoals voor de zorg, vooral collectief worden gefinancierd. In elk scenario is het een no-regret optie om de Nederlandse instituties rondom pensioen, zorg en het eigen woningbezit aan te passen.
Het derde punt is dat in alle scenario’s investeren in innovatie, kennis en ondernemerschap loont. Dat kan al op relatief korte termijn leiden tot extra groei. Dit laten we in het scenario Vierde Industriële Revolutie gebeuren, maar ook in andere scenario’s levert dit economische groei, koopkracht en banen op.

Als laatste gaat het ook om een juiste balans tussen activering en zekerheid. Een open, onzekere economie vraagt dat mensen de kans krijgen hun vaardigheden bij de tijd te houden. Dat betekent dat sociale zekerheid royaal genoeg moet zijn zodat mensen de tijd hebben om bij of om te scholen. Daarbij moet dit beleid activerend genoeg zijn: mensen moeten dit ook echt doen. Alleen dit kan mensen wapenen tegen globalisering en een onzekere omgeving.

Haarscheurtjes repareren

Ook de scenario’s zoals door ons gepresenteerd bieden geen uitputtend overzicht van de mogelijke ontwikkelingen van de Nederlandse economie voor de komende jaren. Maar ze laten wel zien dat Nederland niet in alle opzichten klaar is om met verschillende economische situaties om te gaan. En hoewel voortmodderen misschien op de loer ligt als we het aan politici overlaten, zou het juist heel verstandig zijn om de structurele weeffouten in de Nederlandse economie –pensioenen, arbeidsmarkt, zorg, woningmarkt– verder aan te passen en klaar te maken voor welk scenario dan ook. Want de kleine haarscheurtjes van nu kunnen bij zwaarder economisch weer leiden tot grote scheuren en het ineenstorten van het bouwwerk. En haarscheurtjes repareren is dan toch een stuk efficiënter.

Literatuur

Brynjolfsson, E. en A. Mcafee (2014), The Second Machine Age: Work, Progress and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies, New York: W.W. Norton & Company.

World Economic Forum (2016). The Fourth Industrial Revolution: what it means, how to respond.

Erken, H., Smid, T. and Versteegh, E. (2016). ICT-impuls zorgt tot 2020 voor 120 duizend extra banen, Rabobank themabericht.

Zanden, Jan Luiten van (2016). Het einde van de globalisering, MeJudice.

 

Colofon

De Visie op 2017 is een uitgave van RaboResearch van Rabobank en kwam mede tot stand in samenwerking met Financial Markets Research. De afsluitdatum van deze publicatie is 28 november 2016.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen en scenario's zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. RaboResearch aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek, OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, IMF: Internationaal Monetair Fonds, CPB: Centraal Planbureau, ECB: Europese Centrale Bank, Fed: Federal Reserve.

© 2016 - Coöperatieve Rabobank U.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)
Martijn Badir
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 - 21 62666
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven