RaboResearch - Economisch Onderzoek

Duurzame ontwikkeling in Nederland: niet slecht, maar nu nog doelen en data

Economisch commentaar

Delen:
  • Nederland scoort gemiddeld goed op de Sustainable Development Goals
  • Daarbij is het meten van prestaties per land nog wel lastig
  • Op een aantal indicatoren, met name milieugerelateerd, scoort Nederland niet goed
  • Ook is Nederland relatief ongelijk op basis van inkomen en geslacht
  • Het is aan de politiek en aan het bedrijfsleven om de komende jaren de doelen te definiëren en te realiseren

Het CBS heeft vandaag voor het eerst indicatoren gepubliceerd op basis van de zogenaamde Sustainable Development Goals (SDG’s, duurzame ontwikkelingsdoelen) van de Verenigde Naties. Dit zijn door 193 regeringsleiders ondertekende doelen die een breed perspectief van welvaart dekken. Voor Nederland leidt deze eerste aanzet tot nuttige inzichten: op de nu veelal gebruikte economische beleidsindicatoren zoals inkomen en gezondheid scoort Nederland goed, maar op milieu-indicatoren en man-vrouwgelijkheid scoort ons land ronduit slecht in vergelijking met andere Europese landen. Maar andere inzichten zijn ook dat data om indicatoren te meten ontbreken en dat voor Nederland ook politieke doelstellingen ontbreken op veel aspecten. De politiek maar ook het bedrijfsleven heeft de komende tijd nog een grote taak om de doelen te definiëren en te realiseren.

Figuur 1 De duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN
Figuur 1 De duurzame ontwikkelingsdoelen van de VNBron: VN

Brede welvaart, bbp en SDG’s

In veel landen, waaronder ook in Nederland, woedt al geruime tijd een discussie over hoe welvaart in de breedste zin van het woord het best kan worden gemeten. Die discussie gaat eigenlijk terug naar het rapport van de Club van Rome (Meadows et al., 1972) en heeft al veel alternatieve indicatoren voortgebracht (zie bijvoorbeeld Stegeman en Meinema, 2016). Belangrijkste reden voor de alternatieven is het besef dat het bruto binnenlands product (bbp, ofwel economische groei) geen welvaart meet maar vooral productie, terwijl het in beleid wel vaak als benadering voor welvaart wordt gebruikt. Een betere definitie van duurzame ontwikkeling volgens brede welvaart is de definitie uit het zogenaamde Brundtland-rapport: ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Het rapport van de commissie Stiglitz (Stiglitz et al., 2009) heeft de laatste jaren veel invloed gehad op de discussie. In Nederland heeft de Tweede Kamer recent een uitgebreid rapport uitgebracht (Tweede Kamer, 2016) met als belangrijkste aanbeveling dat Nederland ook een ‘monitor brede welvaart’ moet krijgen.

De SDG’s zijn niet helemaal gelijk aan het meten van bredere welvaart volgens de Brundtland-definitie, zoals het CBS ook aangeeft. Zo mist een duidelijk methodologisch kader en zijn afruilen tussen elementen die welvaart bepalen niet helder in kaart gebracht. Het doel van de SDG’s is dan ook vooral een politieke in plaats van een wetenschappelijke: hoe kunnen we op systematische wijze sturen op een betere wereld in 2030. En daarvoor dien je wel te meten hoe het er voor staat.

SDG’s meten

Het CBS slaagt erin voor 129 van de 192 in VN-verband gevraagde indicatoren ‘iets’ op te leveren. In sommige gevallen (een derde) de exacte indicator, in veel gevallen een benadering of een alternatieve indicator (figuur 2). Dit geldt eigenlijk voor nagenoeg alle doelen, alleen bij onderwijs, genderongelijkheid en duurzame infrastructuur heeft het CBS meer indicatoren gebruikt.

Figuur 2 Nog veel ontbrekende indicatoren voor SDG’s
Figuur 2 Nog veel ontbrekende indicatoren voor SDG’sBron: CBS

Het beeld dat opdoemt uit het meten van deze indicatoren is dat  Nederland ten opzichte van andere Europese landen relatief goed scoort op Duurzame Doelen 8 (economische groei en werk), 16 (vrede, recht en instituties), 3 (gezondheid en welzijn) en 17 (internationale samenwerking), waarbij wel zij opgemerkt dat de trend voor de laatste negatief is.

Relatief slecht scoort Nederland op Duurzame Doelen 5 (gendergelijkheid), 7 (klimaat en energie),  10 (gelijkheid), 13 (klimaat) en 15 (bescherming bos, land en bodem). Door de hoge bevolkingsdichtheid, de relatief grote agrarische sector en de beperkte beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen is de druk op de leefomgeving relatief groot. Daarbij is de Nederlandse economie relatief energie-intensief. Dit zorgt voor veel uitstoot van broeikasgassen. Door drie elementen scoort Nederland relatief laag op gelijkheid. Ten eerste is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen groter dan in veel andere ontwikkelde landen. Daarnaast is het aantal mensen onder de armoedegrens relatief hoog en wordt relatief veel sociale ongelijkheid ervaren.

Op een aantal doelen is het beeld gemengd. Zo scoort Nederland op 4 (onderwijs) wel goed waar het gaat om vaardigheden en leven lang leren, maar minder positief op onderwijs en kennis. Hierbij ligt zowel het aandeel hoger opgeleiden als dat van de R&D-uitgaven rond het Europese gemiddelde, terwijl de groei in andere landen de afgelopen jaren hoger was.

Het CBS geeft geen totaalscore van Nederland ten opzichte van andere landen, iets wat bijvoorbeeld de Bertelsmann-Stiftung eerder wel heeft gedaan (Nederland kwam uit op een zevende plek van een groep van 34 landen). Op basis van de CBS-exercitie kan eenzelfde beeld worden opgemaakt.

Ontbreken van beleidsambities: rol voor politiek en bedrijfsleven

Zoals het CBS aangeeft, is het meten van de duurzame ontwikkelingsdoelen voor een land maar een deel van de opgave. Veel belangrijker is dat er ook voor Nederland duidelijke politieke doelen voor 2030 worden gesteld. Deze eerste inspanning van het CBS is daarbij uiteindelijk meer een oproep aan de politiek: formuleer doelen voor duurzame ontwikkeling. Het bedrijfsleven kan daarbij een grote rol spelen SDG’s te vertalen naar concrete rapportages van bedrijfsprestaties zodat wat micro gebeurt in lijn is met wat op macroniveau de gewenste uitkomst moet zijn. Dit rapport laat in ieder geval voor Nederland zien dat er nog genoeg werk aan de winkel is.

 

Literatuur

Brundtland, G. (1987) Our common future. Report of the World Commission on Environment and Development, UN: New York.

Meadows, D.H., D.L. Meadows, J. Randers en W.W. Behrens III (1972), The Limits to Growth: a global challenge, rapport in opdracht voor Club van Rome, New York: Universe Books.

Stiglitz, J., A. Sen en J. Fitoussi (2009). Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress. Parijs.

Stegeman, H. en I. Meinema (2016), Verschillende welvaartsindicatoren, verschillende welvaart?Rabobank Special: Utrecht.

Tweede Kamer (2016), Rapport – Tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip. Tweede Kamer: Den Haag.

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO
Rita Bhageloe-Datadin
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
Tara Janssen
RaboResearch Nederland, Economie en Duurzaamheid Rabobank KEO

naar boven