RaboResearch - Economisch Onderzoek

Broze grandeur

Column

Delen:

Onzekerheid heeft een wrange bijsmaak, zeker wanneer de term in een zin wordt gebruikt met de woningmarkt. Daar zorgde beleidsonzekerheid vóór 2013 tot terughoudendheid van kopers en prijsdalingen. Geen wonder dat minister Stef Blok voor Wonen daarom al jaren oproept tot ‘beleidsrust’, om het herstel op de woningmarkt vooral niet in de weg te zitten.

Het was dan ook verrassend dat nota bene zijn collega Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die over een klein deel van de woningmarkt gaat, zich daar niet aan hield. Zij kondigde met Prinsjesdag aan de monumentenaftrek op de schop te willen nemen, en op den duur te vervangen door een afgeslankte subsidiepot. Het heeft voor een kleine aardbeving gezorgd in monumentenland.

Wie nu in een van de pakweg 35.000 rijksmonumentale woningen woont, mag 80 procent van de onderhoudskosten voor zijn huis aftrekken van zijn bruto-inkomen. Dat scheelt bij renoveren duizenden euro’s. Dat klinkt oneerlijk ten opzichte van bewoners van reguliere huizen, maar de betrokkenheid van monumentenbewoners met ‘ons’ erfgoed valt te prijzen. Het onderhouden van een monumentale, oude woning kost namelijk flink meer tijd en geld. Denk aan de kosten van het restaureren van knipvoegen, het opknappen van eeuwenoude ornamenten of het in oorspronkelijke staat terugbrengen van al het houtwerk. Eigenaren kunnen daarvoor weliswaar een voordelige hypotheek krijgen via het Restauratiefonds, maar de belangrijkste ondersteuning zit voor hen in de fiscale verrekening van hun onderhoudskosten.

Bussemaker wil de regeling vervangen voor een pot geld, waar bewoners pas achteraf een verzoek kunnen indien voor compensatie. Bovendien zitten er maximumbedragen aan de subsidie. Voor bezitters van rijksmonumenten worden de netto-onderhoudskosten dus een stuk onzekerder. Vereniging Eigen Huis en makelaarsvereniging NVM stonden dan ook direct op hun achterste benen. Met hun protest wisten ze het voornemen om al per 1 januari aanstaande te tornen aan de monumentenaftrek van de baan te krijgen. Maar het kabinet wil de regeling – die de overheid nu nog 170 miljoen euro per jaar kost – in de toekomst alsnog herzien. Daarmee ijlt de onzekerheid in die kleine nichemarkt voor rijksmonumenten na.

Nu zal dit naar verwachting niet direct leiden tot onverkoopbare oude huizen in steden als Utrecht, Amsterdam of Haarlem. De vraag naar woningen is daar zo groot, en het aanbod nog zo klein, dat het wel of niet kunnen aftrekken van de hoge onderhoudskosten voor de meeste kopers die zoeken naar een monument misschien wel helemaal geen rol speelt.

Maar wat te denken van de duizenden rijksmonumenten die Friesland en Groningen sieren, of Zeeland en Limburg? Gebieden waar de woningmarkt onder druk staat door bevolkingskrimp en -stagnatie, en waar woningbezitters veel moeite hebben om kopers voor hun huizen te vinden. Het is de vraag of de beperking van de subsidie van de onderhoudskosten zich in die regio’s kan vertalen in onverkoopbare rijksmonumenten. Met het risico dat die historische gebouwen hun grandeur uit vervlogen tijden langzaam verliezen. Dan is er geen aardbeving meer nodig om huizen onbewoonbaar te krijgen.

Delen:
Auteur(s)

naar boven