RaboResearch - Economisch Onderzoek

Het toekomstige verdienvermogen van Nederland

Themabericht

Delen:
  • Nederlandse bedrijven specialiseren zich steeds meer op een onderdeel van de waardeketen
  • De versnippering van de waardeketen zal naar verwachting nog verder doorgaan
  • We zullen ons bezig blijven houden met thema’s waar we van oudsher goed in zijn, maar we zullen meer opschuiven naar activiteiten in de dienstverlening

Nederlandse bedrijven specialiseren zich steeds meer op een klein onderdeel van de waardeketen bij het maken van een product of dienst. Bedrijven kijken namelijk steeds vaker of activiteiten van de waardeketen door andere bedrijven goedkoper kunnen worden uitgevoerd, waarbij ze ook over de grens heen kijken. Wat betekent dit voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland?

Toenemende internationale vervlechting

Sinds het begin van de negentiende eeuw is de omvang van de wereldhandel bijna continu toegenomen. Integratie van de wereldeconomie werd in de eerste fase vooral gedreven doordat transport over langere afstanden gemakkelijker werd. Over land door spoorwegen en later vrachtverkeer, over zee door stoomschepen en later containerschepen en door de lucht door beter, groter en sneller vliegverkeer. De Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van 1933 leidden ertoe dat de groei van de wereldhandel tijdelijk stagneerde. Na de Tweede Wereldoorlog herstelde de wereldhandel echter snel en begon deze weer toe te nemen, waardoor terugkijkend sprake is van een al twee eeuwen durende toename (Frederico et al., 2016).

Naast verbeteringen van de verschillende vervoersmogelijkheden gaf de ICT-revolutie een nieuwe impuls aan de wereldhandel. De komst van onder meer internet en de mobiele telefoon hebben ertoe geleid dat de transportkosten dusdanig zijn gedaald dat bedrijven niet alleen meer producten verhandelen, maar ook activiteiten of taken. De verschillende activiteiten in de waardeketen hoeven niet meer dicht bij elkaar plaats te vinden (Feenstra, 2008).

Box 1: Verschil tussen productieketen en waardeketen

Met een productieketen worden alle processen bedoeld die nodig zijn om van een grondstof een eindproduct te maken. De waardeketen van een product (in het Engels de ‘global value chain’) verwijst naar alle activiteiten die nodig zijn om een product te produceren. Een waardeketen is dus een breder concept en neemt ook de activiteiten mee die bijvoorbeeld voor of na de productie plaatsvinden, zoals research & development, logistiek, marketing en sales.

Steeds meer bedrijven werken mee aan de Nederlandse producten

De toegenomen handelsmogelijkheden hebben ook invloed op de structuur van het Nederlandse bedrijfsleven. Nederlandse bedrijven bekijken steeds meer of delen van hun productie elders goedkoper of efficiënter kan worden gedaan. Hierdoor kiezen zij er steeds vaker voor om delen van de productie niet zelf te maken, maar het uit te besteden aan andere bedrijven. Naast halffabricaten worden ook activiteiten die nodig zijn om het product of de dienst bij de consument te krijgen steeds vaker uitbesteed. Denk aan ICT-diensten zoals het onderhouden van de bedrijfswebsite, of de research & development en marketing van een product. Hierdoor werken steeds meer bedrijven mee aan een product of dienst.

Figuur 1: De Nederlandse industrie maakt meer gebruik van andere sectoren
Figuur 1: De Nederlandse industrie maakt meer gebruik van andere sectorenBron: World Input-Output Database, Rabobank

Figuur 1 geeft als voorbeeld de opbouw weer van de waardeketen van de Nederlandse industrie van elektronische en optische apparaten in 1995 en 2011[1]. Deze waardeketen laat zien van welke sectoren producten of diensten worden ingekocht voor het maken van elektronische en optische apparaten. Daarnaast is zichtbaar welk deel van de toegevoegde waarde door de industrie zelf wordt toegevoegd. Duidelijk is dat de toegevoegde waarde die door de sector zelf wordt gecreëerd, is afgenomen over de tijd. In 1995 ‘pakte’ de Nederlandse elektronische en optische industrie nog bijna 30% van de toegevoegde waarde, zestien jaar later is het net iets meer dan 20%. Ook het deel dat wordt ingekocht van andere bedrijven in de maakindustrie is gedaald met meer dan 20%. Een groter deel wordt ingekocht van de sector ‘verhuur en zakelijke dienstverlening’. In deze sector valt een brede groep bedrijven, waaronder verhuur- en leasebedrijven, bemiddelingsbedrijven, architecten en marketing- en onderzoeksbureaus.

Maar ook: steeds meer landen werken mee aan de Nederlandse producten

Behalve dat tegenwoordig gemiddeld meer bedrijven meewerken aan de Nederlandse producten en diensten, worden hierbij ook meer landen betrokken. Dit komt doordat bedrijven voortdurend beoordelen waar de verschillende onderdelen van het productieproces het voordeligst plaats kunnen vinden, waarbij ze ook over de grenzen heen kijken. En technologische ontwikkelingen zoals de opkomst van ICT hebben ervoor gezorgd dat het steeds gemakkelijker en goedkoper wordt om zaken te doen met buitenlandse bedrijven.

Figuur 2: De Nederlandse chemische industrie maakt steeds meer gebruik van buitenlandse halffabricaten
Figuur 2: De Nederlandse chemische industrie maakt steeds meer gebruik van buitenlandse halffabricatenBron: World Input-Output Database, Rabobank

Met name de Nederlandse maakindustrie is meer halffabricaten gaan inkopen uit andere landen. In 1995 kwam 46% van de halffabricaten en diensten die deze sector inkoopt uit het buitenland, in 2011 was dit gestegen naar 50%. Een voorbeeld van een branche binnen de Nederlandse maakindustrie die meer gebruik is gaan maken van producten en diensten uit andere landen is de chemische industrie. Van de producten die deze sector produceert, is het aandeel dat in Nederland werd toegevoegd aan het product flink gedaald tussen 1995 en 2011 (figuur 2). De chemiesector is voor het fabriceren van de producten meer gebruik gaan maken van halffabricaten uit het buitenland, zoals de Verenigde Staten, Rusland en China.

Vooral processen van de productieketens van bedrijven in de maakindustrie zijn vatbaar voor internationale uitbesteding. De maakindustrie produceert halffabricaten en eindproducten die relatief gemakkelijk in andere landen op dezelfde wijze kunnen worden gemaakt. Hierdoor kan een groot deel van de toegevoegde waarde van de waardeketen van de verwerkende industrie worden uitbesteed aan partijen in landen die dat goedkoper kunnen. Voor bedrijven in de dienstverlening is het in een aantal gevallen moeilijker om grote delen van de activiteiten internationaal uit te besteden. Van belang is dat de service ook over een lange afstand kan worden geleverd zonder dat de kwaliteit van de dienst er op achteruit gaat. Indien de dienstverlener en de klant op dezelfde locatie moeten zijn, is het minder gemakkelijk om een groot deel van de waardeketen internationaal uit te besteden. Denk bijvoorbeeld aan kapperszaken of beveiligingsbedrijven. Voor producten waarbij geen fysiek contact met de klant nodig is, is het gemakkelijker om een groot deel van de toegevoegde waarde uit te besteden (Blinder, 2007; Timmer et al., 2012). Denk aan Westerse IT-bedrijven die de ontwikkeling van software overlaten aan organisaties in India, of financiële dienstverleners die hun callcenters verplaatsen naar de Filipijnen.

De toekomst van het Nederlandse verdienvermogen

Voordat de handel in intermediaire producten enorm toenam, concurreerden landen voornamelijk met elkaar op prijs en kwaliteit van de verschillende eindproducten. Zodra een land niet meer goed kon concurreren in een bepaalde sector, kon die hele sector ten onder gaan. Doordat bedrijven zich tegenwoordig steeds meer bezighouden met slechts een deel van de waardeketen, wordt concurrentiekracht voor een groot deel bepaald door comparatieve voordelen in activiteiten die binnen een waardeketen worden uitgevoerd (Timmer et al., 2012). Het gaat bijvoorbeeld niet meer om welk land de beste boten maakt, maar waar de verschillende onderdelen van een boot het voordeligst kunnen worden geproduceerd en waar de activiteiten rondom de productie, zoals R&D en marketing, het best kunnen worden uitgevoerd. Het is in die zin voor het Nederlandse MKB eenvoudiger geworden om te profiteren van de wereldhandel dan voorheen: het ontplooien van één of enkele activiteiten volstaat. Aan de andere kant vergroot de verdere integratie in ketens de wederzijdse afhankelijkheid, concurrentie en de kwetsbaarheid voor schokken van buitenaf. Wanneer de productie door een extern effect negatief wordt beïnvloed in een bepaald deel van de waardeketen dan kan dit immers directe gevolgen hebben voor de activiteiten die verderop in de keten worden uitgevoerd. Dit onderstreept de noodzaak van een economie die zich snel kan aanpassen aan nieuwe omstandigheden.

Het is te verwachten dat het opknippen van waardeketens nog door zal gaan. Bedrijven zullen namelijk steeds de efficiëntie van de productie proberen te verhogen. De kans is dus groot dat Nederlandse bedrijven zich nóg verder zullen specialiseren op één bepaald stukje uit de waardeketen. We zullen niet opeens totaal andere dingen gaan doen. De basis van het verdienvermogen voor de toekomst is waar een land gezien zijn historie, ligging, cultuur en kennis goed in is (zie ook: Het heden en verleden van het Nederlandse verdienvermogen). Hierdoor zullen bedrijven die zich bezighouden met thema’s waar we van oudsher goed in zijn, zoals handel en logistiek, food en agri en water, in de toekomst excelleren. Wat je alleen ziet is dat bedrijven zich steeds meer bezighouden met dat deel van de waardeketen waar het meest te verdienen valt. Omdat de productie van veel producten in lagelonenlanden goedkoper kan worden uitgevoerd, besteedt de maakindustrie delen van de waardeketens uit aan minder ontwikkelde landen. En de delen van de productie die in Nederland worden uitgevoerd, worden steeds efficiënter gedaan. De zogenoemde ‘glimlach van de waardeketen’ laat zien dat activiteiten aan het begin of aan het einde van de waardeketen per uur de meeste waarde toevoegen (figuur 3). Nederland verschuift steeds meer naar het deel van de waardeketen waar het vooral om diensten gaat.

Figuur 3: Toegevoegde waarde per uur in opeenvolgende stadia van de waardeketen
Figuur 3: Toegevoegde waarde per uur in opeenvolgende stadia van de waardeketenBron: WRR, 2013

Naast het opknippen van de waardeketen spelen nog twee andere elementen een rol bij het toekomstige verdienvermogen: waar hebben we in de toekomst behoefte aan en waar in de wereld neemt de behoefte naar onze producten en diensten toe?

Aan welke producten, diensten en voorzieningen we in de toekomst waarschijnlijk behoeft hebben, heeft alles te maken met de megatrends waar we eerder over hebben geschreven. Ten eerste leidt de noodzaak tot verduurzaming tot minder gebruik van fossiele brandstoffen. Op de klimaattop in Parijs hebben 195 landen afgesproken dat de gemiddelde temperatuur op de aarde niet meer dan 2 graden Celsius mag stijgen. Om deze ambitieuze doelstellen te halen en tegelijkertijd economische groei niet in de weg te staan, is het van belang dat we verduurzamen. Dit betekent dat met name energie-intensieve sectoren, zoals landbouw en de chemische en metaalindustrie, een flinke transitie zullen moeten ondergaan, zodat ze in een CO2-neutrale economie kunnen voortbestaan (DNB, 2016). Als bedrijven hun kennis en kunde tijdig gebruiken om tot biobased oplossingen te komen, of als energieproducenten voor zichzelf een rol weten te vinden in de verduurzaming van de energievoorraad, kunnen zij wel eens de groeimotoren van de toekomst zijn.

Ten tweede leiden veranderingen als gevolg van ICT ertoe dat een deel van de samenleving verandert van een koop- naar een deel- en krijgeconomie. Oude verdienmodellen, van de taxibranche tot muziekindustrie, liggen in toenemende mate onder vuur, waarbij wat er uiteindelijk door bedrijven wordt verdiend over het algemeen nog vrij beperkt is. We willen nog steeds hetzelfde, het kost ons alleen minder. Dat is niet goed voor het verdienvermogen.

Ten derde zal in Nederland de vraag naar allerlei soorten dienstverlening die ons leven gemakkelijker en leuker maakt, blijven toenemen. Denk aan de pakketautomaten waarbij je op onder meer stations pakketjes kunt ophalen, de eetbezorgdienst Hello Fresh en andere producten en diensten afgestemd op de on-the-go levensstijl van veel mensen. Daarnaast zal personalisering een steeds belangrijkere rol gaan spelen. We willen producten die afgestemd zijn op onze persoonlijke voorkeuren.

Figuur 4: De tien sectoren die het meest exporteren naar de groeilanden
Figuur 3: De tien sectoren die het meest exporteren naar de groeilandenBron: OESO, 2011 data

Een laatste kwestie bij het toekomstige verdienvermogen is waar in de wereld de vraag naar spullen en diensten uit Nederland de komende jaren het hardst zal groeien. Dit heeft alles te maken met demografische ontwikkelingen en de inkomensstijging van mensen. In de megatrend geopolitiek hebben we daar ook over geschreven. Handelsstromen zijn veranderlijk maar ook in zekere mate padafhankelijk. Daarom is het interessant om te bekijken welke Nederlandse sectoren producten of diensten exporteren naar landen waarvan wordt verwacht dat ze de komende decennia een flinke groei zullen doormaken. Er is een aantal landen die door diverse bronnen worden aangewezen als landen die in de toekomst naar verwachting een hoge groei zullen doormaken[2]. Naast de olie-industrie, die onder meer benzine en diesel uitvoert, exporteren voornamelijk de metaalindustrie, de elektrische- en optische-apparatenindustrie en de chemische industrie naar de zogenoemde groeilanden (figuur 4). Deze sectoren zijn nu voor meer dan 5% van hun productie afhankelijk van de vraag van groeilanden. Het is aannemelijk dat deze sectoren zullen profiteren van de verwachte economische groei van een aantal van hun afzetlanden en daardoor ook zullen groeien.

Conclusie

Nederlandse bedrijven specialiseren zich steeds meer op een onderdeel van de waardeketen. De verwachting is dat de versnippering van de waardecreatie zal doorgaan. We zullen ons bezig blijven houden met thema’s waar we van oudsher goed in zijn, maar we zullen meer opschuiven in de waardeketen naar de dienstverlenende activiteiten. Daarnaast is ons toekomstige verdienvermogen afhankelijk van waar we in de toekomst behoefte aan hebben en waar in de wereld de vraag naar onze producten toeneemt. 

Voetnoten

[1] 2011 is het laatst beschikbare jaar van deze database.

[2] Dit zijn Brazilië, Chili, China, Colombia, Tsjechië, Egypte, Hongarije, India, Indonesië, Maleisië, Mexico, Peru, Filipijnen, Polen, Rusland, Zuid-Afrika, Thailand, Turkije (Bronnen: FTSEMSCIDow JonesBBVA).

Literatuur

Blinder, A.S. (2007). How many U.S. jobs might be offshorable? CEPS Working paper no. 142 march 2007.

DNB (2016). Tijd voor Transitie – een verkenning van de overgang naar een klimaatneutrale economie

Feenstra, R.C. (2008). Offshoring in the Global Economy. The Ohlin Lectures.

Frederico, G. en A. Tena-Junguito (2016). World trade, 1800-2015

Timmer, M.P., Los, B., Stehrer, R. en G. de Vries (2012). Fragmentation, Incomes and Jobs. An analysis of European competitiveness.

WRR (2013). Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland.

Delen:
Auteur(s)
Lisette van de Hei
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven