RaboResearch - Economisch Onderzoek

Het heden en verleden van het Nederlandse verdienvermogen

Themabericht

Delen:
  • Nederland al van oudsher een diverse handelseconomie
  • Sectorstructuur is in de loop der tijd sterk veranderd
  • Regionale variatie sectoren nog steeds aanwezig
  • Nederland scoort goed op internationale ranglijsten maar er zijn genoeg verbeterpunten

Als we willen weten wat het toekomstige verdienvermogen van Nederland is, moeten we eerst kijken naar de huidige structuur van de Nederlandse economie. Het ‘bedrijfsmodel’ van een land verschilt namelijk wezenlijk van dat van een onderneming. In een bedrijf bepaal je de structuur op basis van de strategie, maar voor een land geldt juist het omgekeerde: de historisch gegroeide structuur bepaalt in hoge mate de strategie voor het toekomstige verdienvermogen van het land.

Pad-afhankelijke economische ontwikkeling

Nederland neemt in de economische geschiedenis een unieke plaats in doordat het algemeen wordt beschouwd als de eerste moderne economie. Nederland had al in de zestiende eeuw een modern institutioneel raamwerk waarin de macht van de overheid was gecontroleerd, eigen bezit werd gewaarborgd en markthandel plaatsvond (De Vries en Van der Woude, 1997). Dit maakte het mogelijk dat Nederland –en dan met name Holland– in de zeventiende eeuw kon uitgroeien tot het economische centrum van de wereld. Hier leidden specialisatie, kapitaalinvesteringen en technologische veranderingen tot veel hogere reële inkomens dan die in naburige pre-industriële economieën.

De economie die in de zeventiende eeuw in Nederland ontstond, had enkele kenmerken die tot op de dag van vandaag relevant zijn. Onder meer door onze gunstige ligging tussen Noord- en Zuid-Europa en aan de Noordzee met goede doorvoerwegen over land en water naar het achterland is Nederland in de Gouden Eeuw een open handelseconomie geworden. Behalve dat deze handel Nederland onder meer via de VOC veel geld opleverde, had ons land door zijn enorme web van handelsconnecties ook gemakkelijk toegang tot een gevarieerd aanbod van grondstoffen en afzetmarkten. Hierdoor kon de Nederlandse economie zich ook in de eeuwen daarna divers ontwikkelen.

Een ander kenmerkend aspect van de Nederlandse economie is de productieve landbouw. Terwijl Holland opbloeide tot commercieel en financieel centrum van de wereld, was er in de omliggende provincies sprake van een gespecialiseerde en productieve landbouwsector. Nederland kende weliswaar weinig land en een hoge bevolkingsdichtheid, maar wist er desondanks al in de negentiende eeuw in te slagen meer agrarische producten te produceren dan nodig was voor de binnenlandse consumptie. Nederland heeft dan ook al eeuwenlang een van de meest productieve landbouwsectoren ter wereld (WRR, 2013).

Hoewel ons land dus al vroeg een sterke economie had en een productieve landbouwsector, zorgde dit er paradoxaal genoeg ook voor dat Nederland in de negentiende eeuw pas laat industrialiseerde en daardoor economisch achter begon te lopen bij de rest van Europa (Van Zanden en Griffiths, 1989). Dit laat eens te meer zien hoe belangrijk het is om de pad-afhankelijkheid van een economie te analyseren. Doordat de Nederlandse economie een sterke dienstensector had en een productieve landbouwsector met genoeg afzetmarkten zoals in het Verenigd Koninkrijk, was de noodzaak tot industrialisatie minder groot. Ook speelde mee dat Nederland minder beschikking had tot de grondstoffen benodigd voor industrialisatie zoals bruin- en steenkool, in tegenstelling tot buurlanden Duitsland en België.

Toen Nederland eind negentiende eeuw eindelijk het industrialisatieproces inzette, leidde dit tot een divers en vitaal industrialisatieproces tot diep in de twintigste eeuw. De modernisatie van de landbouw en internationale diensten leidden tot een grote voedselverwerkingsindustrie en een grote scheepvaart- en technieksector. Ook was er sprake van regionale diversificatie, waarbij grote steden in de Randstad zoals Amsterdam en Rotterdam sterk waren in respectievelijk financiële dienstverlening en handel, terwijl een verscheidenheid aan industrieën ontstond in de provincies daarbuiten. In enkele decennia groeiden de zandgronden en de ontgonnen veengebieden in het noorden, oosten en zuiden van het land uit van een in zichzelf gekeerd gebied tot een kleurrijk palet van sterk groeiende en gespecialiseerde regio’s (Oevering, 2013).

Figuur 1: Verandering sectorale werkgelegenheid
Figuur 1: Verandering sectorale werkgelegenheidBron: CBS

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog maakte de Nederlandse economie een periode van ongekende economische groei door, waardoor ons land qua inkomen per hoofd tot de top van Europa ging behoren. Tegelijkertijd veranderde de structuur van de Nederlandse economie na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend (WRR, 2013). De landbouw werd minder gevarieerd en er zette zich na de jaren zestig een periode in van de-industrialisatie, waarbij het aandeel van de industrie in zowel werkgelegenheid als toegevoegde waarde sterk afnam. Hiervoor in de plaats kwam de dienstensector, die in de decennia daarna een ongekende groei doormaakte.

Nederland nu: een welvarende en open economie

Kijken we naar de huidige stand van de Nederlandse economie dan blijkt deze gediversifieerd en sterk ontwikkeld. Gemeten naar inkomen per hoofd van de bevolking[1] zijn we veertiende van de wereld (World Bank, 2016). Een belangrijke reden hiervoor is onze nog steeds sterke handelspositie. Zo is Nederland ondanks zijn geringe omvang toch goed voor 3% van de wereldhandel, waarmee we zevende in de wereld zijn qua goederenuitvoer. We verdienen op dit moment per saldo dan ook meer dan 36% van het Bruto Binnenlands Product met de uitvoer (figuur 2). Dat was in 1988 23%. Deze groei reflecteert vooral de enorm toegenomen internationale handel in die periode waar Nederland van heeft geprofiteerd.

Op het gebied van internationale handel scoort Nederland dus goed. Toch kunnen hier nog wel enkele kanttekeningen bij worden gemaakt. Zo scoort Nederland qua toegevoegde waarde lager in vergelijking met de standaard lijstjes waarbij naar de export van goederen en diensten wordt gekeken. Er wordt dus minder waarde toegevoegd aan de export dan in andere landen. Een reden hiervoor is dat Nederland door zijn ligging en met de Rotterdamse haven een ideaal land is om goederen door te voeren. Meer dan de helft van de goederen die Nederland binnenkomen, wordt dan ook doorgevoerd of wederuitgevoerd. Bij wederuitvoer worden de goederen nog Nederlands eigendom en wordt er vaak nog een minieme bewerking gedaan, bij doorvoer blijven de goederen in buitenlandse handen. In 2014 werd 39% van de waarde van onze invoer doorgevoerd; 27% werd wederuitgevoerd (CBS, 2015). De wederuitvoer komt uiteindelijk terecht in de exportcijfers, terwijl deze vorm van uitvoer maar betrekkelijk weinig waarde toevoegt aan onze economie.

Figuur 2: Bijdragen aan BBP
Figuur 2: Bijdragen aan BBPBron: CBS, CPB
Figuur 3: Nederland lager dan handelspartners op ECI
Figuur 3: Nederland lager dan handelspartners op ECIBron: OECD, 2016

Ook de complexiteit van het Nederlandse exportpakket is relatief laag. De Economische Complexiteit Index geeft in één getal de diversiteit en complexiteit van het exportpakket van een land weer. Nederland stond in 2014 slechts vijftiende op deze lijst, lager dan onze belangrijkste handelspartners. Figuur 3 laat zien dat bijvoorbeeld buurland Duitsland veel beter scoort. Dit kan leiden tot een op termijn afkalvend exportaandeel aangezien minder complexe producten gemakkelijker te substitueren zijn. Gelukkig stellen de onderzoekers achter de ECI dat Nederland genoeg groeipotentieel heeft om naast de ‘simpelere’ uitvoer van bloemen en bewerkt voedsel ook meer complexere goederen te exporteren, zoals machines en elektronica (growth ventures, 2012). Meer uitvoer van deze complexere goederen naar lage- en middeninkomenslanden zal dan ook nodig zijn voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland.

Dat Nederland vooral een exportland is, is voor een deel ook een keuze. Door sinds begin jaren tachtig in te zetten op een sterke prijsconcurrentiepositie en lagere loonkosten worden de binnenlandse bestedingen gedrukt, maar wordt het exportpotentieel vergroot. Op dit moment leidt dat ertoe dat Nederland een in internationaal perspectief zeer groot overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans heeft, groter dan geoorloofd volgens de Europese regels. Daarmee is ook een grens in zicht aan het succes van het bedrijfsmodel dat alleen is gebaseerd op uitvoer.

Het belang van de binnenlandse bestedingen moet niet worden onderschat. Figuur 2 laat zien dat de binnenlandse bestedingen bijna twee derde van onze economie uitmaken. Dit betekent dat het verdienvermogen van Nederland niet alleen kan worden verbeterd door een meer concurrerende export. Ook een efficiëntere en betere gezondheidszorg, beter onderwijs en betere financiële diensten leiden tot welvaartscreatie. Door verbetering van de arbeidsproductiviteit kunnen mensen weer andere nuttige taken verrichten. Enige grens op dit proces is de effectieve vraag: uiteindelijk moeten de geproduceerde goederen en diensten ook worden gekocht.

Een sterk veranderde sectorstructuur

Verdelen we de Nederlandse economie onder naar sectoren dan valt vooral op dat we tegenwoordig een diensteneconomie zijn: de dienstensector beslaat driekwart van de Nederlandse toevoegde waarde en 70% van de werkgelegenheid. Nederland heeft een hoogwaardige dienstensector die voor een deel is gespecialiseerd op handel- en doorvoer. Dat blijkt ook uit het grote aandeel van de handel- en vervoersector in het BBP (figuur 4). Maar ook de overheid en de zorg (niet-commerciële diensten) beslaan tegenwoordig een groot deel van de Nederlandse economie, bijna een derde. Ook is deze sector steeds belangrijker voor de werkgelegenheid: tussen 2000 en 2010 zat zelfs 85% van de toename van de werkgelegenheid in de zorg- en overheidssector[2].

Figuur 4: Sectorstructuur Nederland
Figuur 4: Sectorstructuur NederlandBron: CBS

Ondanks de de-industrialisatie leveren de industriële sectoren nog steeds een kwart van de toegevoegde waarde. Hierbinnen heeft de maakindustrie het grootste belang. Nederland heeft daarbij nog steeds een zeer productieve landbouwsector: de voedingsindustrie vormt dan ook nog steeds 15% van de waarde van de goederenexport. Het Nederlandse aandeel in de mondiale agrofoodexport is zelfs 6%: na de VS de grootste voedselexporteur (UN Comtrade, 2015)[3]. Naast de agrofood is ook de chemische sector een belangrijke (3% van de toegevoegde waarde). Tot slot creëert de energiesector weliswaar weinig werkgelegenheid, maar door de winning en doorvoer van gas levert deze sector toch bijna 4% van de toegevoegde waarde in Nederland op, waarmee het een belangrijke inkomstenbron voor de overheid is (Badir, 2015).

Regionale variatie

De Nederlandse economie is de afgelopen eeuwen ingrijpend veranderd, maar toch zijn we nog steeds een diverse en open economie. De vraag is of dit ook geldt voor de regionale diversiteit. Historisch gezien was de Randstad een sterk internationaal verweven economie met een sterke financiële sector, terwijl de andere provincies vooral een sterke industriële of landbouwsector hadden. Zoals gezegd, bestaat de Nederlandse economie tegenwoordig voor een groot deel uit (overheids-)diensten; dit geldt dan ook voor de meeste regio’s. Als je echter kijkt naar waar de sectorstructuur in een regio afwijkt ten opzichte van het gemiddelde blijkt dat historische patronen nog steeds van belang zijn (figuur 5).

Figuur 5: Regionale variatie Nederland
Figuur 5: Regionale variatie NederlandBron: CBS

In de Randstad is relatief meer zakelijke dienstverlening en handel, terwijl in het zuiden van het land de industrie relatief belangrijker is. In het noordoosten van Nederland is tegenwoordig vooral de energie- en overheidssector relatief van groot belang. Opvallend is dat de landbouw behalve in Zeeland nergens sterk van belang is. Dit laat duidelijk zien dat dat de structuur van de economie in heel Nederland sterk is veranderd.

Hoe scoort Nederland op de ranglijstjes?

Tot slot geven internationale ranglijsten vaak een interessant beeld van waar we als Nederland staan door te laten zien hoe ons land scoort ten opzichte van andere landen. Figuur 6 geeft vooral een positief beeld van de huidige stand van ons land: we hebben een van de hoogste inkomens en zijn een van de gelukkigste landen ter wereld. Ook zijn onze economie en uitvoer veel groter dan je op basis van ons inwonertal mag verwachten en we zijn we volgens de Global Competitiveness Index het vijfde meest concurrerende land ter wereld (WEF, 2016).

Figuur 6: Ons land bezien vanuit internationale ranglijsten
Figuur 6: Ons land bezien vanuit internationale ranglijstenBron: Verenigde Naties, CIA World Fact Book, Wereldbank, OECD, CBS, World Economic Forum

Toch is er ook genoeg reden om niet te zelfgenoegzaam te worden. Zoals eerder gezegd, loopt de complexiteit van onze export achter bij die van onze directe handelspartners. Ook staan we tiende op het gebied van onderwijsresultaten, waarbij vooral zorgwekkend is dat we steeds verder lijken achter te lopen op de Aziatische landen. Ook is Nederland slechts 27ste op de Ease of Doing Business ranglijst, waarbij we landen als Portugal en Letland voor moeten laten gaan.

Conclusie

Nederland is een diverse, open en relatief sterke economie, wat duidelijk laat zien dat onze historische wortels nog steeds voelbaar zijn. In de huidige, snel veranderende economische werkelijkheid is er echter weinig ruimte om zelfgenoegzaam te worden. We zullen ervoor moeten zorgen dat we aan alle randvoorwaarden voldoen om complexe producten te kunnen uitvoeren die concurrerend zijn en waar vraag naar is in het buitenland. Tegelijkertijd moeten we ook niet vergeten dat onze economie meer is dan handel met het buitenland: we moeten ook nadenken over hoe we in de toekomst waarde en welzijn kunnen toevoegen in het binnenland door diensten en zorg aan elkaar te leveren.

Voetnoten

[1] PPP, huidige internationale dollar.

[2] Door de ontslagen in de zorg ziet dat beeld er de afgelopen jaren wel sterk anders uit: de sector overheid en zorg draagt sinds de crisis juist negatief bij aan de werkgelegenheid.

[3] Daarbij moet wel een onderscheid worden gemaakt naar de eigen landbouwproductie: daarmee komen we op de 22e plaats mondiaal.

Literatuur

Badir, (2015). Nederlandse aardgasbaten nog steeds belangrijke inkomstenbron overheid. Rabobank Economisch Commentaar. Rabobank: Utrecht

CBS (2015). CBS: Den Haag

Ease of Doing Business ranking. World Bank: Washington D.C.

Growth Ventures (2012) How will the Netherlands earn its income 20 years from now? A growth venture analysis for The Netherlands Scientific Council for Government Policy (wrr), Growth Ventures: Boston

Oevering, F. (2013). Een historie van regionale economische variatie. Rabobank Themabericht. Rabobank: Utrecht

Vries, J. en van der Woude, A.M. (1997). The first modern economy. Success, failure, and perseverance of the Dutch economy from 1500 to 1815. Cambridge University Press: Cambridge

WEF, 2016. Global competitiveness report 2015. WEF: Cologny

World Bank, (2014). World development indicator database. World Bank: Washington D.C.

WRR (2013). Naar een lerende economie. WRR: Den Haag

UN Comtrade, bewerking Landbouw Economisch Instituut Wageningen (2015). Agrarische handel. United Nations: New York

Van Zanden, J.L. en Griffiths, R.T. (1989). Economische geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw. Het Spectrum: Houten

Delen:
Auteur(s)
Martijn Badir
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 - 21 62666

naar boven