RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Europese landbouw- en voedselsector moet zich herpositioneren

Special

Delen:

Naar de overzichtspagina van de Regiostudie Europa

  • De Europese voedselwaardeketen is redelijk divers en stabiel
  • De Europese keten is daarom risicoarm, maar het risicoprofiel is aan het verslechteren
  • Belangrijkste uitdagingen: geopolitieke risico’s, toenemende invloed van mondiale ontwikkelingen op de Europese Food & Agri-sector, relatief zwakke concurrentiepositie, versplinterde landbouwstructuur, veranderend consumentengedrag

Deze studie is geschreven door Harry Smit. 

Samenvatting

De Europese voedselwaardeketen, waaronder de primaire landbouw, is redelijk divers en stabiel en profiteert van een grote consumentenbasis met een relatief hoge koopkracht. De Europese voedselwaardeketen is daarom in de eerste plaats risicoarm. Mondiale ontwikkelingen hebben echter een steeds grotere invloed op de Europese Food & Agri-sector (F&A-sector). Dit heeft, in combinatie met een aantal interne kwesties, een negatieve invloed op het risicoprofiel, waardoor dit meer begint te lijken op dat van andere regio's. De sector zal een oplossing moeten vinden voor de volgende kwesties:

  1. Europa loopt geopolitieke risico's door (1) grote afhankelijkheid van een klein aantal landen voor bijvoorbeeld fosfaten en aardgas en (2) export naar minder stabiele naburige regio's als Oost-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
  2. Hoewel Europa vanuit een handelsperspectief geen grote speler is op de wereldwijde markt voor agrarische grondstoffen, hebben de mondiale ontwikkelingen steeds meer invloed op de Europese F&A-sector. De hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) na de WTO-overeenkomst voor de landbouw van 1994 is hiervan een voorbeeld. Een tweede voorbeeld is de hedendaagse dynamiek in de BRICs-landen. De invloed van deze landen op de wereldmarkt groeit. De traditionele handelspatronen gaan daardoor op de schop: Brazilië ontwikkelt zich tot een landbouwgrootmacht voor de export, China groeit als importeur.
  3. Door de gefragmenteerde structuur van de landbouw en de hoge productiekosten is de concurrentiepositie van de Europese primaire landbouw op de agrarische grondstofmarkten niet sterk. Deze komt nog verder onder druk te staan door de hoge wetgevingseisen terwijl het de sector ontbreekt aan bepaalde instrumenten die de concurrenten wel hebben (bijvoorbeeld technologie voor genetische modificatie (GM).
  4. Op de meeste internationale markten heeft de EU geen invloed op de prijs. Om kansen te benutten en problemen het hoofd te bieden, is een snelle aanpassing aan de veranderende wereldwijde dynamiek noodzakelijk. De traditionele en gefragmenteerde structuur van de toeleveringsketen bemoeilijkt dit. Europese levensmiddelenbedrijven zijn gemiddeld gezien klein van omvang. In plaats van zelf te consolideren zijn Europese bedrijven daarom in de meeste gevallen het doelwit van consolidatie.
  5. Levensmiddelenbedrijven moeten flexibeler worden omdat ook het Europese consumentengedrag snel verandert. Onder andere de voorkeur voor bepaalde levensmiddelen en de kanalen waarlangs deze worden gekocht, veranderen. Sommige levensmiddelenbedrijven zullen hiervan profiteren, andere niet. In zijn geheel blijft de voedselconsumptie relatief stabiel, maar per bedrijf verschilt de dynamiek enorm.
  6. Europa wordt steeds kwetsbaarder voor interne onrust. Zo kan het risico op het uiteenvallen van de interne markt na een Brexit of de opschorting van het Schengenverdrag voor vrij verkeer van personen de noodzakelijke consolidatie in de Europese voedingsmiddelenindustrie in de weg staan. De wisselvalligheid in de handel met Rusland brengt eveneens risico’s met zich mee.

Belangrijkste kenmerken van de Europese landbouwsector en voedselwaardeketen

Diversiteit in Europese landbouwproductie draagt bij aan algemene stabiliteit

De Europese landbouw en voedselketen zijn zeer gevarieerd. Europese boeren passen regelmatig vruchtwisseling toe en/of houden verschillende dieren op hun boerderij. Door de schaarste van grond werken Europese boeren doorgaans met een high-input high-output productiesysteem. Het gemiddeld inputgebruik (bijvoorbeeld kunstmest, gewasbescherming) is in de Europese landbouw hoger dan bijvoorbeeld in Amerika. Ook zijn de opbrengsten in Europa hoog ten opzichte van de rest van de wereld. De rijke geschiedenis van Europa heeft ook een grote diversiteit aan hoogwaardige voedingsmiddelen voortgebracht, waarvan parmaham, riojawijn, roquefortkaas en extra virgin olijfolie slechts een paar voorbeelden zijn. Tuinbouw maakt een relatief groot deel uit van de Europese landbouw, ook door de relatieve overvloed aan arbeidskrachten ten opzichte van de beschikbare grond. Europese landbouw is over het algemeen een redelijk stabiele (bijna saaie) sector. Het relatief stabiele klimaat zorgt voor relatief stabiele opbrengsten. Door de jaren heen verandert er betrekkelijk weinig in de gewasarealen en het inputgebruik. Boeren hanteren een langetermijnvisie op hun bouwplan en reageren niet onmiddellijk op prijssignalen met uitbreiding of inkrimping van het areaal van een gewas.

Europa: versplinterde landbouwstructuur en voedselwaardeketen

De Europese voedselwaardeketen is tamelijk versplinterd. De gemiddelde boerderij in Europa is 33 ha, wat klein is vergeleken met landen als Amerika, Brazilië, Azië en Rusland, maar groot ten opzichte van landen in Azië en Afrika, waar de landbouwsector vooral uit kleine boeren bestaat. Ook in de Europese voedselketen zijn de meeste spelers klein tot middelgroot, en ze opereren vooral op nationaal niveau. Slechts een paar levensmiddelenbedrijven zijn in meer Europese landen actief (bijvoorbeeld Arla Foods, Vion, Danish Crown) en het aantal Europese levensmiddelenbedrijven dat op de wereldmarkt opereert, is nog kleiner (bijvoorbeeld Unilever, Nestlé, Heineken). Dit geldt ook voor de detailhandel. Deze versplintering is het resultaat van de lange Europese geschiedenis van onafhankelijke staten met een eigen eetcultuur, voedselwetgeving en taal. De interne markt van de EU is relatief nieuw (1992) en harmonisatie van de wetgeving is nog in volle gang.

Figuur 1: Gemiddelde grootte boerderij per regio
Figuur 1: Gemiddelde grootte boerderij per regioBron: Diverse nationale bureaus voor statistiek

Bovendien spelen in het grootste deel van de EU, met uitzondering van het VK en de nieuwe lidstaten, coöperaties een belangrijke rol in zowel de distributie van landbouwinputs naar de boerderij als in de verwerking en/of marketing van agrarische producten. Veel van deze coöperaties hebben plaatselijk een sterke positie en er zijn er die ook wereldwijd actief zijn, bijvoorbeeld Friesland Campina, InVivo, Tereos, DLG, Lantmännen, Südzucker, Baywa. Het marktaandeel van de coöperaties in de verwerking van primaire producten is in de meeste landen en sectoren groter dan 50%, wat duidelijk laat zien hoe sterk hun positie is.

Europese bevolking bijna stabiel

Tabel 1: Verwachte bevolkingsgroei in de Europese Unie
Tabel 1: Verwachte bevolkingsgroei in de Europese UnieBron: Wereldbank

De bevolking van Europa groeit nauwelijks. Aan de vraagzijde moet de groei in de voedingsmiddelenmarkt komen van consumenten die overschakelen op hoogwaardigere producten. Ook zijn de economische groeivooruitzichten voor Europa bescheiden.

Europese consument verandert zijn gewoonten

Figuur 2: Invloed van demografie op voedselconsumptie
Figuur 2: Invloed van demografie op voedselconsumptieBron: Rabobank, OESO, Dietary guidelines, 2016

Europese consumenten zijn aan het veranderen. Dit levert nieuwe kansen op, maar zorgt ook voor bedreigingen. Een belangrijke trend op dit moment is de hybride consument: consumenten verlaten het midden en zoeken 'waarde' (goed genoeg) en 'bonus' (luxe) op. Een tweede belangrijke trend is de verschuiving naar gemak, waardoor er onder andere steeds meer eetgelegenheden en -locaties komen. Ook de groeiende aandacht voor gezondheid en duurzaamheid en de opkomst van de goed geïnformeerde consument zet druk op de levensmiddelenbedrijven om te reageren en zich aan te passen. Op hun beurt stellen zij weer aanvullende eisen aan de boeren. Op de lange duur zal de veranderende demografie een belangrijke invloed hebben op de voedselconsumptie, wat bijvoorbeeld kan resulteren in een veranderende voorkeur voor voedingsmiddelen en de kanalen waarlangs voedingsmiddelen worden gekocht.

Innovatie zorgt vor dynamiek in de toeleveringsketen

De opkomst van het online boodschappen doen kan de waardeketen transformeren. Tot dusverre investeren de grotere grootwinkelbedrijven en levensmiddelenbedrijven fors om de kansen te benutten van online boodschappen doen en de big data die voortkomen uit deze nieuwe manier van producten verkopen. Tegelijkertijd gaan nieuwkomers de concurrentiestrijd aan met nieuwe, ontwrichtende bedrijfsmodellen die de marges onder druk zetten van de bestaande, minder flexibele spelers die in het verleden ontstane activa met zich mee torsen.

Op het niveau van de landbouw verwachten we een tragere ontwikkeling en minder impact van 'big data', omdat het hier om kleinere aantallen gaat, de producten die boeren gebruiken een veel langere levensduur hebben en de wereld van de landbouw met zijn behoeften veel gevarieerder is dan die van de consumenten en de snel veranderende consumptiegoederen. Bovendien heeft de gefragmenteerde Europese landbouwstructuur een negatieve invloed op de kostprijs en de implementatie van moderne technologie.

Typisch voor West-Europa is de negatieve houding van de consument tegenover moderne technologie in relatie tot voeding. Zorgen van consumenten over bijvoorbeeld genetische modificatie (GM) en dierenwelzijn hebben tot strenge wet- en regelgeving geleid. Ook dit heeft een negatieve invloed op de concurrentiepositie van de Europese landbouw op de wereldmarkt.

Internationale handelspositie van de Europese voedsel- en landbouwsector

De EU is een bescheiden speler op de mondiale F&A-markt

De EU is qua volume geen grote speler op de mondiale agrarische grondstofmarkten in vergelijking met de belangrijkste exporteurs (VS, Brazilië, Oceanië) en importeurs (China, Japan, het Midden-Oosten). De Europese regio voorziet zichzelf min of meer van voedsel met een klein handelsoverschot aan agrarische producten ter waarde van EUR 16 miljard. Het enige agrarische product waar Europa concurrerend in is, is tarwe. De andere belangrijkste exportproducten zijn hoogwaardige producten die het goed doen onder de Europese klimatologische omstandigheden, en voordeel hebben van de hoge verwerkings- en kwaliteitsnormen, een sterke merknaam en een goede reputatie. In deze specifieke sectoren kan Europa een belangrijke speler zijn. In 2015 bedroeg de export EUR 129 miljard en de import EUR 113 miljard. De belangrijkste exportbestemmingen waren de VS, China, Zwitserland, Rusland en Japan. De belangrijkste exportproducten zijn wijn en gedistilleerde drank, voedingspreparaten, babyvoeding, tarwe, chocoladeproducten, deegwaren en gebak, zuivelproducten en varkensvlees. Europa importeert voornamelijk tropische producten en eiwithoudende gewassen, omdat beide niet concurrerend kunnen worden verbouwd in Europa. Er wordt vooral geïmporteerd uit Brazilië, de VS, Argentinië, China en Turkije. De belangrijkste importproducten zijn (tropisch) fruit, sojabonen- en oliezadenmeel, koffie, thee en cacao, en plantaardige oliën.

Figuur 3: Import/ export agrarische producten door de EU per productcategorie in 2015
Figuur 3: Im- en export van agrarische producten door de EU per productcategorie in 2015Bron: Europese Commissie
Figuur 4: Import/export van agrarische producten door de EU per land in 2015
Figuur 4: Im- en export van agrarische producten door de EU per land in 2015Bron: Europese Commissie

De dynamiek van de wereldmarkt nu ook op de Europese interne markt voelbaar

Door beleidshervormingen is de Europese voedsel- en landbouwtoeleveringsketen steeds dynamischer geworden. Europese boeren profiteren nog steeds van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) door invoertarieven op agrarische producten die hen in belangrijke mate tegen goedkopere, geïmporteerde producten beschermen. Bovendien verschaft het GLB boeren directe inkomensondersteuning door een systeem van betaling per hectare. Exportsubsidies zijn afgeschaft en met de afschaffing van de suikerquota in 2017 loopt de sturing van het aanbod door productiequota ten einde. Ook is er minder marktinterventie door voorraadvorming. Het gevolg is dat Europese boeren en levensmiddelenbedrijven veel meer last hebben van prijsvolatiliteit, aangezien de prijs van agrarische producten in de Europese thuismarkt meebeweegt met de prijs op de wereldmarkt. Dit, terwijl de Europese prijzen in het verleden (vóór 2007) bijna stabiel waren, en veel hoger dan op de wereldmarkt.

Internationaal verliest Europese industrie voor landbouwinputs terrein

De Europese industrie voor landbouwinputs krijgt geen overheidssteun. De sector staat onder druk en verliest terrein aan buitenlandse spelers door slechte marktvooruitzichten en een nadelige concurrentiepositie in de meeste sectoren. Het middensegment is traditioneel sterk, maar staat bloot aan consolidatie door Amerikaanse en Aziatische bedrijven die de Europese markt op willen.

Europa volgt eigen kwaliteits- en milieubeleid

Europa conformeert zijn prijsbeleid weliswaar aan de wereldmarkt, maar het kwaliteitsbeleid van Europa wijkt nog steeds af van wat in de meeste delen van de wereld gebruikelijk is. Europa staat geen GM-technologie toe voor de veredeling van gewassen (op een paar uitzonderingen na), terwijl deze technologie elders in de belangrijke productiegebieden al voor ongeveer 90% is ingevoerd. Diverse landen hebben bovendien strenge wetgeving aangenomen over dierenwelzijn, met een verbod op bijvoorbeeld legbatterijen voor pluimvee en individuele huisvesting van varkens. Sommige maatregelen zijn op Europees niveau genomen en andere op nationaal niveau.

Over de hele wereld gezien loopt Europa voorop met zijn milieubeleid, bijvoorbeeld met wetgeving om waterverontreiniging en luchtvervuiling te voorkomen en biodiversiteit te behouden. Nationale wetgeving wordt aangepast aan Europese richtlijnen. Daardoor kan de wet- en regelgeving van land tot land verschillen, afhankelijk van de lokale druk op het milieu en andere specifieke nationale omstandigheden. In de landbouwsector leidt het strengere en meer beperkende kwaliteits- en milieubeleid tot hogere productiekosten en is het voor de Europese leveranciers moeilijker om op de wereldmarkt te kunnen concurreren.

In de loop der tijd wordt het inkomensbeleid steeds meer gekoppeld aan het kwaliteits-, milieu- en sociaal beleid. De inkomenssteun voor concurrerende boeren is afgenomen en wordt nu verleend aan boeren met een natuurlijke handicap en/of boeren die hoge natuurwaarden zoals biodiversiteit in stand houden. Boeren die zich niet in de richting van een duurzamer Europees landbouwmodel ontwikkelen, krijgen met een achteruitgang in inkomenssteun te maken. 

Ontwikkelingen in de externe omgeving

Trage vooruitgang in mondiale handelsovereenkomsten

Sinds de landbouwovereenkomst in het kader van de Uruguay-ronde in 1994 is de mondiale liberalisatie van handel tot stilstand gekomen. Door deze overeenkomst heeft Europa het GLB moeten hervormen, zoals hierboven staat uitgelegd. Omdat het multilaterale handelsproces geen voortgang boekt, zijn de onderhandelingen meer gericht op bilaterale handelsovereenkomsten, zoals TTIP. Dergelijke overeenkomsten met een veel kleinere reikwijdte komen meestal neer op een verlaging van de invoertarieven voor agrarische producten in ruil voor toegang tot de markt voor niet-agrarische producten. Het gevolg is toenemende concurrentie op de Europese F&A-markt. Meestal worden de varkens- en rundvleessectoren het zwaarst getroffen, en in mindere mate de pluimvee- en zuivelsectoren. Als buitenlandse concurrenten betere toegang tot de markt krijgen, is het probleem dat daarmee ook de buitenlandse productiemethodes worden geïmporteerd. Buitenlandse productiemethodes komen niet altijd overeen met wat is toegestaan in de EU, bijvoorbeeld het gebruik van groeihormonen, de normen voor dierenwelzijn en de hygiëneregels in slachthuizen. De invoer van producten die volgens dergelijke methodes zijn geproduceerd, kan niet worden tegengehouden als de methodes in het buitenland zijn toegestaan. Het gevolg is dat de Europese producenten niet altijd onder dezelfde voorwaarden kunnen concurreren. Alleen normen uit de privésector kunnen deze invoer tegenhouden, bijvoorbeeld de GlobalGAP-normen opgesteld door het Europese GWB, die waarborgen dat bepaalde productiemethodes worden toegepast.

Negatieve invloed van de recente mondiale economische onrust

Verschillende gebeurtenissen, die vaak onderling verband met elkaar houden, hebben negatief uitgepakt voor de Europese F&A-waardeketen, zoals de waardedaling van de valuta van de opkomende markten, de afzwakkende Chinese economie en de daling van de olieprijs. De lagere olieprijs heeft de koopkracht van diverse belangrijke voedselimporterende landen in het Midden-Oosten en Afrika aangetast, waardoor de prijs van bijvoorbeeld melk onder druk komt te staan. De waardedaling van diverse valuta heeft hetzelfde effect op voedselimport door de opkomende economieën. De zwakkere euro ten opzichte van de dollar heeft de concurrentiepositie van Europa ten opzichte van de VS echter een duw in de rug gegeven. De afzwakking van de Chinese economie heeft een negatief effect op mondiale agrarische grondstofprijzen, met name op zuivel- en vleesproducten. Aan de andere kant vertalen lagere energieprijzen en minder economische activiteit zich in gunstigere/lagere energiekosten op de boerderij, voor transport en verwerking, en lagere kosten van kunstmest. Desondanks kan dit het negatieve effect voor de gehele F&A-waardeketen niet compenseren.

Vooruitzichten

Prijsverwachting redelijk stabiel

Binnen de algemene context van lagere energie- en grondstofprijzen zullen de EU-prijzen voor graanproducten naar verwachting gemiddeld tussen de EUR 150/t en EUR 190/t schommelen. Tegen de achtergrond van betaalbare voedselprijzen zal de gestaag groeiende vraag in de wereld gunstig uitpakken voor de veehouderij. De zuivelsector in de EU kan daarom, ondanks de huidige moeilijkheden op de zuivelmarkt, de kans grijpen om verder uit te breiden, mede door de groeiende binnenlandse vraag in de EU. Na een sterk herstel in 2014 en 2015 zal de vleesconsumptie per hoofd van de bevolking in de EU naar verwachting licht dalen, met uitzondering van de pluimveeconsumptie die een marktaandeel verovert op andere vleessoorten. De exportvraag stimuleert een bescheiden toename van de varkensvleesproductie, maar de rundvleesproductie zal naar verwachting afnemen.

Brexit; is dit het begin van de desintegratie van Europa?

De Europese instituten en de interne markt komen steeds verder onder druk te staan. De kritiek op het 'Europese project' neemt toe en de steun onder de bevolking neemt af. Ook beleidsmakers in de landbouw zijn gevoelig voor deze druk. Dit blijkt al uit het feit dat de wetgeving met betrekking tot GM nu weer op nationaal niveau wordt bepaald. De lidstaten hebben de bevoegdheid deze technologie toe te staan of te verbieden als de veiligheid eenmaal door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EAV) is vastgesteld. Een eventuele Brexit voert de druk op de interne markt en de harmonisatie van de wetgeving verder op. Een scenario waarbij beleidsmakers niet meer streven naar dezelfde concurrentievoorwaarden maar terug gaan naar nationaal kwaliteits-, milieu- en sociaal beleid vormt een groot risico voor de interne markt. De kleinere lidstaten worden in zo'n geval het hardst getroffen, omdat zij per definitie geen grote binnenlandse afzetmarkt hebben. Een eventuele Brexit betekent ook dat Europa zich op onbekend terrein gaat begeven. Wat gaat er gebeuren met de handelsstromen van het Europese continent naar het VK en andersom? Worden er aan beide kanten tarieven ingevoerd? Ook levensmiddelenbedrijven zullen hinder ondervinden als het goederenvervoer (van grondstoffen, halffabrikaten of eindproducten) van het ene land naar het andere meer administratieve rompslomp met zich meebrengt en er mogelijkerwijs ook tarieven worden geheven.

Regionale vooruitzichten

Figuur 5: Kaart van Europa
Figuur 5: Kaart van EuropaBron: Rabobank

West-Europa: gemengde vooruitzichten voor productiegroei in verzadigde markt
Als gevolg van demografische en economische vooruitzichten is West-Europa een verzadigde markt. Daarom zijn de groeiprognoses voor de meeste F&A-waardeketens beperkt. Voor de voedselproductie zijn de vooruitzichten gemengd. Gebaseerd op de sterke concurrentiepositie door gunstige natuurlijke omstandigheden is de verwachting dat de productie en export van zuivelproducten zal groeien. De productie van vlees zal naar verwachting afnemen, omdat West-Europa met de hoge productiekosten door kleinschaligheid en de druk door de wetgeving om de schade aan het milieu te beperken, geen concurrerende leverancier is op de internationale markt. In andere sectoren blijft de productie naar verwachting relatief stabiel. Omdat de West-Europese levensmiddelenmarkt nog steeds behoorlijk is versplinterd, zullen consolidaties steeds vaker over de grenzen heen plaatsvinden, maar de culturele verschillen gaan een negatieve invloed hebben op het succes van deze consolidaties. Sommige grote Europese spelers zullen verder kijken voor groei. Suikerbedrijven, bijvoorbeeld, verleggen hun aandacht naar Afrika.

Centraal-Europa: het dichten van de productiviteitskloof met West-Europa verhoogt productie en consumenten worden welvarender
Centraal-Europa (de nieuwe lidstaten van de EU) zal een groei van de primaire productie doormaken door intensivering van de landbouwproductie. Dat wil zeggen dat ze het rendementsverschil met West-Europa gaan overbruggen. Ze worden daarbij geholpen door de overkoepelde Europese instellingen en het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie. De groeiende volumes van plaatselijk geproduceerde agrarische grondstoffen vragen om investeringen in logistiek. Bovendien bieden ze kansen aan onder andere de plaatselijke verwerkende industrie en de veehouderij om te kunnen voldoen aan de behoefte van de meer welvarende consumenten bij een groeiende economie. De verwerkende industrie profiteert van de lage arbeidskosten in vergelijking met West-Europa. Omdat Centraal-Europa uit veel landen bestaat, moeten we het niet als één uniform productiegebied beschouwen, maar als een groep van kleine, versplinterde marktjes. Er is daarom weinig kans dat deze regio een eigen mondiale F&A-kampioen zal opleveren. Een meer waarschijnlijk scenario is dat buitenlandse bedrijven daar uitbreiden en opereren naast de kleinere binnenlandse spelers.

De landbouwstructuur in Centraal-Europa is tweeledig: de ene helft van het land is in het bezit van kleine boeren, en de andere helft van grootschalige landbouwcorporaties. De levensmiddelenmarkt kan profiteren van economische groei als deze landen hun economische achterstand op Westerse sectorgenoten inlopen. De levensmiddelenmarkt is verdeeld in een hoogwaardige, moderne levensmiddelenmarkt in de steden/voor de rijken en een laagwaardige markt voor de armere meerderheid.

Oost-Europa: niet te voorspellen en het huidige uitvoerverbod heeft grote invloed op de import
De toekomst van de Oost-Europese landbouw (Rusland, Oekraïne, Kazachstan enzovoort) is moeilijk te voorspellen. Er zijn voldoende natuurlijke hulpbronnen en de mogelijkheden om de productie op te schroeven zijn groot. Maar de politieke onrust die op dit moment de regio kenmerkt, leidt tot dalende investeringen in landbouwproductie en -waardeketens. Het landbouwmodel in de regio bestaat over het algemeen uit grote, verticaal geïntegreerde landbouwholdings, waarin de agrarische grondstofproductie, de veehouderij en de verwerkende industrie in een overkoepelende organisatie worden gebundeld. Dit vermindert de afhankelijkheid van de zeer onvoorspelbare en volatiele markten voor halfproducten.

Oost-Europese landen produceren vooral onverwerkte landbouwgrondstoffen, zoals granen en oliezaden, die in binnen- en buitenland worden verkocht. De regio rondom de Zwarte Zee is een belangrijke leverancier van granen en oliezaden op de wereldmarkt. Wereldwijde handelaren hebben zich in de regio gevestigd om de toegang tot de landbouwgrondstoffen veilig te stellen. De verwerkende industrie is onderontwikkeld in deze regio, waardoor deze landen afhankelijk zijn van invoer van verder verwerkte producten zoals vlees- en zuivelproducten en groenten en fruit. Door het invoerverbod is deze invoer echter stil komen te liggen. Als dit verbod wordt opgeheven, kan de invoer weer op gang komen om aan de vraag te voldoen van de meer welvarende delen van de regio (voornamelijk rondom de grote steden).

Verder exporteert de regio kunstmest en energie naar West-Europa en andere delen van de wereld. Deze industrie profiteert van de afzwakking van de roebel, wat de exportpositie heeft versterkt. Deze industrieën hebben tot nu toe geen last gehad van politieke conflicten.

Naar de overzichtspagina van de Regiostudie Europa

Delen:
Auteur(s)

naar boven