RaboResearch - Economisch Onderzoek

De maatschappelijke traplift komt tot stilstand

Column

Delen:

Het probleem: onze woningvoorraad past zich onvoldoende snel aan de vergrijzende bevolking aan. Veel Nederlanders vragen zich af hoe dat kan. We weten immers al bijna zeventig jaar dat Nederland in de eerste helft van deze eeuw sterk zal gaan vergrijzen.

Als ik door mijn Rotterdam loop, dan zie ik het probleem overal om mij heen. Veel gestapelde woningen, vier etages hoog, geen lift. In dergelijke flats wonen veel ouderen. Over tien jaar kunnen zij de trap niet meer op en af. En dan? De trap is ook een probleem in de eengezinswoning. Hoe kom je straks nog bij je slaapkamer? Waarom wordt niet keihard gebouwd aan levensloopbestendige woningen? Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schreef al jaren terug dat 25% van onze ouderen in een niet-specifiek aangepaste woning woont. Zij zouden eigenlijk moeten verhuizen of hun woning zou moeten worden aangepast. Dit percentage loopt de komende jaren op als er geen passende maatregelen worden genomen. Dit is een knelpunt waarvan velen verwachten dat ‘de politiek’ het even fikst. Liever zelfs dat het probleem nooit een probleem wordt.

De vraag is of bijvoorbeeld het laten plaatsen van trapliften een taak is van onze bestuurders. Nederlanders vinden het gewoon om te verhuizen als hun woonbehoeften veranderen. En dat lukt tot dusver erg goed. Nederlanders zijn zeer tevreden met hun woning. Dat geldt ook voor de babyboomers die het komende decennium aan de traplift moeten. Het verhuizen naar een geschiktere woning is trouwens een uitvinding van de babyboomgeneratie. Zij werden hierin altijd flink ondersteund door de overheid. De bestuurders van na de Tweede Wereldoorlog tot ver in de jaren zeventig coördineerden de nieuwbouwproductie qua omvang, locatie en woningtype. De overheid greep toentertijd terecht in omdat er sprake was van specifieke woningtekorten. Er moesten gezinswoningen komen, omdat Nederland qua aantal huishoudens groeide. De opgebouwde kwalitatieve goede woningvoorraad was toen ook voor de volgende generaties aantrekkelijk om in te wonen.

Dat is nu anders. Om het kwantitatieve woningtekort niet op te laten lopen, zijn er tot 2020 jaarlijks 70.000 en daarna 50.000 nieuwe woningen nodig. Vooral in de Randstad moet worden gebouwd. Even om dit cijfer in perspectief te zetten: er komen jaarlijks 40.000 75+ huishoudens bij. Stel dat we vooral bouwen om het tekort aan specifieke ouderenwoningen weg te werken, dan zou dat betekenen dat we slechts 30.000 woningen bouwen voor alle andere huishoudtypen. Dat gaat natuurlijk niet gebeuren. De specifieke ouderenwoningen zijn veel minder goed overdraagbaar aan de volgende generaties dan vroeger toen we gezinswoningen voor de babyboomers bouwden. Verder komen er niet alleen ouderen bij; er overlijden ook nog eens veel ouderen die hun, wellicht aangepaste woning, achterlaten. Volgens het PBL komen rond 2030 jaarlijks 53.000 koopwoningen vrij. Dat is meer dan de geplande nieuwbouwproductie. Wellicht moeten we inzetten op woningaanpassingen in plaats van woningbouw voor ouderen. Dit vergt investeringen in de huidige woningvoorraad.

Maar niet iedereen kan investeren. Zeker niet de ouderen die nu in de flats in Rotterdam wonen. Zij hebben een bescheiden inkomen, geen vermogen opgebouwd, hun VVE is slapend of hun huisbaas wil niet investeren. Wel zagen eigenaar-bewoners hun overwaarde in de afgelopen crisisperiode afnemen, maar er is nog genoeg over. Juist zij willen echter niet zelf investeren. Uit een recent onderzoek van de ANBO blijkt dat slechts 19% bereid is om overwaarde vrij te maken voor woningaanpassingen. Waarom is niet gevraagd. Mijn vermoeden is dat zij een oplossing verwachten van de overheid. Net zoals vroeger. Of gewoon optimisme dat ze tot hun dood op de been blijven.

Delen:
Auteur(s)
Paul de Vries
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
088 726 7864

naar boven