RaboResearch - Economisch Onderzoek

Nieuwe plannen uit Bazel: risicomodel buitenspel, kredietverlening in de knel?

Special

Delen:
  • Het Bazelse Comité heeft eind 2014 voorstellen gepresenteerd die een forse impact kunnen hebben op de hoeveelheid eigen vermogen en andere verliesbuffers die banken moeten aanhouden
  • Deze voorstellen zijn er vooral op gericht om de verschillen in risicowegingen die banken hanteren te beperken
  • Tegen het einde van 2016 zal na afronding van de consultatiefases en impactstudies meer duidelijk worden over de definitieve vormgeving van de nieuwe eisen
  • Het is van groot belang om bij verdere standaardisering van risicowegingen rekening te houden met nationale verschillen in betaalgedrag, onderpand en wet- en regelgeving
  • Daarbij is ook de snelheid van implementatie van belang om de negatieve economische impact zoveel mogelijk te beperken

Inleiding

Het Bazelse Comité van Bankentoezichthouders (BCBS[1]) draagt sinds 1988 via diverse akkoorden bij aan de regelgeving over kapitaalstandaarden voor banken. Het meest recente Bazel-akkoord is Bazel III (BCBS, 2010). De invoering hiervan loopt tot en met 2019, maar in de tussentijd is een aantal nieuwe voorstellen gelanceerd. Twee belangrijke voorstellen willen we hier nader bespreken. De voorstellen maken deel uit van BCBS-werkzaamheden gericht op het verminderen van de variabiliteit van de risicogewogen activa (BCBS, 2014). Elke bank wordt geacht haar uitzettingen te wegen naar het risico op onverwachte verliezen door wanbetaling dat voor deze leningen van toepassing is. Het risicogewicht bepaalt uiteindelijk de omvang van de buffers die banken moeten aanhouden om onverwachte verliezen op te vangen. Hoewel er nog veel onduidelijkheid bestaat over de uiteindelijke vormgeving van beide voorstellen, is de mogelijke impact aanzienlijk.

Voorstel 1: aangepaste standaardbenadering voor de bepaling van kredietrisico (‘Revised Standardised Approach’)

Allereerst wordt een nieuwe methode voorgesteld voor de bepaling van risicowegingen van door banken verstrekte leningen. Een deel van de banken gebruikt de voorgeschreven risicogewichten uit de standaardbenadering (standardised approach)[2] om te bepalen hoeveel risicogewogen kapitaal zij moeten aanhouden. In het nieuwe voorstel vindt een herziening van de huidige standaardbenadering plaats. Hierdoor krijgen banken die voor (een deel van) hun uitzettingen gebruik maken van deze methode te maken met hogere risicogewichten. Voornamelijk relatief kleine banken gebruiken de standaardbenadering, al maken ook grote en middelgrote banken voor een klein deel van hun uitzettingen hier gebruik van[3].

Voorstel 2: kapitaalvloer op basis van de herziene standaardbenadering (‘Capital Floors’)

Het grootste deel van de grote en middelgrote Nederlandse banken maakt voor de risicoweging van hun uitzettingen gebruik van de interne-modellenbenadering (internal ratings based; IRB). Dit gebeurt door statistische modellen waarbij onder andere gebruik wordt gemaakt van historische gegevens over wanbetaling. De banken die gebruik maken van deze modellen worden geacht om op basis van hun (historische) marktkennis en klantkennis over sectoren een betere risicoschatting te kunnen maken dan de inschatting van de zojuist beschreven standaardbenadering. Deze modellen zijn vooraf door de toezichthouder goedgekeurd. In het voorstel voor kapitaalvloeren worden minimum risicogewichten voor IRB-portefeuilles bepaald. Die minima worden gekoppeld aan de risicogewichten uit de herziene standaardbenadering. Hierdoor zullen vrijwel alle banken te maken krijgen met aanpassingen in hun risicowegingen.

Het tweede voorstel wil dus een minimum stellen aan de eigen risicogewichten die IRB-banken mogen toepassen. Deze kapitaalvloeren (capital floors) zullen een percentage zijn van de risicogewichten uit de herziene standaardbenadering. De risicobenadering via interne modellen leidt doorgaans tot lagere risicowegingen dan via de standaardbenadering. Als de interne risicomodellen tot veel lagere risicogewichten komen, mogen deze dus niet meer worden gebruikt en wordt de bank verplicht om het risico hoger in te schatten dan de eigen interne modellen voorschrijven. Het eigen risicomodel staat dan buitenspel.

Hogere risicowegingen en kapitaalbuffers…

Door de nieuwe voorstellen gaan de risicowegingen die banken moeten hanteren omhoog en neemt het naar risico gewogen balanstotaal dus toe. Dit zorgt ervoor dat banken meer kapitaal moeten aanhouden. Om de impact van hogere risicowegingen op de aan te houden hoeveelheid kapitaal op een simpele manier in kaart te brengen, maken we gebruik van een vereenvoudigde balans van het Nederlandse bankwezen (figuren 1 en 2). Aan de activakant zoomen we in op drie typen leningen: woninghypotheken, bedrijfskredieten aan het MKB en bedrijfskredieten aan het grotere MKB-segment[4]. Aan de passivakant kijken we naar de benodigde hoeveelheid kapitaal.

In de uitgangssituatie passen we op basis van informatie over het Nederlandse bankwezen voor woninghypotheken een risicoweging toe van 11,5%[5]. Voor een MKB-krediet passen we een risicoweging toe van 33%, voor een krediet aan grotere MKB-bedrijven 61%[6] (figuur 1). De hoeveelheid risicogewogen activa (rwa) berekenen we door de risicoweging per uitzetting te vermenigvuldigen met het bedrag aan uitstaande kredieten. Voor de minimale kapitaaleis hanteren we 8%, de minimale Total Capital ratio uit Bazel III[7].

Figuur 1: Vereenvoudigde balans kredietverstrekking Nederlands bankwezen
Figuur 1: Vereenvoudigde balans kredietverstrekking Nederlands bankwezenBron: BIS, DNB, Rabobank

Uit de tweede consultatie over de herziene standaardbenadering blijkt dat de risicowegingen uit de herziene standaardbenadering van kredieten voor het MKB uitkomt op 75% en voor corporate-MKB op 85%. Voor woninghypotheken komt de voorgestelde risicoweging uit op ongeveer 47%. Als de Nederlandse banken over zouden stappen op de standaardbenadering voor het bepalen van risicogewichten dan zouden ze geen 16 miljard euro als kapitaalbuffer aan moeten houden maar 38 miljard (figuur 2). De minimale risicowegingen voor banken die de IRB-benadering gebruiken, zullen echter een stuk onder die van de nieuwe standaardbenadering komen te liggen. De mate waarin heeft een zeer grote impact op de toename van de benodigde hoeveelheid kapitaal. Dit betekent voor banken die gebruik maken van interne modellen dat de hoogte van de kapitaalvloer van doorslaggevend belang is bij de impact op de risicogewogen activa en het benodigde kapitaal.

Figuur 2: Hogere risicowegingen en kapitaalhoeveelheid
Figuur 2: Hogere risicowegingen en kapitaalhoeveelheidBron: BIS, DNB, Rabobank

Figuur 3 laat zien dat bij kapitaalvloeren van respectievelijk 50%, 65% en 80% van de (herziene) standaardbenadering, de benodigde hoeveelheid kapitaal stijgt naar 19,1 miljard euro tot 30,5 miljard euro. Dit is een grote stijging in vergelijking met de huidige 16 miljard euro[8]

Figuur 3: Scenario’s voor kapitaalvloeren
Figuur 3: Scenario’s voor kapitaalvloerenBron: BIS, DNB, Rabobank

De gevolgen zijn vooral aanzienlijk bij hypotheekportefeuilles op de bankbalans: in plaats van 4,8 miljard euro zou tussen 9,8 en 15,6 miljard euro aan kapitaalbuffer moeten worden aangehouden. De huidige risicoweging van woninghypotheken op basis van interne modellen vindt plaats door te kijken naar de kans op wanbetaling (probability of default) op hypotheken en het verlies in geval van wanbetaling (loss given default). De huidige risicoweging is hierbij relatief laag vanwege het zowel absoluut als relatief zeer lage niveau van betalingsachterstanden op hypotheken in ons land (figuur 4).

In de (herziene) standaardbenadering is de risicoweging van hypotheken uitsluitend gebaseerd op de hoogte van de Loan-to-Value (LTV). Dit is de verhouding tussen het bedrag van de lening en de waarde van het onderpand. Hoe hoger de LTV, des te hoger de voorgestelde risicowegingen. Nederlandse woninghypotheken hebben bij aanvang van de lening gemiddeld genomen een LTV van ongeveer 90% (figuur 5). Volgens de tweede consultatie zal de risicoweging ergens tussen de 55% (bij LTV’s tussen 90-100%) en 75% (bij LTV’s hoger dan 100%) komen te liggen. Meer gebruik van de LTV-benadering bij de risicoweging van hypotheekportefeuilles zal daarom leiden tot substantieel hogere risicogewogen kapitaaleisen en hogere buffers.

Figuur 4: Lage betalingsachterstanden
Figuur 4: Lage betalingsachterstandenBron: NVB
Figuur 5: Hoge Loan-to-Value-ratio
Figuur 5: Hoge Loan-to-Value-ratioBron: IMF

Doordat de vereiste risicoweging op de activa toeneemt, wordt het huidige niveau van de kapitaalratio nadelig beïnvloed. Er is namelijk een hogere hoeveelheid kapitaal benodigd om aan de vereiste ratio te voldoen. De verhoging van risicowegingen zal banken daardoor voor de keuze stellen om enerzijds verplicht hun kapitaalbuffer te verhogen, of anderzijds hun balans in te krimpen. Hoe lager de risicoweging op dit moment is, hoe groter de uiteindelijke impact van de verhoging ervan zal zijn.

Afhankelijk van de precieze vormgeving van de kapitaalvloer is het mogelijk dat niet alleen de aan te houden hoeveelheid eigen vermogen maar ook de aan te houden (hybride) aanvullende verliesbuffers in omvang toe moeten nemen. Zo zijn eind 2014 verdere maatregelen voorgesteld om de afwikkelbaarheid van een bank te verbeteren. Het gaat hier onder andere om voorstellen voor MREL (minimum requirement for own funds and eligible liabilities) en TLAC (Total Loss Absorbing Capacity). Bij deze voorstellen speelt ‘bail-inbaar’ vreemd vermogen een belangrijke rol (zie ook: MREL en TLAC: aanvullende schokdempers voor het bankwezen)[9]. Hierdoor moeten banken rekening houden met eisen voor bail-inbaar vermogen.

Het aanhouden van meer eigen vermogen en overige verliesbuffers werkt daarbij ook kostenverhogend. De hele set aan maatregelen kan worden beschouwd als een aan twee kanten snijdend zwaard. De adequate hoogte van de kapitaalbuffer varieert namelijk sterk met de risico-omgeving waarin het bancaire systeem opereert. Bankbalansen worden door de Bazel III-regels en deze nieuwe voorstellen zowel aan de activa- als aan de passivakant geraakt. Naast hogere buffereisen via Bazel III (rechterkant balans) worden de kapitaalbuffers namelijk ook versterkt door de nieuwe voorstellen via hogere risicogewogen eisen (linkerkant balans).

Via hogere risicogewogen activa wordt het risicoprofiel van een bank lager. Hier doen de structureel hogere kapitaalratio’s aan de rechterkant, zeker in een lage risico-omgeving, echter geen recht aan. Het is daarom inefficiënt om daar te allen tijde gebruik van te maken. Dit rechtvaardigt het gebruik van kapitaalratio’s die afhankelijk zijn van de economische en financiële omstandigheden, zoals de anticyclische kapitaalbuffer (Brooke et al., 2015).

…hebben niet alleen kostenverhogende effecten…

Onder economen is er veel debat over de effecten op de financieringskosten van banken als gevolg van veranderende kapitaaleisen (Boonstra en De Cleen, 2014). Modigliani en Miller (1958) gaven het inzicht dat de kosten van het eigen vermogen niet een constante vormen, maar afhankelijk zijn van het niveau van kapitalisatie. Hoe beter een bank is gekapitaliseerd, hoe lager de kosten voor het eigen vermogen. Deze theorie gaat echter uit van het bestaan van perfecte markten met een volledig ‘rationele’ prijsvorming en een oneindige liquiditeit. Maar in de praktijk is hiervan veelal geen sprake.

Als slechts een beperkte groep investeerders bereid is om de risico’s op zich te nemen die horen bij het verstrekken van eigen vermogen, dan kan de toenemende behoefte aan eigen vermogen zorgen voor hogere financieringskosten. Door de verhoogde eisen aan het eigen vermogen neemt ook het risico op tegenvallende dividenduitkeringen toe. De impact op de financieringskosten is groter naarmate de invoering van nieuwe kapitaaleisen sneller plaatsvindt. Daarbij zal de markt verwachten dat instellingen eerder aan de nieuwe eisen voldoen, ook al zijn de regels formeel nog niet van kracht. De druk op de kapitaalmarkten is daardoor groter, wat kostenverhogend werkt.

Grotere verliesbuffers maken de kans op een faillissement kleiner. Dit verlaagt het risico op verliezen voor de verstrekkers van vreemd vermogen waardoor zij op basis daarvan wellicht met een lagere vergoeding genoegen nemen. Maar eventuele verliezen worden door de invoering van bail-in over een grotere groep verdeeld, waardoor de risico’s voor verstrekkers van het eigen vermogen afnemen – en die van verstrekkers van vreemd vermogen toenemen. Dit zal dan juist leiden tot duurder vreemd vermogen omdat de impliciete overheidsgarantie wegvalt.

Per saldo verwachten wij een toename van de financieringskosten van banken. Dit zal een opwaartse druk uitoefenen op de rente die banken hanteren bij hun uitzettingen. De hoogte van de rentestijging hangt sterk af van de uiteindelijke impact van het voorgenomen beleid op de financieringskosten van banken. Bij een langzame invoering verwachten wij dat de druk op de kapitaalmarkt en daarmee de druk op de financieringskosten beperkt zal zijn. Door de langzame implementatie is ook geen sprake van een renteschok maar van een geleidelijke verhoging. Bij een snelle invoering is de druk op de kapitaalmarkt voor eigen vermogen groter. Daarbij kunnen niet alle banken even gemakkelijk eigen vermogen uitgeven. Hierdoor ligt een grotere en snellere stijging van de financieringskosten voor de hand dan bij een langzame implementatie. Banken zullen deze snel stijgende financieringskosten voor een groot deel doorberekenen in hogere rentetarieven voor huishoudens en bedrijven.

Wanneer banken ervoor kiezen om de vereiste verhoging van de kapitaalratio te behalen door hun uitzettingen te verminderen (‘balanskrimp’) in plaats van hun buffervermogen te vergroten, dan kan er in geval van te snelle implementatie ook kredietschaarste optreden (DNB, 2014). Securitisatie kan een manier zijn om balanskrimp te bewerkstelligen zonder kredietschaarste te veroorzaken. Op deze manier worden verstrekte leningen gebundeld en doorverkocht aan investeerders. Wanneer hierdoor de meest veilige uitzettingen worden doorverkocht, dan wordt een bankbalans naar verhouding risicovoller.

…maar mogelijk ook nadelige (macro-)economische bijwerkingen

Een te snelle invoering van de nieuwe eisen kan via een hogere rente een negatief effect hebben op investeringen en huizenprijzen, wat vervolgens van negatieve invloed kan zijn op de economische groei. Hierdoor komen de werkgelegenheid en de huizenprijzen mogelijk wat lager te liggen dan anders het geval zou zijn geweest. Als blijkt dat de Nederlandse banken daarbij terughoudend zijn met het verstrekken van kredieten, kan dit een negatieve invloed hebben op het ondernemers- en consumentenvertrouwen. De mogelijke impact beperkt zich dus niet alleen tot negatieve bijeffecten op de kredietverlening. Eerder heeft de zogenoemde Macroeconomic Assessment Group[10] al gewezen op (negatieve) bijeffecten van hogere kapitaal- en liquiditeitseisen (MAG, 2010).

Figuur 6: Afname marktaandeel grootbanken nieuwe hypotheekverstrekking
Figuur 6: Afname marktaandeel grootbanken nieuwe hypotheekverstrekkingBron: Kadaster, Rabobank

De impact op de totale kredietverlening hangt dan af van de mate waarin niet-banken dit over kunnen nemen. Voor woninghypotheken is dit gemakkelijker dan voor MKB-leningen aangezien woninghypotheken eenvoudiger kunnen worden verpakt in verhandelbare schuldtitels en op dit moment al voor een deel door niet-banken, zoals verzekeraars en pensioenfondsen, worden verstrekt (figuur 6). Hypotheekleningen zijn niet alleen een veel homogener, maar ook een veel veiliger product dan bedrijfsleningen, zeker nu annuïtair aflossen voor nieuwe hypotheken de standaard is en een groot deel ervan met Nationale Hypotheek Garantie (NHG) wordt gefinancierd.

Door het heterogene karakter van bedrijfsleningen is kredietschaarste en/of een rentestijging daarbij waarschijnlijker dan bij woninghypotheken. Binnen de bedrijfsleningen geldt dit vooral voor het MKB, omdat het Nederlandse grootbedrijf betere toegang heeft tot de kapitaalmarkt. Ondernemingen in het MKB zullen bij gebrek aan bankfinanciering wellicht meer gebruik gaan maken van leasing en factoring. Bij een toename van kredietbeperkingen bij banken zal het belang van alternatieve financieringsvormen zoals crowdfunding en kredietunies verder toenemen. Maar met een totaalbedrag van enkele honderden miljoenen euro’s blijven de nieuwe financieringsvormen vooralsnog klein in verhouding tot traditionele financieringsvormen zoals bancair krediet, leasing en factoring (Treur en Smid, 2015).

Al met al gaan de geschetste mogelijke gevolgen gepaard met veel onzekerheden. Het is vrijwel zeker dat de kapitaaleisen fors omhoog zullen gaan, maar de daadwerkelijke impact valt pas te bezien als de hoogte van de eisen en de snelheid van infasering bekend worden.

Overige punten van aandacht

Door hoge kapitaalvloeren kunnen perverse prikkels ontstaan. Wanneer de benodigde kapitaalhoeveelheid door hogere risicowegingen stijgt terwijl dit geen recht doet aan de daadwerkelijke risico’s in een portefeuille, dan is het aantrekkelijker om meer risicovolle uitzettingen te plegen waarbij het rendement hoger ligt. Daarom is het van belang dat kapitaaleisen aansluiten bij de risico’s in specifieke portefeuilles. Anders is de kans aanwezig dat er prikkels ontstaan tot het vergroten of juist verkleinen van bepaalde typen kredietverlening.

Figuur 7: Stijging kapitaalratio’s Nederlandse banken
Figuur 7: Stijging kapitaalratio’s Nederlandse bankenBron: CPB

Een ander belangrijk aandachtspunt is hoe de nieuwe voorstellen zich verhouden tot al ingevoerde maatregelen. Zo zijn eerder al meer en strengere eisen gesteld aan de omvang en de kwaliteit van het eigen vermogen dat banken moeten aanhouden en is het toezicht op banken ingrijpend gewijzigd (zie ook: MREL en TLAC: aanvullende schokdempers voor het bankwezen). Banken zijn de komende jaren nog bezig met het verhogen van hun kapitaalratio’s om aan de uiteindelijke Bazel III kapitaaleisen van 2019 te kunnen voldoen. En hoewel de solvabiliteitsratio’s van het Nederlandse bankwezen in de afgelopen jaren verder zijn verbeterd (figuur 7), zal het lastig zijn om de benodigde aanpassing van de verhouding tussen uitzettingen en eigen vermogen (de gewenste kapitaalratio) bij een snelle invoering van aanvullende eisen uitsluitend te realiseren via het vergroten van het eigen vermogen.

De Nederlandsche Bank (DNB) en het ministerie van Financiën hebben hier gezamenlijk op gewezen bij een consultatie over de impact van Bazel III (EC, 2015). In hun reactie gaven zij aan dat de introductie van kapitaalvloeren per type uitzetting en de herziening van de standaardbenadering niet tot een overlap met de bestaande eisen moeten leiden en/of een onevenredig groot effect op specifieke portefeuilles moeten hebben. Het is daarom van belang om naast een impactanalyse van de nieuwste voorstellen ook een geïntegreerde analyse te maken van de gestapelde impact. Hierbij is het ook van belang om het gebruik van meer zogenoemde ‘cyclus’-afhankelijke eisen te onderzoeken, zoals de anticyclische kapitaalbuffer (Brooke et al., 2015). Het Financial Policy Committee van de Bank of England neemt dit mee bij de definitieve vormgeving van de kapitaaleisen voor banken in het Verenigd Koninkrijk.

Duidelijkheid over definitieve vormgeving laat nog op zich wachten

De eerste consultatieperiode voor beide voorstellen liep van 22 december 2014 tot en met 27 maart 2015[11]. Hierbij heeft de BCBS ook een kwantitatieve impactanalyse uitgevoerd (Quantitative Impact Study; QIS). Belanghebbenden hebben hun commentaar op de eerste consultatie ingestuurd. Vanuit Nederland heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) een uitgebreide reactie gestuurd waarin zij onder meer aandacht vraagt voor Nederlandse bijzonderheden en een geleidelijke implementatie van de eisen bepleit.

Momenteel vindt een tweede consultatie voor de herziene standaardbenadering plaats. Deze loopt tot en met 11 maart 2016 en hierbij wordt wederom een QIS uitgevoerd. Eind 2016 wordt er meer duidelijk over de definitieve eisen en het tijdpad van de invoering ervan. Op dit moment is de opvatting van de BCBS dat er geen nieuwe consultatie volgt over de vormgeving van de kapitaalvloeren. De definitieve standaarden die eind 2016 uit Bazel volgen, dienen vervolgens als uitgangspunt voor de Europese Commissie (EC) om wetgeving op dit terrein voor te bereiden.

De verwachting is dat de kalibratie van de kapitaalvloeren pas in de loop van 2016 volgt (BCBS, 2014). Diverse partijen hebben al gewezen op het belang van nationale bijstellingen bij de kalibratie (NVB, 2015; EBF, 2015; S&P, 2015). Als een dergelijke kalibratie plaatsvindt, dan houdt men rekening met verschillen tussen lidstaten op het gebied van bijvoorbeeld accountingsregels, hypotheekrecht, de betaalmoraal, faillissementswetgeving en de uitwinningspositie van banken ten aanzien van kredietnemers.

De definitieve voorstellen worden in Europa waarschijnlijk verankerd in de Europese verordening CRR (Capital Requirements Regulation) en de richtlijn CRD-IV (Capital Requirements Directive-IV). Hierbij is de CRR direct van kracht in Nederland terwijl een wijziging van de CRD-IV richtlijn nog omzetting in nationale wetgeving vergt. Daardoor kunnen er afwijkingen zijn ten aanzien van de definitieve voorstellen van het Bazelse Comité. De richtlijn biedt ruimte voor bijstellingen van de eisen op nationaal niveau. Op dit moment is er nog geen definitieve duidelijkheid over de verwachte implementatiedatum.

Conclusie

De meest recente voorstellen van het Bazelse Comité over de herziening van de standaardbenadering en de invoering van kapitaalvloeren zullen een forse impact hebben. Ze zorgen voor toenemende druk op bankbalansen en bij een te snelle implementatie van de voorstellen kan dit negatieve bijeffecten hebben op de financieringskosten van banken, de kredietverlening en de reële economie. Op dit moment bestaat nog veel onduidelijkheid over de definitieve vormgeving van de nieuwe eisen en over de snelheid van invoering. Bovendien is het nog onduidelijk of er rekening wordt gehouden met nationale verschillen. Ten slotte is het cruciaal om rekening te houden met maatregelen die al zijn ingevoerd om zo tot een volledige impactanalyse te komen.

Voetnoten

[1] Het Bazelse Comité van Bankentoezichthouders (Basel Committee on Banking Supervision; BCBS) vormt een mondiaal forum voor samenwerking op toezichtgebied. De bekendste producten van het Bazelse Comité zijn de kapitaalstandaarden Bazel I, II en III. 

[2] Naast dit voorstel over de herziening van de standaardbenadering voor wegingen van kredietrisico’s, de Revisions to the Standardised Approach for credit risk, is het Bazelse Comité met voorstellen bezig betreffende de standaardbenadering van zowel markt- als operationeel risico.

[3] Begin 2014 is de standaardbenadering toegepast voor minder dan een kwart van de kredietuitzettingen van het Nederlandse bankwezen (Rijksoverheid, 2014).

[4] In de Bazelse voorstellen wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen kredieten aan het MKB (Engels: SME) en corporate-MKB (Engels: Corporate-SME). Het MKB omvat hier bedrijven met een maximale omzet op jaarbasis van 10 miljoen euro, de grens voor het corporate-MKB ligt bij maximaal 50 miljoen euro. In de figuren 1, 2 en 3 wordt een onderscheid gemaakt tussen retail-MKB en corporate-MKB.

[5] Het IMF rapporteerde in december 2014 dat de gemiddelde risicoweging van Nederlandse woninghypotheken 11,5% bedraagt (IMF, 2014).

[6] Deze risicowegingen zijn gebaseerd op een studie van de Europese bankenautoriteit (European Banking Authority; EBA) uit december 2013. In hun analyse zijn van 43 banken uit de EU hun verschillende risicowegingen onderzocht. De gehanteerde risicowegingen zijn mediane risicowegingen van deze banken.

[7] De Total Capital Ratio van 8% bestaat uit 4,5% Core Equity Tier-1 kapitaal (CET-1), 1,5% Additioneel Tier-1 kapitaal (AT-1), en 2% Tier-2 kapitaal (T-2). Onder T-2 kapitaal vallen ook achtergestelde schulden en hybride kapitaal; dit is dus breder dan alleen het eigen vermogen. Daarbovenop komen tegen 2019 nog andere buffereisen in de vorm van een 2,5% conservatiebuffer, een 2,5% anticyclische buffer en voor systeembanken een 3% SIFI buffer. Lees voor informatie over de kapitaalinstrumenten deze Special en voor de totale eisen onder Bazel III dit Themabericht.

[8] Daarbij is onder Bazel III ook een ongewogen kapitaaleis (leverage ratio) van 3% geïntroduceerd. Voor Nederlandse banken geldt vanaf 2018 overigens een leverage ratio van 4%. Deze geldt naast de risicogewogen eisen waardoor de werkelijke stijging van de kapitaalbehoefte hoger is.

[9] TLAC verplicht mondiale systeembanken bail-inbaar vermogen aan te houden om met onverwachte verliezen om te kunnen gaan. De TLAC-eisen zijn in november 2014 door de Financial Stability Board (FSB) gepubliceerd in de ‘Adequacy of loss-absorbing capacity of global systemically important banks in resolution’ en zullen naar verwachting vanaf 2019 formeel in werking treden. De MREL-eisen hebben hetzelfde doel, maar komt uit de Europese ‘Bank Recovery and Resolution Directive’, en zal volgens de huidige planning dit jaar in werking treden voor alle banken die actief zijn in de EU-lidstaten.

[10] Het BCBS en de Financial Stability Board (FSB) hebben deze groep ingesteld om de macro-economische effecten van de overgang naar hogere kapitaal- en liquiditeitseisen te beoordelen.

[11] De reacties op de eerste consultatieronde over het voorstel van de standaardbenadering en de kapitaalvloeren zijn respectievelijk hier en hier te vinden.

Literatuur

Basel Committee on Banking Supervision (2015). Revisions to the Standardised Approach for credit risk, second consultative document. Bazel: Bank for International Settlements.

Basel Committee on Banking Supervision (2014). Revisions to the Standardised Approach for credit risk, consultative document. Bazel: Bank for International Settlements.

Basel Committee on Banking Supervision (2014). Capital floors: the design of a framework based on standardised approaches, consultative document. Bazel: Bank for International Settlements.

Basel Committee on Banking Supervision (2014). Reducing excessive variability in banks’ regulatory capital ratios. Bazel: Bank for International Settlements.

Basel Committee on Banking Supervision (2010). Basel III: A global regulatory framework for more resilient banks and banking systems. Bazel: Bank for International Settlements.

Boonstra, W. en De Cleen, B. (2014). Verhoging van eigen vermogen bij banken. Economisch Statistische Berichten, 99 (4678).

Brooke, M., et. al (2015). Measuring the macroeconomic costs and benefits of higher UK bank capital requirements. Financial Stability Paper No. 35. Bank of England: Londen.

CPB (2015). Risicorapportage Financiële Markten 2015. Juni 2015. Centraal Planbureau: Den Haag.

DNB (2014). Kredietverlening en bancair kapitaal. Occasional Study, vol. 12/no. 3. De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

DNB. Monetaire en Financiële Statistieken Nederland. De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

EBA (2013). Third interim report on the consistency of risk weighted assets – SME and residential mortgages. December 2013. European Banking Authority: Londen.

EBF (2015). EBF response to the BCBS consultation on Capital floors. Europese Banken Federatie: Brussel.

EC (2015). Possible impact of the CRR and CRD IV on bank financing of the economy. Public consultation. Europese Commissie: Brussel.

Giesbergen, B. en Treur, L. (2015). MREL en TLAC: aanvullende schokdempers voor het bankwezenRabobank Special.

Giesbergen, B. en Treur, L. (2014). Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen. Rabobank Themabericht.

IMF (2014). Country report Kingdom of The Netherlands. IMF country report no. 14/328. December 2014. International Monetary Fund: Washington.

IMF (2013). Country report Kingdom of The Netherlands. IMF country report no. 13/115. Mei 2013. International Monetary Fund: Washington.

Macroeconomic Assessment Group (2010). Assessing the macroeconomic impact of the transition to stronger capital and liquidity requirements. BCBS en FSB: Bazel.

Modigliani, F. en Miller, M.H. (1958). The cost of capital, corporation finance and the theory of investment. The American Economic Review, 48(3), 261-297.

NVB (2015). NVB response to the Basel Capital Floors consultation. Nederlandse Vereniging van Banken: Amsterdam.

NVB (2014). The Dutch Mortgage Market. Nederlandse Vereniging van Banken: Amsterdam.

Rijksoverheid (2014). Beantwoording schriftelijke vragen Kabinetsvisie op de Nederlandse bankensector. Den Haag.

S&P (2015). The Basel proposal for standardised regulatory capital floors is a useful concept but calibration will be key. Standard & Poor’s, research report.

Treur, L. en Smid, T. (2015). Alternatieve financiering voor het MKB: een update. Rabobank Themabericht. 

Delen:
Auteur(s)
Björn Giesbergen
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 3047 8523

naar boven