RaboResearch - Economisch Onderzoek

Megatrend 5 - In de economie komt alles samen

Special

Delen:

Naar de overzichtspagina van de Megatrends

Alle trends en ontwikkelingen hebben macro-economische gevolgen. En economische ontwikkelingen hebben weer gevolgen voor de andere megatrends. In de economie komt alles samen. Heel simplistisch gezegd leven we over tien jaar in een wereld met meer mensen die gemiddeld welvarender zijn, meer en grotere steden, een grotere vraag naar grondstoffen, meer concurrentie tussen landen en een grotere invloed van ICT. Daarnaast is er een aantal uitdagingen vanuit ons huidige mondiale economische systeem die de economische toekomst er niet zekerder op maken: schuldposities, mondiale economische afhankelijkheden en onbalansen.

Een economisch systeem dat kraakt

Voormalig topman van de Federal Reserve, Ben Bernanke, heeft de relatieve stabiliteit tussen halverwege jaren tachtig en de crises van eind jaren nul beschreven als de ‘Great Moderation’. Dit is economisch gezien een periode geweest van relatieve macro-economische stabiliteit en minder schommelingen in de conjunctuurcyclus, onder andere door deregulering en het opheffen van handelsbarrières. Met de financiële crisis is een abrupt einde gekomen aan deze illusie van economische en financiële stabiliteit. Op dit moment bevindt de internationale economie zich nog steeds in een instabiele situatie. Naast structurele trends is sprake van een aantal economische uitdagingen: nog steeds hoge publieke en private schulden, een relatief traag en onvolledig herstel van de wereldeconomie, een ongekend groot mondiaal monetair experiment en nog steeds mondiale economische onevenwichtigheden.

Figuur 1: Nog steeds oplopende schulden
Figuur 1: Nog steeds oplopende schuldenBron: IIF
Figuur 2: Waarbij de opkomende economieën het stokje hebben overgenomen
Figuur 2: Waarbij de opkomende economieën het stokje hebben overgenomenBron: IIF

Nog steeds hoge schulden en ruim monetair beleid

De crisis die in 2007-2008 begon, was in hoge mate een financiële crisis en daarmee samenhangend een schuldencrisis. De verwevenheid van het mondiale financiële systeem maakte het ondoorzichtig waar risico’s zaten en hoe besmettingskanalen liepen. De lage rente en de daarmee samenhangende search for yield leidden tot risicovollere beleggingen, waarbij het idee zeker níet was dat ‘what goes up’ ook weer naar beneden kon gaan. Er is veel gezegd en geschreven over de financiële crisis en de oorzaken ervan, dus dat gaan we hier niet herhalen (zie voor Nederland bijvoorbeeld Van Ewijk et al.; DNB).

Feit is wel dat de mondiale schuldenberg de afgelopen jaren nauwelijks is afgenomen (Dobbs et al., 2015a). Sterker nog, de bruto schulden in de wereld zijn de afgelopen jaren alleen maar verder toegenomen (figuur 1 en 2). Weliswaar zijn de huishoudschulden in het Westen wel afgenomen, maar hiertegenover staat een aanzienlijke toename van de overheidsschulden in het Westen en vooral ook een toename van de schulden in opkomende economieën. Daar hebben vooral huishoudens en bedrijven zich verder in de schulden gestoken. Natuurlijk staan tegenover schulden altijd bezittingen die in de meeste gevallen zijn toegenomen: de mondiale huizenprijzen zijn na een dieptepunt begin 2013 weer gestegen, evenals de reëel beschikbare inkomens (figuur 3). Ook mondiale vermogensposities lijken de afgelopen jaren te zijn toegenomen (BCG, 2015), op de golven van een sinds 2009 herstellende beurs (figuur 4). De beurskoersen zijn weer ongeveer op het niveau van begin 2007.

De bruto schuldposities (figuur 2) zijn echter aanmerkelijk harder toegenomen dan de waarde van het huizen- en aandelenvermogen. Daarnaast hebben de afgelopen jaren wel duidelijk gemaakt dat hoge bruto schuldposities een bedreiging zijn voor de stabiliteit van economieën. Ook biedt de hoge schuldpositie relatief weinig ruimte om nieuwe tegenwind op te vangen.

Figuur 3: Mondiale huizenprijzen herstellen, inkomens nemen toe
Figuur 3: Mondiale huizenprijzen herstellen, inkomens nemen toeBron: DallasFed.org, retrieved 15 maart 2016.
Figuur 4: Mondiale beurzen weer terug op het niveau van begin 2007
Figuur 4: Mondiale beurzen weer terug op het niveau van begin 2007Bron: Macrobond

Het monetaire beleid is nu ook nog aanzienlijk ruimer dan voor de crisis. Voor een groot deel was dit natuurlijk de reactie op de financiële crisis. Maar met beleidstarieven al geruime tijd rond de nul en behoorlijk opgeblazen balansen van centrale banken zijn de risico’s op nieuwe zeepbellen en onevenwichtigheden groot.

Deze ongekende monetaire experimenten zijn niet zonder bijwerkingen. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar op de markt voor staatsleningen, met name van de sterkere landen, maar de zeepbel wordt gestaag groter. De huidige rentestanden weerspiegelen daardoor op geen enkele wijze meer de risico’s die beleggers lopen. De Italiaanse overheid leent bijvoorbeeld goedkoper dan die van de VS. Deze situatie is uiteindelijk niet houdbaar. We zullen op een of andere manier terug moeten naar een situatie met positieve rentes en een stijgende yieldcurve (Boonstra et al., 2016). Het probleem is dat niemand tot op heden enige ervaring heeft met een succesvol traject vanuit een liquiditeitsval (waar wij nu in zitten) naar een normale situatie. Hoe groot deze effecten de komende jaren zijn, is moeilijk in te schatten. Maar een mondiale economie die zonder problemen verder groeit zoals voor de financiële crisis lijkt daarbij wel een van de meest onwaarschijnlijke scenario’s.

Een zwak herstel en blijvende onevenwichtigheden

De afgelopen paar jaar was er sprake van enige opluchting, zeker in Nederland. De economie groeide namelijk weer. De werkloosheid was nog wel hoog, het inkomen van menigeen de afgelopen jaren nauwelijks toegenomen, maar met een economische groei van bijna 2% in 2015 lijkt alles weer ‘normaal’, na de zware, vooral ‘Westerse’ financiële crisis met daarna de eurocrisis. De recente economische crisis vormde in Nederland, afgemeten aan de ontwikkeling van het BBP, een langere periode van economische stagnatie dan in de jaren dertig het geval was.

Inmiddels ligt de totale economische activiteit in Nederland weer een half procentpunt boven het piekniveau van voor de Grote Recessie in 2008. Maar per persoon is het nationaal inkomen nog steeds bijna 2% lager. Een periode van dertig kwartalen, of zeveneneenhalf jaar, waarin Nederlanders gemiddeld niet rijker zijn geworden. Ons land is hierin geen uitzondering.

Figuur 5: Ontwikkeling van het BBP per hoofd in Nederland
Figuur 5: Ontwikkeling van het BBP per hoofd in NederlandBron: CBS, NiGEM, Rabobank
Figuur 6: Ramingen BBP wereldeconomie
Figuur 6: Ramingen BBP wereldeconomieBron: IMF

Daarbij is dit herstel stelselmatig overschat. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar voor de hele wereldeconomie (figuur 6). Als we de raming van 2007 van het IMF voor de ontwikkelde economieën doortrekken naar 2020, en we vergelijken die met de laatste raming uit het najaar van 2015, dan zit er een ‘gat’ in van bijna 20%. Oftewel, de Westerse economieën zijn bijna 20% armer dan in 2007 gedacht. Een substantieel verschil. Uit de figuur wordt ook duidelijk dat de ramingen stelselmatig naar beneden zijn bijgesteld. Deze bijstellingen zijn het gevolg van een combinatie van de oplaaiende eurocrisis met forse bezuinigingen van vooral Europese overheden, geopolitieke spanningen en lagere grondstofprijzen. Maar ze zijn uiteindelijk ook niet helemaal te verklaren. Deze te optimistische inschatting van de ontwikkeling van de wereldeconomie geldt niet alleen voor het IMF; nagenoeg alle instellingen hebben hiermee te maken.
Dit trage herstel past wel in de ontwikkeling na een financiële crisis (Stegeman, 2014), zodat ‘this time is different’ (Reinhart en Rogoff, 2009, 2014) nu ook niet opgaat.

Externe onevenwichtigheden zoals tot uiting komend op de staat van de lopende rekening van de betalingsbalans van een land zijn nog immer groot. Er is nog steeds sprake van een structurele onevenwichtigheid: landen met jarenlange tekorten tegenover landen die jarenlang een overschot hebben. Daarbij zijn de VS al jarenlang het tekortland bij uitstek, terwijl de overschotten vooral in Azië te vinden zijn. Binnen de eurozone is er ook een scherpe tweedeling tussen landen met een structureel overschot, zoals Nederland en Duitsland, en tekortlanden, vooral in Zuid-Europa. Die tekorten zijn, vooral door lagere importen, de afgelopen jaren wel afgenomen, waardoor de lopende rekening van de betalingsbalans van de eurozone per saldo een overschot laat zien.

Figuur 7: Alles houdt samen met alles
Figuur: TitelBron: Rabobank

Hoe ziet de toekomstige economie eruit?

De toekomstige macro-economische ontwikkelingen vinden hun basis in de megatrends. Immers, in de macro-economie komen veel thema’s samen: demografie, duurzaamheid, geopolitiek en innovatie. Het totale beeld bepaalt hoe het gaat met de economie.

Demografie en groei

De demografische trends volgend, groeit de jonge bevolking van opkomende economieën, terwijl wij in Europa met bevolkingskrimp te maken krijgen en vergrijzen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de afhankelijkheidsratio’s, maar ook voor de investeringen. De grootste investeerders zijn vaak mensen tussen de veertig en de zestig jaar oud (Geanokoplos et al., 2002). Dit is in veel ontwikkelde economieën nog steeds een grote groep, maar deze groep wordt steeds kleiner ten faveure van de groep gepensioneerden (60+), de groep die als het goed is vooral ontspaart in plaats van investeert. Tegelijkertijd bewegen investeringen zich naar de gebieden waar de demografische situatie kansen biedt, zoals de opkomende economieën met een jonge bevolking. Maar ook vanuit opkomende economieën zelf groeien de kapitaalstromen, als gevolg van een stijgende welvaart. Hoge investeringsgraden en een snelle uitbreiding van financiële activiteiten in opkomende economieën brengen het gevaar van bubbels en financiële crises met zich mee (ESPAS, 2013). Door regionale integratie en een toenemend economisch gewicht kunnen die de wereldeconomie negatief beïnvloeden.

De verscheidenheid aan demografische ontwikkelingen zorgt ook al voor verscheidenheid van groei. Door demografische krimp neemt het arbeidsaanbod in de eurozone af. Hierdoor zal het verschil in groeitempo tussen de ‘oude’ en de opkomende wereld eerder groter dan kleiner worden. In de hele wereld neemt het arbeidsaanbod nog toe; daardoor groeit de wereldeconomie jaarlijks met meer dan een half procentpunt (figuur 7). In landen als Indonesië en Turkije is die bijdrage nog groter. In Rusland, China, Japan en Duitsland is de bijdrage van demografie aan de economie juist negatief.

Figuur 8: Potentiële BBP-groei 2018-2030
Figuur 8: Potentiële BBP-groei 2018-2030Bron: OESO, 2012

De stedenvorming is een gevolg en een oorzaak van economische groei. Bijna de helft van de economische groei zal de komende tien jaar in de 440 grootste steden plaatsvinden (Dobbs et al., 2015b). Op plekken met een groeiende vraag naar expertise op het gebied van stedelijke planning, infrastructuur, duurzaamheid en watermanagement liggen kansen voor kennisgedreven economieën. Die economische groei zorgt ervoor dat de middenklasse, voor wat betreft besteedbaar inkomen, de komende jaren in deze regio’s sterk toeneemt. Deze consumenten zullen er mede voor zorgen dat de vraag naar goederen toeneemt en dat de handelsstromen zich verder over de wereld uitbreiden. Dat kan wat opleveren voor exportlanden zoals Nederland. Maar behalve een toename van mogelijke afnemers van Nederlandse goederen en diensten is er ook een toename van mogelijke concurrenten. Daardoor kunnen Zuid-Zuid-handelsstromen in de plaats komen van Noord–Zuid-handelsstromen. Dit soort ontwikkelingen hebben effect op onze import, onze export en op de toekomst van bijvoorbeeld de Rotterdamse haven.

Ecologie en economie

Grondstofprijzen zijn in toenemende mate volatiel. Dat komt door verdergaande klimaatverandering, verdergaande integratie van de wereldeconomie en daarmee samenhangend mondiale gevolgen van lokale gebeurtenissen en doordat grondstoffen zelden los van elkaar kunnen worden gebruikt. Door toenemende voedselschaarste zullen sommigen besluiten tropisch regenwoud in te ruilen voor landbouwareaal en die ontbossing heeft weer effect op het klimaat. Onze zoektocht naar schone en hernieuwbare energie kan wat van die volatiliteit wegnemen, maar de afhankelijkheid blijft. Betere zonnepanelen of batterijen hebben vaak zeldzame metalen nodig en lossen het voedsel- en waterprobleem niet op. Minder volatiliteit zou wel kunnen worden bereikt door over te gaan op een circulaire economie. Door het circulair maken van grondstoffen- en goederenkringlopen zouden we de economie beter in kunnen richten en daarmee grondstoffen efficiënter kunnen gebruiken en afvalstromen kunnen verminderen (Stegeman, 2015). Immers, hoe meer we kunnen hergebruiken, hoe minder er hoeft te worden gedolven.

De snelheid van een energietransitie brengt economische risico’s en kansen met zich mee. Kansen voor de duurzame koplopers: bedrijven en landen die snel en efficiënt over kunnen schakelen op een koolstofarme of –vrije economie. Dan kunnen de technologie en productiewijze een strategisch voordeel zijn. Risico’s zijn er echter ook. Een te snelle transitie leidt tot stranded assets: investeringen in gebouwen en bedrijven die zich niet weten aan te passen aan het energiezuinige nieuwe normaal (DNB, 2016). Dit kan ook de economische groei schaden. Een aanpassing aan de productie en het gebruik van energie kan daarbij ook grote gevolgen hebben voor het mondiale economische en geopolitieke evenwicht; oliestaten worden weer woestijn en veel landen zullen steeds gemakkelijker in hun eigen energievoorziening kunnen voorzien. Dit heeft dan ook consequenties voor de economische groei. Goedkopere energie betekent dat de productie van die energie minder bijdraagt aan het bruto binnenlands product. We meten immers hoeveel de gebruiker betaalt voor energie als groei. Dus een energietransitie kan uiteindelijk ook samenhangen met minder economische groei. Een transitiefase kan nog wel tijdelijk economische groei opleveren, als er een nieuwe energie-infrastructuur moet worden aangelegd. Het zal evenwel nog zeker enkele tientallen jaren duren voordat we hier zijn.

Geopolitiek en financiële gevechten

Geopolitieke situaties zijn, zoals eerder gezegd, per definitie erg onzeker. De trends van multipolarisering, regionalisering, protectionisme en concurrentie zijn daarom vrij breed geformuleerd. Als we dit doorvertalen naar Nederland en de economie is er een aantal manieren waarop de trends doorwerken.

Naast geopolitieke onrust, die altijd economische consequenties heeft, zullen vooral de macro-economische onevenwichtigheden, de schuldposities van landen en het monetaire beleid het strijdtoneel vormen van de economische geopolitiek. Dit zouden we voorzichtig kunnen betrekken op een belangrijk risico voor de economische ontwikkeling de komende jaren: het monetaire beleid. De monetaire verruiming -eerst in Japan, daarna in de VS en het VK en nu in de eurozone- heeft als doel gehad de (eigen) reële economie te ondersteunen. Het lijkt erop dat dit in het VK en de VS enigszins is gelukt, al verschillen daar de meningen ook nog over. Voor de eurozone is het effect vooralsnog onduidelijk. Voorlopig heeft het aankondigen ervan wel geleid tot een flinke depreciatie van de euro ten opzichte van de dollar, wat eigenstandig een positief effect heeft op de economische vooruitzichten. Met de recente devaluatie van de yuan hebben de VS, het VK, Japan, de eurozone en China alle de waarde van hun munt omlaag gebracht. Daarmee gaat het ook meteen om de vijf meest gebruikte munteenheden ter wereld. De vraag is of iedereen nu voorlopig klaar is of dat dit het begin is van een valuta-oorlog van competitieve devaluaties.

De mondiale schuldposities, tezamen met ruim monetair beleid en een nationale politiek die is gericht op vooral de binnenlandse economische agenda maken de uitslag van dit politiek-economische gevecht ongewis. De grote vraag is wie zich uiteindelijk winnaar durft te noemen. Want waar meet je dit aan af? Is dat een economie die op stoom komt, of kiezers die tevreden zijn met hun levensstandaard?

Techno-economie

Technologie en innovatie hebben de kracht om vrijwel alle trends te laten buigen of breken. Betere gezondheidszorg en biotechnologische verbeteringen kunnen bijvoorbeeld effect hebben op hoe lang we leven en tot de beroepsbevolking kunnen behoren. Innovatie is een drijfveer en een uitkomst van verstedelijking en kan de snelheid ervan laten oplopen of misschien remmen, wanneer mensen door snellere en efficiëntere transport- en communicatiesystemen liever land dan buren hebben. Het belang van technologie is ook evident in het gebruik van grondstoffen en het ontkomen aan een minder leefbaar klimaat. Zelfs geopolitiek kan compleet veranderen wanneer soldaten worden vervangen door drones en robots en we op internet kunnen kijken of we de oorlog aan het winnen zijn, die wordt uitgevochten door begenadigde gamers. Dat gaat misschien wat ver, maar de toekomst van technologische ontwikkelingen gaat vaker verder dan we ons kunnen verbeelden.

Economische vooruitgang wordt in belangrijke mate veroorzaakt door technologische vooruitgang. De komende decennia zal dat naar verwachting niet anders zijn, hoewel de meningen over de omvang van die vooruitgang aanzienlijk uiteen lopen. Het brengt in ieder geval ook een aantal uitdagingen met zich mee die de economie van de toekomst ook zullen vormgeven. In welke mate leidt die innovatie tot nieuwe banen als oude banen verdwijnen? Hoe houden we inkomensongelijkheid binnen de perken? Hoe verdienen we nog geld als veel van wat wordt geproduceerd in essentie gratis is? Allemaal belangrijke vragen, waarop we nog geen eenduidig antwoord hebben.

De veranderingen in de samenleving bieden tal van uitdagingen voor het economische systeem. Dit is een dynamisch systeem, dat zich altijd linksom of rechtsom aanpast aan een nieuwe constellatie. Dat gaat ook altijd gepaard met winnaars en verliezers. Dat kunnen individuen, bedrijven of staten zijn. Aanpassingsvermogen op elk niveau maakt het mogelijk de verliezen te minimaliseren en de opbrengsten te maximaliseren. Of het nu gaat over een energietransitie, vruchten van innovatie of demografische veranderingen: een weerbare en wendbare economie is altijd het beste antwoord.

Toekomstige economische groei: een richtingenstrijd

In de huidige discussie over de toekomstige economische groei zijn er grofweg vier verschillende richtingen te herkennen voor wat betreft de economische ontwikkeling van vooral de Westerse economieën. De traditionele kijk, de optimisten, de pessimisten en de stagnatisten.

Figuur 9: Economische groei in Nederland volgens verschillende voorspellers
Figuur 9: Economische groei in Nederland volgens verschillende voorspellersBron: divers
  • Ten eerste zij die zich baseren op een ‘standaard’ economisch model, en kijken naar demografische ontwikkelingen en ontwikkelingen van de (verwachte) arbeidsproductiviteit. Voor de arbeidsproductiviteit nemen zij vaak een historisch gemiddelde, bij gebrek aan beter. Dit zijn de ‘traditionelen’ en hieronder vallen de meeste instanties die officiële voorspellingen doen, waarop beleidsmakers zich baseren. Denk daarbij aan IMF, OESO, CPB en centrale banken. Deze groep heeft ook de meeste expliciete voorspellingen voor een langere periode naar buiten gebracht. Zij gaan uit van macro-economische modellen, waarbij de technologische vooruitgang meestal een gegeven is. De gemiddelde groei voor Nederland op basis van deze selectie van ramingen komt uit op 1,6% voor de periode 2015-2030. De groeiramingen variëren tussen de 0,9% en 2,2% per jaar. De ‘consensus’ is daarbij aanzienlijk positiever dan het gemiddelde groeipad van de afgelopen zes jaar. Van 2009 tot en met 2015 bedroeg de economische groei in Nederland gemiddeld 0,1%, van 2000 tot en met 2015 1,1%.
  • Ten tweede is er een groep economen die verwachten dat de groei de komende jaren ‘exponentieel’ zal toenemen. Zij houden zich vooral bezig met technologie, en verwachten dat de technologische ontwikkelingen ervoor zorgen dat ook de economische groei zal accelereren. Brynjolfsson en Mcafee (2014) bevinden zich in het kamp van de optimisten. Deze groep geeft meestal geen ramingen voor de economische groei in de komende jaren. Maar afgaand op hun aannames, krijgen we een economische groei die beduidend hoger is dan dat we afgelopen jaren hebben meegemaakt.
  • Als derde is er een groep die verwacht dat de komende jaren minder economische groei gaan geven, door verschillende structurele factoren die de arbeidsproductiviteit beïnvloeden. Voornaamste propagandist hiervan is Robert Gordon (2016). Wij hebben daar ook eerder over geschreven (Stegeman et al., 2012). Deze groep wordt vaak de pessimisten genoemd en probeert op de een of andere manier vaak wel te komen tot een raming van de economische groei in de komende jaren, zij het niet met macromodellen maar meer met vuistregels. Een groei van minder dan 1% zou dan een voor de hand liggende verwachting zijn.
  • Een vierde groep maakt zich vooral zorgen om de vraagkant van de economie. Daarbij gaat het vooral om de gevolgen van monetair beleid en onderbesteding in de economie. Zo’n situatie kunnen we eeuwigdurende stagnatie noemen, zoals door Larry Summers (2014) gepropagandeerd. Ontwikkelingen (of het gebrek daaraan) aan de vraagkant van de economie zijn hierbij bepalend. Ook de langerdurende gevolgen van een economische neergang (sclerose) op de economische groei op langere termijn spelen daarbij een rol. Stagnatisten zou je deze groep kunnen noemen. Uiteindelijk zouden we nu in plaats van het einde van een uitzonderlijk lange economische crisis de beginjaren van een periode van langdurige economische stilstand kunnen meemaken.

Het groeiperspectief voor de economie is op dit moment dus vooral onzeker. En de risico’s zijn eerder neerwaarts dan opwaarts.

Naar de overzichtspagina van de Megatrends

Literatuur

BCG (2015). Global Wealth 2015: Winning the Growth Game. Boston Consulting Group.

Boonstra, W., A. Bruinshoofd en E. de Groot (2016). Hoogste tijd voor fundamentele herijking monetair beleid. Mejudice, 16 februari 2016.

Brynjolfsson, E. en A. Mcafee (2014), The Second Machine Age: Work, Progress and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies, New York: W.W. Norton & Company.

DNB (2010). In het spoor van de crisis. DNB: Amsterdam.

DNB (2016). Tijd voor een transitie: Een verkenning naar de overgang naar een klimaatneutrale economie. DNB occasional studies vol 14-2. DNB: Amsterdam.

Dobbs, R., S. Lund, J. Woetzel, M. Mutafchieva (2015a). Debt and (not much) Deleveraging. McKinsey Global Institute.

Dobbs, R. J. Manyaka en J. Woetzel (2015b). No Ordinary Disruption. The four Global Forces Breaking All the Trends. PublicAffairs: New York.

Ewijk, C. en C. Teulings (2009). De Grote Recessie. Balans uitgevers: Amsterdam.

Geanakopolis, J., M. Magill, M. Quinzii (2002). Demography and the Long-Run Predictability of the Stock Market. Cowles Foundation Discussion Paper 1380. Yale University: New Haven.

Gordon, R. (2012), Is US economic growth over? Faltering innovation confronts the six headwinds, cepr Policy Insight 63, Londen: Centre for Economic Performance.

Gordon, R. (2014). The demise of US economic growth: restatement, rebuttal an reflections. NBER Working Paper No. 19895, Cambridge, MA: NBER.

Gordon, R. (2016). The Rise and Fall of American Growth: the U.S. Standard of Living since the Civil War. Princeton University Press. New Jersey.

Gross, D., C. Ilcidi (2013). The Global Economy in 2030: Trends and Strategies for Europe. CEPS: Brussel.

IMF (2015). World Economic Outlook. April 2015. IMF: Washington.

Koo, R., (2011), The world in balance sheet recession: causes, cure, and politics, real-world economics review vol. 58.

Reinhart, C. en K. Rogoff (2009), The aftermath of financial crisis, NBER Working Paper 14656. Massachussets: NBER.

Reinhart, C. en K. Rogoff (2014), Recovery from Financial Crises: Evidence from 100 Episodes, in: American Economic Review, 104 (5), 50-55.

Stegeman, H., R. van de Belt en D. Piljic (2012), Minder groei: van de grote recessie naar de lange stagnatie, Rabobank Special, Utrecht: Rabobank.

Stegeman, H. (2014). We zijn er bijna. Mejudice 14 juli 2014.

Stegeman, H. (2015). De potentie van de circulaire economie. Rabobank Special. Rabobank: Utrecht.

Summers, L. (2014). U.S. Economic Prospects: Secular Stagnation, Hysteresis, and the Zero Lower Bound. Business Economics 49/2. National Association for Business Economics.

Stegeman, H., R. van de Belt en D. Piljic (2012), Minder groei: van de grote recessie naar de lange stagnatie, Rabobank Special, Utrecht: Rabobank.

Stegeman, H. (2015). De potentie van de circulaire economie. Rabobank Special, 3 juli 2015. Rabobank: Utrecht.

Teulings, C. en R. Baldwin (2014), Secular stagnation: Facts, Causes and Cures, VoxEU.org eBook.

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven