RaboResearch - Economisch Onderzoek

Megatrend 4 - De toekomst van innovatie: gaat nu echt alles sneller?

Special

Delen:

Naar de overzichtspagina van de Megatrends

Deze studie is tot stand gekomen met hulp van Arend Drost

Een van de grote vraagtekens in de economische wetenschap is wat innovatie doet met de economie en de maatschappij. Of het nu de volgende industriële revolutie is waar we in zitten, of een verdergaand, evolutionair proces van vooruitgang, innovatie zorgt ervoor dat de maatschappij verandert. Deze ontwikkelingen laten zich uiteraard slecht voorspellen. Maar hoewel de economische effecten van innovatie de komende tien jaar misschien nog beperkt zijn, zijn de effecten op de samenleving mogelijk groot.

Innovatie: de oorsprong van vooruitgang

In een groot deel van de menselijke geschiedenis was er nauwelijks sprake van waarneembare vooruitgang. Technologische vooruitgang en bevolkingsgroei waren er tot ongeveer 1820 nauwelijks, afgemeten aan de huidige standaarden. Sterker nog, bij tijd en wijle viel de levensstandaard aanzienlijk terug. Malthus (1798) had het daarbij over de ‘perpetual struggle for room and food’. Als het inkomen per hoofd toenam door technologische vooruitgang of de ontginning van extra land, leidde dat bijna automatisch tot een stijging van de bevolking, zodat de levensstandaard per saldo niet of nauwelijks toenam. Verschillen in ontwikkeling van het BBP waren er natuurlijk wel, maar die kwamen uiteindelijk vooral tot uiting in verschillen in bevolkingsgroei en niet in een verschil in welvaartsniveau. Ook waren er nauwelijks verschillen in welvaart tussen de verschillende regio’s in de wereld. Maar zeker sinds de Verlichting is innovatie hét vliegwiel van vooruitgang. Door nieuwe producten, processen, instituties, leermethoden, medicijnen, omgangsvormen enzovoort zijn we er in geslaagd om samenlevingen succesvoller te laten zijn. Door technologische vooruitgang zijn veel regio’s in de wereld ontsnapt aan de zogenaamde Malthusiaanse val[1] met als gevolg een snel stijgend inkomen per hoofd van de bevolking, evenals een snel groeiende bevolking. Het denken over vooruitgang en innovatie ligt zeer dicht bij elkaar.

Gordon (2016) beschrijft de ontwikkeling van innovatie en levensstandaard uitgebreid in het boek The rise and fall of American Growth. De innovaties die tussen 1870 en 1970 zijn uitgebracht, hebben een zeer groot effect gehad op de samenleving én op de economische groei. De veranderingen vanaf 1970 waren aanmerkelijk minder groot in de VS. De basisbehoefte om te leven, te werken en te wonen is minder drastisch veranderd dan in de periode ervoor. Daarmee toont Gordon aan dat het ook uitmaakt welke relevante oplossingen worden verzonnen. Zijn argument: je kunt maar één keer de wc, de elektromotor of internet uitvinden. De uitvindingen van de laatste vijftig jaar zijn in de ogen van Gordon minder relevant voor het welzijn van mensen én hebben ook minder toegevoegd aan de gemiddelde levensstandaard. En dergelijke uitvindingen zullen dus ook minder invloed hebben op economische groei en vooruitgang.

De golven van innovatie

Van innovatie bestaat geen eenduidige definitie. De verschillende definities die in omloop zijn, hebben echter wel met elkaar gemeen dat de creatie van een nieuw of verbeterd product of proces centraal wordt gesteld. Belangrijk daarbij is wel onderscheid te maken tussen uitvindingen (inventions) en innovatie. Technologisch is altijd meer mogelijk. Maar uitvindingen worden pas economisch en maatschappelijk relevant als ze op de markt komen. Dan pas hebben zij effect. Dus zelfrijdende auto’s zijn op dit moment interessant, maar economisch (nog) niet relevant. Schumpeter maakte dit onderscheid ruim tachtig jaar geleden al (Schumpeter, 1934). Vaak lopen innovatie en uitvinding door elkaar en hebben mensen de neiging om uitvindingen meteen economisch relevant te verklaren.

Volgens Schumpeter (1939) is technologische ontwikkeling de enige bron van economische groei. De Schumpeteriaanse redenering houdt in dat er een proces van voortdurende innovatie plaatsheeft, waarbij succesvolle toepassingen van nieuwe technieken de oude overbodig maken (‘creative destruction’). Deze innovatieve veranderingen kwamen in zijn ogen voort uit ‘Unternehmersgeist’: ondernemers die door visie en lef nieuwe processen en technieken durven uit te proberen. Succesvolle innovaties tasten de positie van op voorgaande technieken gevestigde bedrijven aan. Ze verschaffen tijdelijke marktmacht. Door deze concurrentievoorsprong kunnen deze innoverende bedrijven (tijdelijk) monopoliewinsten behalen. Vervolgens zullen anderen de innovaties al snel imiteren of verbeteren, waardoor de onderneming zijn marktmacht verliest. Er is sprake van een oneindig proces van opkomst en ondergang van bedrijven, wat zorgt voor een schoksgewijze vooruitgang. Daarbij passen bestaande bedrijven hun verdienmodellen, productieprocessen en producten ook constant aan de veranderende buitenwereld aan. Op macroniveau leidt innovatie tot het verkrijgen van meer output bij een gegeven hoeveelheid input. Ofwel: een toename van de productiviteit. Met elke nieuwe innovatie is welvaartswinst gecreëerd. De theorie van Schumpeter kon dan ook goed verklaren waarom de wereldeconomie in de eerste decennia van de twintigste eeuw behalve perioden van grote bloei ook zware depressies heeft gekend.

Dit past dan weer goed bij de golventheorie van onder andere Kondratieff (1938), waar Schumpeter op voortborduurde. Later is dit weer vertaald door onder andere Perez (2009).

Doorbraaktechnologieën

De huidige ICT-revolutie is begonnen met een technologisch systeem van microprocessors, de gespecialiseerde toeleveranciers daarvan (zoals nu ASML) en de initiële gebruikers zoals rekenmachines, spelletjes, controle-apparaten et cetera. Daarna kwamen minicomputers en PC’s, software, telecommunicatie, internet. Ook deze ontwikkelingen brachten weer een stroom van nieuwe technologieën op gang, sterk van elkaar afhankelijk en aan elkaar gerelateerd. Zonder internet geen Internet of Things, of zelfrijdende auto’s. Maar dit kan ook niet zonder rekenkracht. En zonder rekenkracht ook geen kunstmatige intelligentie of Big Data. De ontwikkeling van nieuwe technologieën is altijd weer gebaseerd op oude technologieën in hetzelfde paradigma of groep van technologieën.

Een soortgelijke ontwikkeling geldt ook voor de technologieën die eerder bestonden.
Een indeling van doorbraaktechnologieën is die van Perez (Perez, 2002; 2009). De indeling van Freeman-Perez is gericht op het verklaren van het proces van diffusie van technologie en de maatschappelijke effecten daarvan, inclusief economische groei.

Vaak levert de doorbraaktechnologie zelf geen grote productiviteitswinsten op, maar de afgeleide stroom aan complementaire innovaties wel. Een doorbraaktechnologie zorgt dan ook gedurende een lange periode voor productiviteitsstijgingen. De effecten op de productiviteit zijn echter niet constant door de tijd. Op korte termijn leidt een doorbraaktechnologie vaak tot een productiviteitsdaling, doordat er in eerste instantie investeringen in onderzoek en ontwikkeling nodig zijn om de mogelijkheden van de doorbraaktechnologie in kaart te brengen en toepassingen te ontwikkeling. Aangezien het geld niet kan worden gebruikt voor de innovatie in de bestaande productietechnologie, neemt de productiviteit af. Wanneer dit proces op middellange termijn is volbracht en de doorbraaktechnologie daadwerkelijk kan worden toegepast, treedt er een substantiële groeiversnelling van de productiviteit op. Vanwege afnemende meeropbrengsten is het aannemelijk dat de productiviteitsgroei op lange termijn tegen grenzen moet aanlopen. Vandaar dat productiviteitseffecten van doorbraaktechnologieën vaak in een s-curve worden weergegeven (zie ook Perez, 2009). Nadat de invoering van een nieuwe doorbraaktechnologie is voltooid en de toepassingsmogelijkheden in nieuwe producten en processen uitgewerkt raken, gaat radicale innovatie immers langzaam weer over in incrementele innovatie. Als de winstgevendheid en efficiëntie van onderzoek en ontwikkeling niet permanent toenemen, is een nieuwe doorbraaktechnologie nodig om de productiviteitsgroei weer op te krikken.

Dat er fasen zijn van hoge en lage groei, en dat er sprake is van doorbraaktechnologieën (General Purpose Technologies; GPT), daar is elke econoom het wel mee eens. Maar dat dit in een soort van wetmatig tempo gebeurt, geloven slechts weinigen. Als dat zo was, was het ook een aanzienlijk gemakkelijkere opgave om de toekomst te voorspellen.

De Vierde Industriële Revolutie: wordt alles anders?

De grote vraag is nu wat er de komende tijd gaat komen qua innovatie. Innovatie wordt vaak opgevat in drie golven tot dit moment (Gordon, 2012; WEF, 2016). Daarvan is de eerste de Industriële Revolutie, inclusief stoom; de tweede bestaat uit de opkomst van auto’s, elektriciteit, staal en olie en de laatste is de ICT-revolutie (figuur 1). In deze figuur hebben we ook de productiviteitsontwikkeling in Nederland weergegeven.

Figuur 1: De Vierde Industriële Revolutie?
Figuur 1: De Vierde Industriële Revolutie?Bron: Rabobank

Volgens sommigen (WEF, 2016) staat de Vierde Industriële Revolutie op het punt van uitbreken. Deze wordt gekenmerkt door snelheid, verandering en (digitale) verbindingen. ‘Alles’ wordt daarin anders. En hoewel het zeer voorstelbaar is dat veranderingen ook de komende jaren fors doorzetten, is er in onze ogen op dit moment nog geen sprake van een nieuwe Industriële Revolutie. Het is vooral nog steeds voortbouwen op de ‘oude’ doorbraaktechnologie van de ICT-revolutie. Maar wellicht is hierin wel een nieuwe fase aangebroken waarin vooral rekenkracht en het verwerken van steeds grotere hoeveelheden informatie de kern vormen. De basisinnovatie die ten grondslag ligt aan deze ‘revolutie’ is dus nog steeds dezelfde, maar de maatschappelijke gevolgen kunnen wel anders uitpakken. 

Voor productiviteitsgroei is de wereld de komende decennia dus in belangrijke mate aangewezen op de hierboven beschreven doorbraaktechnologie waar we nu nog middenin zitten: ICT.

De gedachte dat álles anders wordt door deze technologische trend, heeft met name diep postgevat bij mensen die zich vooral bezig houden met technologie: Kurzweil (2005), maar ook de economen Brynjolffson en McAfee (2014). Zij benadrukken keer op keer dat de rekenkracht van computers ongeveer elke anderhalf à twee jaar verdubbelt, de zogenaamde Wet van Moore.[2] Deze exponentiële groei gaat een steeds groter effect hebben op de economie, zo is hun verwachting, ook als de rekenkracht in een minder snel tempo toeneemt. Want het gaat niet alleen om de doorbraaktechnologie zelf, een groot deel van de productiviteitswinst wordt geboekt door de technologie in de vorm van nieuwe processen en producten toe te passen. Het kost tijd voordat de resultaten hiervan zichtbaar worden. Voor hen bevindt de ICT-revolutie zich nu in een fase waarin innovaties zo ongeveer de hele economie bestrijken en op zichzelf voortbouwen.

De combinatie van nanotechnologie, biotechnologie, cognitieve technologie en informatie (de zogenaamde NBIC-technologieën) kan een mogelijke nieuwe kandidaat voor een doorbraaktechnologie zijn (Franklin et al., 2012). Deze technologie kan bijvoorbeeld tot spectaculaire resultaten leiden in de medische wetenschap, met een aanzienlijk hogere gemiddelde levensverwachting als gevolg.

Daarnaast wordt veel verwacht van doorbraken in de ontwikkeling van zogenoemde smart machines en robots. In het onderzoek naar kunstmatige intelligentie ligt de nadruk steeds meer op het leren herkennen van patronen in bergen gegevens. De enorme stijging van de rekenkracht en de snelheid van computers maken dit mogelijk, wat de deur opent voor veel toepassingen waarbij machines ‘intelligente’ taken kunnen uitvoeren die nu alleen nog maar door mensen kunnen worden uitgevoerd. Deze ontwikkeling komt neer op grote productiviteitsstijgingen. Als concreet voorbeeld wordt regelmatig spraakherkenning genoemd. Tot voor kort was een computer op dit terrein geen partij voor elk normaal kind. Intussen is dat bij de geavanceerde apparaten andersom.

Een voorspelling doen over welke innovatie belangrijk zal worden, is enigszins mogelijk. Doorbraaktechnologieën kenmerken zich in de eerste fase door een groot aantal patentaanvragen (Youtie et al., 2008). Gezien de dynamiek van patentaanvragen op het gebied van nano- en biotechnologie is er een reden om optimistisch te zijn over wat deze technologieën de maatschappij kunnen brengen.

Maar dan weten we nog steeds niet wat zij met economische groei doen. Laat staan met vooruitgang. Degenen die positief zijn over ICT-ontwikkelingen, hangen daar vaak ook geen productiviteitsontwikkeling of groeicijfers aan op: de bewijsvoering is vooral anekdotisch. Maar die voorbeelden geven wel aanleiding om er van uit te gaan dat zij een BBP-groei in hun hoofd hebben die aanzienlijk hoger ligt dan de gemiddelde groei in de afgelopen twee eeuwen (CPB, 2015).

Of een gestaag voortgaande ontwikkeling?

Vaak blijken de verwachtingen in de eerste fase van een technologie te optimistisch te zijn (Gordon, 2000), waarna een forse teleurstelling volgt. Bij ICT was dat het knappen van de ‘internetbubbel’ in 2001.

De arbeidsproductiviteitsstijging vertoont in veel Westerse landen een dalende trend (figuur 2). Dit is een inmiddels algemeen geaccepteerde constatering, zonder dat daar een zeer bevredigende verklaring voor te geven is. Het gaat om een daling vanaf een in historisch opzicht snelle stijging van de arbeidsproductiviteit per werkende. In figuur 3 is de arbeidsproductiviteit per werkende voor Nederland weergegeven in tienjaarsperioden sinds 1800 (per uur is niet beschikbaar over deze periode). Hierbij valt op dat de productiviteitstoename vooral in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in historisch perspectief zeer hoog was. Dit is geen uniek Nederlands verschijnsel, maar geldt voor nagenoeg alle Westerse landen (Gordon, 2016). Daarvoor en daarna lag de toename van de arbeidsproductiviteit gemiddeld aanzienlijk lager. De gemiddelde toename van de arbeidsproductiviteit per werkende in de afgelopen twee eeuwen was 2,1%: voor de Tweede Wereldoorlog 1,5%, erna 3,3%. Laten we in die laatste periode de twee decennia van wederopbouw buiten beschouwing, dan daalt de toename naar 1,5%: precies hetzelfde tempo als gemiddeld voor de Tweede Wereldoorlog.

Figuur 2: Structureel dalende arbeidsproductiviteitsontwikkeling per uur
Figuur 2: Structureel dalende arbeidsproductiviteitsontwikkeling per uurBron: Total economy Database, Conference Board
Figuur 3: Toename arbeidsproductiviteit per werkende in Nederland
Figuur 3: Toename arbeidsproductiviteit per werkende in NederlandBron: CBS, Conference Board, Rabobank

Dit lijkt een enorme tegenstelling met de hiervoor geschetste exponentiële technologische ontwikkeling.
Nordhaus (2015) heeft deze schijnbare tegenstelling tussen technologische mogelijkheden en economische ontwikkelingen getest voor de VS. Hij heeft daarbij gekeken naar ‘singulariteit’: het idee dat kunstmatige rekenkracht (kunstmatige intelligentie) evenveel kan als het menselijk brein. Op economisch gebied zou dit betekenen dat arbeid en dan met name denkkracht niet meer de beperkende factor is voor economische ontwikkeling, en dat de economische groei of de productiviteit nagenoeg oneindig zou kunnen toenemen.

De snelheid van computers en kunstmatige intelligentie vertaalt zich nu in ieder geval niet in een stijging van de arbeidsproductiviteit. Er is een aantal redenen waarom dat ook helemaal niet zo hoeft te zijn.
Een economie werkt niet op ‘bits en bites’. Dit geldt zowel aan de aanbodkant als aan de vraagkant. Aan de vraag- of gebruikerskant: we moeten eten en drinken; we gebruiken allerhande spullen. Alleen als informatie (de bits en bites) dat helemaal zouden kunnen vervangen en we dus van alleen ICT zouden kunnen leven, dan had de economie oneindig kunnen groeien. Als ICT-diensten en normale spullen elkaar niet kunnen vervangen, kan een snelle stijging van kunstmatige intelligentie zelfs irrelevant zijn voor de economie. Want als we nu niet veel meer gaan consumeren aan informatie, dan zal de snelle productiviteitsstijging, bij gegeven output er namelijk toe kunnen leiden dat de bijdrage in de totale groei van de economie juist kleiner wordt, in plaats van groter.

Aan de aanbodkant van de economie geldt een soortgelijk verhaal. We produceren altijd met een combinatie van natuurlijke hulpbronnen, arbeid en kapitaal(-goederen). In dit laatste komt ICT tot uiting. Als het steeds aantrekkelijker wordt om ICT-diensten te gebruiken, hebben we in ieder geval minder mensen nodig. Maar wat de verwisselingsmogelijkheden ook zijn, we zullen altijd een bepaalde verhouding van productiefactoren nodig hebben. Dan kunnen we nog een discussie voeren over de vraag of daar arbeid bij zit als het gaat over robotisering, maar zelfs in het meest wilde gedachtenexperiment zijn er nog steeds mensen nodig. Mocht dat echter niet het geval zijn: grondstoffen en kapitaal kunnen dan ook nog altijd hun grenzen opleggen.

Volgens Nordhaus is die ‘exponentiële groei’ dan ook voorlopig nog niet in zicht. Deze constatering past ook beter bij recente bevindingen omtrent de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit.

De daling van de productiviteit in de afgelopen decennia tot onder dit historische gemiddelde kan natuurlijk een tijdelijk fenomeen zijn. Maar het is wel een fenomeen dat al enkele decennia structureel gaande is, afgaande op de zogenoemde total factor productivity (Gordon, 2014; 2016). Gordon (2012) wijt de structureel dalende arbeidsproductiviteit aan het feit dat we de belangrijkste productiviteitswinsten van doorbraaktechnologieën hebben gehad. Gordon (2012) is zeer pessimistisch over de zet die ICT aan de productiviteitsgroei kan geven. Hij beargumenteert dat innovatie in de afgelopen jaren vooral was gefocust op het verbeteren van entertainment- en communicatieapparatuur en dat deze innovatie niet heeft kunnen voorkomen dat de ICT-gerelateerde productiviteitsgroei afneemt. In veel verwachtingen wordt er juist impliciet vanuit gegaan dat óf de huidige technologie nog veel verder kan worden verbeterd óf dat de doorbraaktechnologie ICT de komende jaren wordt opgevolgd door een nieuwe doorbraaktechnologie.

Gordon (2014; 2016) benadrukt dat er vooral geen reden is om heel erg veel te verwachten van nieuwe technologieën voor wat betreft BBP-groei. Daarbij geeft hij tal van historische voorbeelden. De ervaring leert dat er geruime tijd (een aantal decennia) kan zitten tussen de uitvinding van een doorbraaktechnologie en de daaruit volgende economische groeiversnelling (Shackleton, 2013). Dit geldt ook voor de ICT-revolutie. Hiervan wordt pas sinds het midden van de jaren negentig economisch geprofiteerd, terwijl mainframe computers al aan het begin van de jaren zestig zijn geïntroduceerd. Bovendien komt de productiviteitsgroei die door doorbraaktechnologieën wordt voortgebracht doorgaans in golven. Niet in de laatste plaats omdat vaak politieke beslissingen vereist zijn om het volledige potentieel van een nieuwe doorbraaktechnologie te kunnen realiseren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het (opnieuw) vaststellen van eigendomsrechten of het aanleggen van de benodigde infrastructuur. Zo lang niet is voldaan aan deze randvoorwaarden, wordt de volledige potentie van een nieuwe technologie niet direct benut.

Daarnaast gaat het ook om een psychologische en soms culturele aanpassing. Nieuwe technologie moet zich eerst bewijzen wil zij in de samenleving worden geaccepteerd. Daarbij moet ook ingesleten gedrag –efficiënt bij de oude techniek– worden veranderd. Waarom gaan we bijvoorbeeld nog op kantoor achter een computer zitten werken, terwijl thuis ook nagenoeg alle faciliteiten beschikbaar zijn? 

Onzekerheden

  • Doorbraaktechnologieën?
    De uiteindelijke effecten van innovatie zijn moeilijk in te schatten. Nieuwe technologie is niet per definitie een doorbraaktechnologie. Vaak kan pas later worden bepaald welk effect een technologie heeft gehad voor de economische groei en de samenleving, zelfs als het een populaire en veel gebruikte technologie is.
  • Ongelijke verdeling
    Een van de belangrijke vragen is welke effecten automatisering en robotisering gaan hebben op ongelijkheid en cohesie in de samenleving. Pakketbezorgers zouden kunnen worden vervangen door drones, vrachtwagenchauffeurs door zelfrijdende programma’s. Dit zou files bijvoorbeeld kunnen oplossen en een aanzienlijk productiviteitseffect kunnen geven. Maar hoe zit het met de verdringing van banen door kunstmatige intelligentie? Is er in de toekomst sprake van massawerkloosheid of komen er juist heel veel banen bij?
  • For better or for worse?
    Innovaties kunnen (onvoorziene) externe effecten hebben en hun applicaties kunnen bedoeld of onbedoeld schadelijk worden gebruikt. Zo kunnen efficiëntere productiemethoden ervoor zorgen dat een product goedkoper wordt en daardoor de gevraagde hoeveelheid omhoog gaat. Daar kunnen maatschappelijke kosten aan verbonden zitten wanneer het gebruik ervan bijvoorbeeld veel schade toebrengt aan het milieu. Drones maken prachtige filmpjes van bijvoorbeeld de Dom in Utrecht, maar zijn in militair gebruik verwoestend. Biotechnologie kan worden gebruikt om vaccins mee te maken of gewassen te verbeteren, maar ook om virussen en biologische wapens mee te maken. Menselijke genoomtechnologie biedt kansen in het bestrijden van ziektes en allergieën, maar zou ook kunnen leiden tot een nieuwe vorm van eugenics. Dit soort factoren zijn onzeker, maar met de wijdverspreide toegang tot technologie kan een kwaadwillend individu grote schade aanrichten.

Zoals altijd sneller

Dat ontwikkelingen sneller gaan is van alle tijden. Ook bij vorige technologische veranderingen, of het nu de weefgetouwen waren, de trein of de auto, waren er altijd wel mensen te vinden die doemscenario’s bedachten van wat dit zou betekenen voor economie en samenleving. Of juist een wereld waarin alles mogelijk is. De neiging om de nabije toekomst altijd anders en dramatischer voor te stellen dan in het verleden lijkt daarbij haast onvermijdelijk. Dit wordt ook wel chronocentrisme genoemd.

De Vierde Industriële Revolutie werd ook al in 1940 aangekondigd. En in 1948. En in 1956. En daarna in ongeveer elk decennium.

Laten we ons er voor nu bij neerleggen dat de dynamiek van alle tijden is. Dat vernieuwing en verandering altijd komt bovenop de vooruitgang die we hebben meegemaakt in ons leven en waar we aan gewend zijn geraakt. En dat dus de enige constante waar we in de toekomst ook op kunnen rekenen is dat de verandering door zal gaan. Want altijd zullen er mensen zijn die oplossingen weten te vinden voor maatschappelijk relevante uitdagingen. Dat is vooruitgang. En dat doet innovatie.

Naar de overzichtspagina van de Megatrends

Voetnoten

[1] De Malthusiaanse val verwijst naar het idee van Malthus dat de bevolkingstoename niet kan worden bijgehouden door de stijging van de voedselproductie. Dit zou niet anders dan kunnen leiden tot een catastrofe.

[2] De Wet van Moore stelt eigenlijk dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt. Dat is niet exact gelijk aan de rekenkracht. Gordon Moore, een van de oprichters van chipfabrikant Intel, deed deze voorspelling in 1965. De wet gold nog tot 2011, maar deskundigen houden er rekening mee dat deze vooruitgang binnenkort langzamer zal gaan verlopen. Ook dat wordt echter al decennia geroepen en is tot op heden niet echt uitgekomen.

Literatuur

Beinhocker, E. en N. Hanauer (2014), Redefining Capitalism, in: McKinsey Quarterly, 2014/3, blz. 160-169.

Brynjolfsson, E. en A. Mcafee (2014), The Second Machine Age: Work, Progress and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies, New York: W.W. Norton & Company.

CPB, (2015). Cahier Macro-economie. Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. CPB: Den Haag.

Cowen, T. (2012) The great stagnation, New York: Dutton Adult.

Franklin, Daniel, and John Andrews (eds.), Megachange: The world in 2050, The Economist in association with Profile Books Ltd., Londen, 2012.

Gordon, R. (2000). Does the “New Economy” Measure Up To Great Innovations Of The Past? NBER Working Paper No. 7833, Cambridge, MA: NBER.

Gordon, R. (2012), Is US economic growth over? Faltering innovation confronts the six headwinds, cepr Policy Insight 63, Londen: Centre for Economic Performance.

Gordon, R. (2014). The demise of US economic growth: restatement, rebuttal an reflections. NBER Working Paper No. 19895, Cambridge, MA: NBER.

Gordon, R. (2016). The Rise and Fall of American Growth: the U.S. Standard of Living since the Civil War. Princeton University Press. New Jersey.

Kondratieff (1938), The Long Waves in Economic Life. Review of Economics and Statistics, 17, 105-115.

Kurzweil, Ray (2005). The Singularity Is Near: When Humans Transcend Biology, Penguin Group: New York.

Malthus, T. (1798), An essay on the Principle of population, (printed for J. Johnson).

Nordhaus, W. (2015). Are we Approaching an Economic Singularity? Information Technology and the Future of Economic growth. Cowles Foundation Discussion Paper No. 2021. Yale University.

Perez, C. (2002). Technological Revolutions and Financial Capital: the Dynamics of Bubbles in the Golden Ages. Cheltenham: Elgar.

Perez, C. (2009). Technological Revolutions and techno-economic Paradigms. Working Papers in Technology Governance and Economic Dynamics no. 20. Canon Foundation: Norway.

Schumpeter, J.A., 1934 (2008), The Theory of Economic Development: An Inquiry into Profits, Capital, Credit, Interest and the Business Cycle, translated from the German by Redvers Opie, New Brunswick (U.S.A) and London (U.K.): Transaction Publishers.

Schumpeter, J.A. (1939), Business Cycles, New York, McGraw-Hill.

Shackleton (2013). Total factor productivity growth in historical perspective. Congressional Budget Office, Working Paper 2013-1.

World Economic Forum (2016). The Fourth Industrial Revolution: what it means, how to respond. Blog op www.weforum.org, benaderd op 3 maart 2016.

Youtie, J. M. Iacopetta en S. Graham (2008), Assessing the nature of nanotechnology : can we uncover an emerging general purpose technology ? in: Journal of Technology Transfer, Vol. 33, No.3:315-329.

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666
Overige auteurs
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven