RaboResearch - Economisch Onderzoek

Het Nederlandse winkellandschap na de crisis

Special

Delen:
  • Verandering in de spreiding van de bevolking over het land en in het winkelgedrag eisen hun tol in het winkelaanbod
  • De bevolking concentreert zich in grote gemeenten en daarom vindt een steeds groter deel van de winkelbestedingen aan niet-dagelijkse artikelen hier plaats
  • Het winkelbestand in het landelijke gebied heeft bovendien meer dan de winkels in de steden te lijden van concurrentie door webwinkels
  • In de afgelopen jaren was de binding van klanten uit de gemeente zelf voor een gemeente onontbeerlijk om haar positie als kern van een winkelregio te behouden of deze te verwerven

Dichtbij de klant

Volgens Van Dales woordenboek betekent detailhandel: ‘verkoop rechtstreeks aan de consument’. De detailhandel is daarmee het laatste stadium in een productieketen. De sector is goed voor 10% van de Nederlandse economie. Het gaat om ruim 104 duizend bedrijven met 780 duizend banen, die gezamenlijk een omzet van ruim honderd miljard euro per jaar genereren en bijna 25 miljoen m2 winkelvloeroppervlak in gebruik hebben (2013). Doordat zij de consument bedient, is de vestigingsplaats voor de detailhandel minstens zo belangrijk als de andere onderdelen van de marketing mix –product, prijs en promotie. Klanten laten het afweten als zij teveel moeite moeten doen om een product aan te schaffen (Bolt, 2003). Bovendien wil een consument graag kunnen te kiezen uit verschillende aanbieders en stelt hij afwisseling van winkels en horecavoorzieningen op prijs (Rabobank, 2016). Op haar beurt heeft een detailhandelsonderneming voor een rendabele bedrijfsvoering een zeker aantal consumenten in haar omgeving nodig. Daarom bevinden winkels zich doorgaans in grote bevolkingsconcentraties.

De aard en de prijs van de producten die de detailhandel verkoopt en de frequentie waarmee de consument die producten nodig heeft variëren sterk. Daarom wordt in de detailhandel een groot aantal branches onderscheiden. Ruim een kwart van de winkels is gespecialiseerd in artikelen die frequent –‘dagelijks’– worden aangeschaft, zoals voedingsmiddelen (figuur 1). De branches kleding, schoenen, sieraden en dergelijke –mode en luxeartikelen– en meubelen en tuinartikelen en dergelijke –in of om het huis– maken ieder eveneens ruim een kwart van het aantal winkels uit. Door het volumineuze karakter van meubels en tuinartikelen is de branche ‘in of om huis’ goed voor bijna de helft van het winkelvloeroppervlak in ons land. Het aandeel van de andere hoofdbranches is navenant kleiner. Winkelbranches verschillen verder in het benodigde draagvlak –het aantal consumenten dat nodig is voor een rendabele bedrijfsvoering– en daardoor in de mate waarin winkels zijn geconcentreerd in grote kernen (figuur 2). Bij winkels in mode, luxe- en vrije tijdsartikelen is dat sterker het geval dan bij winkels in artikelen in of om het huis.

Figuur 1: Samenstelling detailhandel 2014
Figuur 1: Samenstelling detailhandel 2014Bron: ABF-Research
Figuur 2: Concentratie detailhandel 2014
Figuur 2: Concentratie detailhandel 2014Bron: ABF-Research

Detailhandel in beweging

De detailhandel is sterk in beweging. Na een periode waarin omzet en werkgelegenheid in de detailhandel veel sterker toenamen dan de bevolkingsomvang was van 2008 tot 2013 sprake van een forse daling (figuur 3). Sinds 2013 neemt de detailhandelsomzet weliswaar weer toe, maar daarmee zijn de problemen voor de sector allerminst van de baan. De detailhandel heeft te maken met een aantal structurele veranderingen. In de eerste plaats vlakt het tempo van de bevolkingsgroei in ons land af en daardoor groeit de afzetmarkt voor de detailhandel minder sterk dan in de afgelopen decennia het geval was. De bevolking concentreert zich bovendien steeds meer in de stedelijke gebieden in het hart van het land. Daardoor groeit de afzetmarkt in het ene gebied en krimpt deze in het andere. Daarnaast vergrijst de bevolking en daardoor verandert het koopgedrag. In vergelijking met jongeren kopen ouderen minder goederen, maar meer diensten. De goederenverkoop staat ook onder druk door bezorging aan huis van kant-en-klare maaltijden en doordat de distributie van nieuws en media –boeken en muziek– steeds meer op digitale wijze plaatsvindt. Ook in andere branches gaat de groeiende oriëntatie en verkoop via internet ten koste van de verkoop in fysieke winkels[1]. Daardoor vervagen de grenzen tussen branches, sectoren en distributiekanalen.

Figuur 3: Ontwikkeling detailhandel 2003-2013
Figuur 3: Ontwikkeling detailhandel 2003-2013Bron: ABF-Research, CBS
Figuur 4: Ontwikkeling winkelvloeroppervlak per branchegroep 2003-2014 (2003 = 100%)
Figuur 4: Ontwikkeling winkelvloeroppervlak per branchegroep 2003-2014 (2003 = 100%)Bron: ABF-Research

De Nieuwe Winkelstraat

De combinatie van de ‘opkomst van internet’ en de sterke toename van het aantal winkelpanden in de jaren voor de crisis heeft tot slot geleid tot een fors overschot aan winkelvastgoed in ons land. In 2014 stond 7% van de winkels en meer dan 10% van het winkelvloeroppervlak leeg[2]. Overigens lijkt het moment van verzadiging op de markt voor winkelvastgoed al voor de jongste economische crisis te zijn bereikt. De leegstand van winkelpanden nam gedurende een groot aantal jaren af, maar sinds 2006 is zij anderhalf maal zo groot geworden. Gemeten in winkelvloeroppervlak nam de leegstand zelfs toe met 75%. ‘De veranderingen hebben sneller plaatsgevonden dan dat de sector zich erop heeft kunnen aanpassen. Overigens kwam de toename van het aantal winkels in de jaren voor 2006 geheel voor rekening van de branches mode en luxeartikelen en overige artikelen. In de andere branches nam het aantal winkels toen al gestaag af. Het winkelvloeroppervlak bleef echter wel toenemen. Winkels werden in de afgelopen jaren –zowel voor als tijdens de crisis– dus voortdurend groter (figuur 4). Daarmee lijkt de detailhandel het gebruikelijke beeld te bieden van een sector die een stagnatie in de groei pareert met schaalvergroting.

De gevolgen worden zichtbaar in het winkellandschap. ‘Er vallen gaten in de winkelstraat’ (DNW, 2015). Er zijn veel minder winkels nodig dan voorheen, maar (een deel van de) klanten willen een artikel kunnen voelen, vastpakken en vergelijken alvorens zij het kopen. Winkels hebben nut vanwege de fysieke aanwezigheid van het product dat de consument wil aanschaffen. De klant wil echter ook ‘beleving’ (Rabobank, 2016). Winkels zullen weliswaar blijven bestaan als distributiekanaal, maar er is wel een ‘nieuwe winkelstraat’ op komst die compacter van opzet is, meer geïntegreerd is met horecavoorzieningen, waarin winkels meer dan nu een rol als showroom vervullen en die zich onderscheiden door een verrassend assortiment en een goede service. De beleving die de winkelstraat de klant biedt, komt meer centraal te staan.

Deze constatering was voor winkeliers en andere partijen die betrokken zijn bij de detailhandel –vastgoedeigenaren, overheden en de Rabobank– aanleiding voor een gezamenlijke aanpak van de structuur van de detailhandel. Volgens deze Agenda Retail zullen investeringen in mensen, ondersteuning van het ondernemerschap in de retail en versterking van winkelgebieden de detailhandel er weer bovenop kunnen helpen. Concreet gaat het onder meer om opleiding van personeel, vermindering van de regeldruk, hulp bij financiering en internationale marketing, regionale planning en flexibilisering van huurcontracten.

Winkels volgen de consument, …

Door het belang van fysieke nabijheid tot de consument komt de ruimtelijke spreiding van winkels over het land praktisch overeen met de spreiding van de bevolking. Met andere woorden, als de spreiding van de bevolking over het land zich wijzigt, verandert ook de spreiding van de winkels. De ontwikkeling van het aandeel in de bevolking is dan ook veruit de belangrijkste factor achter de ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in de landelijke detailhandelsbestedingen, zo blijkt uit een vergelijking van de Koopstromenmonitor van de Rabobank voor 2009 en 2014[3] (figuur 5 [4]).

Niet alleen het winkelbestand in de gemeente waarvan het aandeel in de bevolking groeit, profiteert echter van de toename van het aantal consumenten. Als het aandeel van een gemeente in de bevolking stijgt, neemt ook het aandeel van die gemeente in de totale koopkrachtafvloeiing in ons land toe. Koopkrachtafvloeiing is het aandeel van de bestedingen dat de inwoners van een gemeente doen buiten hun woongemeente. Daardoor profiteren ook winkels in andere gemeenten van de toename van het aandeel van een gemeente in de bevolking. De samenhang tussen de ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in de bevolking met de ontwikkeling van haar aandeel in de koopkrachtbinding en –toevloeiing is echter veel sterker dan die de ontwikkeling van haar aandeel in de koopkrachtafvloeiing. Koopkrachtbinding is het aandeel van de bestedingen die consumenten verrichten in de gemeente waar zij wonen. Koopkrachttoevloeiing is het aandeel van de omzet van een winkel dat afkomstig is van klanten die wonen in een andere gemeente dan de gemeente waar de winkel is gevestigd. De ontwikkeling van de lokale afzetmarkt is voor een winkel dus belangrijker dan de bevolkingsontwikkeling in andere gemeenten.

Naast de ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in de bevolking zij ook de omvang van de bevolking en de ontwikkeling van het winkelaanbod en de leegstand van invloed op de ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in de detailhandelsbestedingen. Dat niet alleen de ontwikkeling van het winkelaanbod een positief effect heeft op de bestedingen, maar ook de ontwikkeling van de leegstand, duidt erop dat het overschot aan winkels in ons land niet het gevolg is van ontwikkeling op de verkeerde plaats. Wel is dit het gevolg van een teveel aan winkelontwikkeling op plekken waarvan ontwikkelaars vermoeden dat winkels daar goed kunnen gedijen. Aan de andere kant heeft de bevolkingsontwikkeling in het verzorgingsgebied van een gemeente juist een negatief effect op de winkelbestedingen. Als het aandeel van het verzorgingsgebied van een winkelkern in de landelijke bevolking groeit, neemt het draagvlak voor winkels in dat verzorgingsgebied toe. Als gevolg daarvan wordt de binding van de consumenten aan de winkels daar sterker en wordt hun oriëntatie op een andere gemeente juist minder sterk. Ook de toename van het aandeel van een gemeente in het winkelvloeroppervlak had een negatief effect op het aandeel van een gemeente in de winkelbestedingen in ons land. De schaalvergroting van winkels leidde dus niet tot vergroting van de aantrekkingskracht van een winkelkern.

Figuur 5: Factoren achter ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in de winkelbestedingen 2009-2014
Figuur 5: Factoren achter ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in de winkelbestedingen 2009-2014Bron: ABF-Research, Rabobank
Figuur 6: Ontwikkeling aandeel in bevolking en bestedingen in winkels in niet-dagelijkse artikelen 2009-2014 per grootteklasse van gemeenten
Figuur 6: Ontwikkeling aandeel in bevolking en bestedingen in winkels in niet-dagelijkse artikelen 2009-2014 per grootteklasse van gemeentenBron: ABF-Research, Rabobank

… maar niet alle steden winnen

In Nederland concentreert de bevolking zich sinds de jaren tachtig in grote, stedelijke gemeenten en als gevolg daarvan ook het winkelaanbod. Ook in de afgelopen jaren nam het aandeel van grote gemeenten in de Nederlandse bevolking toe en als gevolg daarvan ook hun aandeel in de winkelbestedingen. Als we echter corrigeren voor de bevolkingsontwikkeling van gemeenten –bevolkingsomvang en winkelbestand hangen immers sterk samen– blijkt de ontwikkeling van het aandeel van een gemeente in het winkelbestand de belangrijkste factor te zijn achter de ontwikkeling van haar aandeel in de Nederlandse winkelbestedingen{5]. Het aandeel van die gemeente aan het begin van de periode heeft juist een negatieve invloed op die ontwikkeling. Dit duidt erop dat omvang geen garantie is voor groei van een verzorgingskern, maar dat sprake is van een verschuiving in het ruimtelijke patroon van de detailhandelsbestedingen, de koopstromen. Met andere woorden, niet elke stad wint. De categorieën van gemeenten met meer dan 100.000 inwoners zagen hun aandeel in de bestedingen weliswaar toenemen, maar de middelgrote gemeenten verloren fors aan marktaandeel (figuur 6).

De variatie binnen de grootteklassen van gemeenten is bovendien groot. Amsterdam, Rotterdam, Enschede, Amersfoort en Maastricht zagen hun aandeel in de bestedingen aan niet-dagelijkse artikelen fors toenemen, maar in Den Haag, Haarlem en Dordrecht was sprake van daling. De middelgrote gemeenten Nieuwegein, Purmerend en Deventer daalde dit aandeel, maar in Alkmaar, Zeist en Hengelo nam het juist toe. Ook bij deze variatie binnen de categorieën speelt de bevolkingsontwikkeling een cruciale rol. In de categorie middelgrote gemeenten, die als geheel haar aandeel in de bevolking zag dalen, vertoonden gemeenten waar het aandeel in de winkelbestedingen[6] toenam gemiddeld een minder sterke bevolkingsdaling dan middelgrote gemeenten waarvan het aandeel wel afnam. De gemeenten met meer dan 100.000 inwoners zagen als geheel hun aandeel in het inwonertal toenemen, maar in de gemeenten in deze categorie die hun aandeel in de bestedingen zagen dalen, was gemiddeld juist sprake van een daling van de bevolkingsomvang.

Internet als concurrent

Het inwonertal van een gemeente beïnvloedt niet alleen haar aandeel in de winkelbestedingen en de ontwikkeling van dat aandeel, maar ook de mate waarin het winkelbestand heeft te leiden onder concurrentie van internetaankopen. De bestedingen van consumenten via het elektronische betalingssysteem van de banken –Ideal– maakten in 2015 15% uit van het totaal van deze bestedingen en de PIN-bestedingen in winkels[6]. In 2011 was dat nog maar 8%. Het aandeel van Ideal in de bestedingen door inwoners van kleine gemeenten is veel groter dan het aandeel in de bestedingen door inwoners van grote gemeenten en het neemt ook sterker toe (figuur 7). Aankopen via internet treden daarmee in de voetsporen van de aloude postorderbedrijven. Zij zijn vooral een uitkomst voor consumenten in kleine gemeenten, waar het winkelaanbod klein is. In een groot aantal gevallen maken deze kleine gemeenten deel uit van het landelijke gebied, waardoor consumenten zich bovendien op grote afstand van verzorgingskernen met winkels bevinden. Zowel in de stad als in het landelijke gebied koopt de consument steeds meer via internet, maar vooral voor het winkelaanbod in het landelijke gebied vormen webwinkels een bedreiging.

Figuur 7: Door internet gemiste omzet per grootteklasse van gemeenten 2011 en 2014
Figuur 7: Door internet gemiste omzet per grootteklasse van gemeenten 2011 en 2014Bron: ABF-Research, Rabobank
Figuur 8: Winkelregio’s 2014
Figuur 8: Winkelregio’s 2014Bron: ABF-Research, Rabobank

Verzorgingskernen en ommeland

Toevloeiing van koopkracht naar een gemeente en afvloeiing van koopkracht uit een gemeente duiden erop dat gemeenten niet op zichzelf staan, maar dat inwoners van de ene gemeente gebruik maken van voorzieningen in een andere gemeente en dat –omgekeerd– het winkelbestand in de ene gemeente consumenten uit een andere gemeente bedient. De koopkrachtafvloeiing uit een bepaalde gemeente concentreert zich doorgaans op slechts enkele andere gemeenten. Dit zijn de gemeenten die fungeren als voorzieningenkern voor inwoners van andere gemeenten, die het verzorgingsgebied van deze kern vormen. Of een gemeente als kern van een winkelregio wordt beschouwd of dat zij deel uitmaakt van het ommeland van een kern, hangt af van de eis die aan de concentratie van de koopkrachtafvloeiing wordt gesteld. Naarmate deze eis strenger is –de koopkrachtafvloeiing dus minder op een bepaalde andere gemeente gericht mag zijn– kwalificeren zich minder gemeenten als winkelkern en worden dus minder regio’s onderscheiden, die gemiddeld echter wel groter zijn. Met de omvang van deze winkelregio’s neemt de koopkrachtbinding in die regio’s toe, maar neemt de gemiddelde afvloeiing naar de winkelkern van die regio juist af. De indeling van Nederland in winkelregio’s is dus een compromis tussen koopkrachtbinding en afvloeiing naar de kern.

Als we een gemeente tot winkelkern benoemen wanneer maximaal 6% van de koopkrachtafvloeiing uit deze gemeente naar één bepaalde andere gemeente plaatsvindt, kunnen we 63 winkelkernen en -regio’s definiëren (figuur 8). Omgekeerd bestaat het ommeland van een winkelkern uit gemeenten die voor meer dan bijvoorbeeld 6% op die kern zijn georiënteerd. Bij het kerncriterium van 6% bedroeg de regionale koopkrachtbinding in 2014 gemiddeld 80%. Gemiddeld de helft van de detailhandelsbestedingen door de in deze regio’s woonachtige consumenten vond plaats in de kern van deze regio’s. Bij ditzelfde kerncriterium was in 2009 sprake van zestig winkelregio’s. De gemiddelde regionale koopkrachtbinding was vergelijkbaar met die in 2014, maar het gemiddelde aandeel van de winkelkernen in de regionale bestedingen was lager.

Achterdeur dicht

Als de gemeenten die kern zijn van een winkelregio in 2009 en in 2014 met elkaar worden vergeleken, blijkt niet alleen een lichte toename van het aantal regio’s, maar vooral een forse verandering in de winkelkernen (zie tabellen 1 en 2 in bijlage). Van de kernen van 2009 verloren er zeventien hun positie en daarvoor kwamen er twintig nieuwe in de plaats. De 43 gemeenten die zowel in 2009 als in 2014 de kern van een verzorgingsgebied vormden, zijn veel groter en vertonen een veel sterkere koopkrachtbinding dan de kernen die hun positie verloren of juist verwierven (figuur 9). Omvang en een sterke positie van het winkelbestand onder lokale consumenten leiden dus tot behoud van de positie als winkelkern. Dit neemt niet weg dat een aantal van deze kernen door het verdwijnen van concurrenten in hun omgeving –Doetinchem– hun invloed zagen toenemen –Arnhem– of door het opkomen van concurrenten –Sliedrecht, Zeist– hun invloed juist zagen afnemen –Rotterdam, Utrecht.

Figuur 9. Omvang winkelkern 2009 (ten opzichte van gemiddelde gemeenten)
Figuur 9. Omvang winkelkern 2009 (ten opzichte van gemiddelde gemeenten) Bron: ABF-Research, Rabobank
Figuur 10. Aandeel van kernen van winkelregio’s met toename bevolking, winkels, wvo en leegstand 2009-2014
Figuur 10. Aandeel van kernen van winkelregio’s met toename bevolking, winkels, wvo en leegstand 2009-2014Bron: ABF-Research, Rabobank

De gemeenten die een positie als kern verwierven, waren in 2009 gemiddeld wat groter dan de gemeenten die hun positie als kern kwijtraakten. De koopkrachtbinding was er bovendien wat zwakker en de koopkrachtafvloeiing wat sterker dan in de ‘kernen van 2009’. De ‘kernen van 2014’ slaagden er in de jaren daarna echter in om de binding van klanten uit de kern zelf fors te versterken. De ‘kernen van 2009’ zagen de koopkrachtbinding juist afnemen en de koopkrachtafvloeiing toenemen (figuur 10). Daardoor ging hun positie als kern verloren. Hoewel de kern van een winkelregio dus ontstaat dankzij de koopkrachttoevloeiing uit andere gemeenten, is voor het verwerven en behouden van de positie als kern de eigen koopkrachtbinding dus cruciaal. 

Tot slot

De detailhandel maakt als gevolg van de verandering in de spreiding van de bevolking over het land en de opkomst van online winkelen een structuurverandering door. Winkelbestedingen concentreren zich –net als de bevolking– in grote gemeenten en internet rukt vooral in het –toch al ‘dunbewinkelde’– landelijke gebied op. Niet in elke grote gemeente is het winkelbestand echter ‘veilig’. In vrijwel alle gemeenten is sprake van een forse leegstand en ook onder grote gemeenten zijn er die hun inwonertal zien dalen. Actief ingrijpen in het winkelaanbod –zoals beoogd door De Nieuwe Winkelstraat– kan het leed voor een winkelkern echter verzachten en haar positie zelfs doen verbeteren.

Voetnoten

[1] In 2013 waren webwinkels en postorderbedrijven goed voor 4,5% van de detailhandelsomzet. 

[2] De winkelleegstand komt overeen met de leegstand van bedrijfsruimte. De kantorenleegstand is echter nog veel groter: 16% (FGH, 2015).

[3] De Koopstromenmonitor van de Rabobank biedt op basis van de financiële transacties van de klanten van de bank inzicht in de oriëntatie van consumenten en het verzorgingsgebied van winkels.

[4] Deze factoren gezamenlijk verklaren 31% van de variatie tussen gemeenten in de ontwikkeling van hun aandeel in de bestedingen in winkels voor niet-dagelijkse artikelen.

[5] Deze beide factoren verklaren 41% van de variatie tussen gemeenten in de ontwikkeling van hun aandeel in de bestedingen in winkels voor niet dagelijkse artikelen. De andere factoren zijn niet significant, dat wil zeggen hebben een invloed die ook op toeval zou kunnen berusten.

[6] Het gaat er bij dit onderscheid om of de consument de winkel persoonlijk bezoekt en er afrekent, oftewel om de toeloop in de winkelstraat. Het is niet van belang of de webwinkel waaraan wordt betaald het eigendom is van een onderneming die ook een fysieke winkel heeft.

Literatuur

Bolt, 2003. E.J. Bolt, Winkelvoorzieningen op waarde geschat, 2003.

DNW, 2015. Retailagenda, Platform De Nieuwe Winkelstraat, 2015.

FGH, 2015. FGH Vastgoedbericht, FGHBank, Utrecht, 2015.

Rabobank, 2016. Innoveren om te overleven, Rabobank, Utrecht, 2016.

Bijlage: winkelregio's

Tabel 1: Zowel in 2009 als in 2014 kern van winkelregio (bij 6%-criterium)
Tabel 1: Zowel in 2009 als in 2014 kern van winkelregio (bij 6%-criterium)Bron: Rabobank
Tabel 2: Alleen kern van winkelregio in 2009 of 2014 ( bij 6%-criterium)
Tabel 2: Alleen kern van winkelregio in 2009 of 2014 ( bij 6%-criterium)Bron: Rabobank
Delen:
Auteur(s)

naar boven