RaboResearch - Economisch Onderzoek

Voortdurend veranderend, maar allerminst veranderlijk

Column

Delen:

Anders dan vaak wordt beweerd, is Nederland niet plat. Bepaald niet zelfs! Bevolking en het gros van de (economische) activiteiten concentreren zich op minder dan een vijfde deel van het landoppervlak, in wat wel de ‘pieken in de Delta’ werd genoemd. De rest van het land is weliswaar geen ‘afgrond’, maar in ieder geval geen piek.

Wat deze spreiding betreft, ziet Nederland er niet anders uit dan in 1500 en dat is na vijf eeuwen van groei en modernisering best opmerkelijk. Blijkbaar heeft de Randstad ‘iets’ wat haar anders maakt dan andere delen van het land. ‘Wat mag dat dan wel zijn?’, zal men ‘in de regio’ vragen. Waarschijnlijk wat schamper. De economische theorie houdt het op wat agglomeratievoordelen wordt genoemd. Het is gunstig om op een kluitje te zitten. Dat geldt voor personen en voor bedrijven. Het grote aantal mensen en bedrijven in grootstedelijke gebieden maakt het voor bedrijven gemakkelijker om de juiste werknemer of leverancier te vinden. Werknemers vinden er sneller een passende baan. De concentratie van mensen en bedrijven vormt ook een goede voedingsbodem voor economische, sociale en culturele innovatie. In de cijfers zien we deze agglomeratievoordelen terug in de vorm van een hoge arbeidsproductiviteit, een hoog inkomen per werkzame persoon en veel startende ondernemingen.

Omdat de economie voortdurend verandert, veranderen ook de eisen die zij aan haar omgeving stelt. Of anders gesteld, de mate waarin gebieden een geschikte vestigingsplaats zijn voor economische activiteiten verschilt van tijd tot tijd. De handelseconomie van de Gouden Eeuw concentreerde zich in het aan zee gelegen westen van het land. De industrialisatie leidde ertoe dat het oosten en zuiden van het land de wind in de zeilen kregen. Daardoor kalfde de positie van de Randstad af en gingen regio’s als Twente, Zuid-Limburg en Zuidoost-Brabant deel uitmaken van de economische kern van het land.

Sinds de industrie in jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw voor een belangrijk deel ons land verruilde voor de ‘lagelonenlanden’ is het gewicht van handel en diensten in onze economie –vooral in de werkgelegenheid– sterk toegenomen. Daardoor werd de noordelijke Randstad –met haar internationale handel en diensten– weer het centrum van de economische ontwikkeling. Het aandeel van het westen van het land in de bevolking en de economie van Nederland zit dan ook weer in de lift. Het aandeel van het noorden neemt al ruim een eeuw lang af en sinds de jaren tachtig is dat ook voor het oosten en zuiden het geval. En sinds een jaar of tien neemt in een aantal regio’s niet alleen het aandeel in de bevolking en de economie af, maar nemen bevolking en bedrijvigheid ook in absolute zin af: krimp.

Het zwaartepunt van ons land is dus voortdurend in beweging, maar deze beweging is zeer geleidelijk van aard. Op korte termijn veranderen de omvang en de positie van regio’s echter nauwelijks. De pieken zullen niet opeens afvlakken, de dalen zullen zich niet op korte termijn tot piek verheffen. Dat geleidelijke karakter van veranderingen heeft twee belangrijke gevolgen. Enerzijds zijn (beleids-)pogingen om de verdeling van bevolking en activiteiten over het land te veranderen zinloos. Het op verdeling gerichte regionaal-economische beleid is dan ook al lang geleden afgeschaft. Aan de andere kant vormt het onveranderlijke karakter van de ruimtelijke economie wel degelijk een goed uitgangspunt voor beslissingen van ondernemingen, bestuurders en alle anderen die belangrijke besluiten over de toekomst moeten nemen.

Als beslissers inzien dat piek- en dalgebieden een andere aanpak vergen, hebben we al veel gewonnen. Bergbewoners weten dat al lang: koeien laat je niet grazen op een piek, bergbeklimmers hebben in een dal niet veel te zoeken. En dat zal ook in de toekomst niet veranderen.

Delen:
Auteur(s)

naar boven