RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Brexit: vraag en antwoord

Special

Delen:
  • De Britten hebben op donderdag 23 juni gestemd voor een exit uit de Europese Unie.
  • De directe marktreactie was fors. Op de valutamarkten zijn de traditionele veilige havens opgezocht, terwijl de risicopremies op de kapitaalmarkten hard opliepen.
  • In deze special bespreken we de mogelijke vervolgstappen die de Britse regering en de Europese Unie kunnen nemen, alsmede de impact die deze hebben op de wereldwijde financiële markten.

Onverwachte stem voor Brexit

Het was een spannende race, maar uiteindelijk hebben de Britten toch besloten om de EU te verlaten. Het “Remain”-kamp kreeg veel steun uit het bedrijfsleven en van internationale organisaties, die vooral een campagne voerden gericht op de homo rationalis. Desondanks wist het “Leave”-kamp dat zich vooral richtte op de ontevredenheid in het electoraat een meerderheid van 52%-48% te behalen. Een nieuw hoofdstuk in de (economische) geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk begint. De verwachting is dat de financiële markten de politieke ontwikkelingen nauwlettend in de gaten blijven houden.

In deze special proberen we een aantal (ongetwijfeld) prangende vragen te beantwoorden. We bespreken de eerstvolgende stappen die de Britse regering en de Europese Unie kunnen nemen, alsmede de impact die deze hebben op de wereldwijde financiële markten. We doen dit in een Q&A formaat, waardoor de verschillende onderwerpen zoveel mogelijk los van elkaar komen te staan.

Sectie A – De volgende stappen

1. Wat zijn de politieke gevolgen voor de huidige regering?
2. Wat zijn de volgende stappen die de Britse regering kan ondernemen?
3. Hoe zal de EU reageren – coöperatief of niet-coöperatief?
4. Wat zijn de mogelijke handelsmodellen na een ‘Brexit’?

Sectie B – Monetair beleid

5. Hoe reageert de Bank of England?
6. Hoe zullen andere centrale banken reageren?

Sectie C – Marktimpact

7. Wat is de impact op het Britse pond?
8. Hoe reageren de andere munten?

Sectie A – De volgende stappen

Het is nagenoeg onmogelijk om nauwkeurig te voorspellen wat de vervolgstappen zijn. Dit komt doordat het vertrek van een lidstaat voor zowel het Verenigd Koninkrijk als de Europese Unie nog onontgonnen terrein is. Het is nog de vraag wanneer (en of) het VK de exit-procedure in gang zet. De Europese leiders lijken het VK de ruimte te geven tot er een nieuwe premier is, die in september 2016 wordt benoemd. We verwachten dat de Europese Unie een harde lijn inzet. Ondanks dat zal er de komende tijd alsnog speculatie kunnen zijn over de vraag of andere EU-lidstaten dezelfde route als het Verenigd Koninkrijk zullen volgen.

V1. Wat zijn de politieke gevolgen voor de huidige regering?

Het Verenigd Koninkrijk kent sinds het referendum een politieke chaos. Nadat premier Cameron de uitslag van het referendum bekend maakte, kondigde hij ook direct aan dat hij aftreedt als premier. De nieuwe leider van de Conservatieve Partij en dus Camerons opvolger als premier zal in september worden benoemd. Hij of zij zal de uittredingsprocedure in gang moeten zetten en de onderhandelingen met de EU gaan leiden. Verrassend genoeg werd Boris Johnson gepasseerd door partijgenoot Michael Gove waardoor Johnson zich niet verkiesbaar heeft gesteld als kandidaat, terwijl hij juist een prominente rol had in de Leave-campagne. De leiderschapsverkiezing zal waarschijnlijk gaan tussen Theresa May, Michael Gove en Andrea Leadsom.

Daarnaast speelt de onafhankelijkheidskwestie van Schotland nog steeds. De Schotten hebben met een ruime meerderheid voor behoud van het EU-lidmaatschap gestemd. Daarom is de kans aanwezig dat er een nieuw onafhankelijkheidsreferendum wordt gehouden als Artikel 50 (zie V2) is ingeroepen. Ook Noord-Ierland is ontevreden met de uitslag van het referendum, omdat de open grens met Ierland in gevaar kan komen.

V2. Wat zijn de volgende stappen die de Britse regering kan ondernemen?

Allereerst is het de vraag of de Britse overheid het uittredingsmechanisme in gang zal zetten. Het referendum is immers niet bindend: het verplicht de regering niet om de exitprocedure per direct in gang te zetten. Gezien de nipte overwinning van het Leave-kamp (52% tegen 48%) is er ook een groot gedeelte van de Britse bevolking voor behoud van het EU-lidmaatschap. Inmiddels hebben meer dan vier miljoen Britten een petitie voor een tweede referendum getekend. Daarnaast zouden er nieuwe parlementsverkiezingen kunnen komen, waarvan de campagnes waarschijnlijk vooral zouden zijn gericht op het EU-lidmaatschap. Hierdoor zou de Brexit niet door kunnen gaan. Zo’n gebrek aan achting voor de wensen van het Britse volk zal politiek gezien echter niet goed vallen.

Als de nieuwe premier wel voor uittreden kiest, is het nog onzeker wanneer hij of zij dat officieel aankondigt en daarmee Artikel 50 van het Verdrag van Lissabon in werking stelt (zie box 1 verderop). May en Gove hebben allebei gezegd dat ze dat niet in 2016 zullen doen. Een aantal Europese leiders heeft aangegeven de Britten de tijd te gunnen om de politieke crisis op te lossen. Waarschijnlijk zullen ze zodra de nieuwe premier bekend is wel druk gaan uitoefenen op de Britse regering om duidelijkheid te geven over de uittreding.

Vanuit Brits perspectief is het echter begrijpelijk dat de Britse regering zo lang mogelijk wacht met het inroepen van Artikel 50 en met Brussel alvast informeel mogelijke handelsakkoorden probeert te bespreken (ook al hebben Europese leiders aangegeven hier niet voor open te staan). Wanneer de Britse regering Artikel 50 inroept, raakt het land onmiddellijk zijn plek in de Europese Raad kwijt, waarin alle regeringsleiders zijn vertegenwoordigd. Dit betekent dat het VK ook een groot deel van zijn invloed in de Europese politiek verliest. Bovendien begint de klok meteen te lopen, waardoor de exitprocedure binnen twee jaar afgerond moet zijn. Dit kan alleen worden vermeden als de 27 resterende lidstaten unaniem besluiten om deze periode te verlengen. Dit is echter hoogst onwaarschijnlijk.

Box 1: Artikel 50 - Verdrag van Lissabon

1. Any Member State may decide to withdraw from the Union in accordance with its own constitutional requirements.
2. A Member State which decides to withdraw shall notify the European Council of its intention. In the light of the guidelines provided by the European Council, the Union shall negotiate and conclude an agreement with that State, setting out the arrangements for its withdrawal, taking account of the framework for its future relationship with the Union. That agreement shall be negotiated in accordance with Article 218(3) of the Treaty on the Functioning of the European Union. It shall be concluded on behalf of the Union by the Council, acting by a qualified majority, after obtaining the consent of the European Parliament.
3. The Treaties shall cease to apply to the State in question from the date of entry into force of the withdrawal agreement or, failing that, two years after the notification referred to in paragraph 2, unless the European Council, in agreement with the Member State concerned, unanimously decides to extend this period.
4. For the purposes of paragraphs 2 and 3, the member of the European Council or of the Council representing the withdrawing Member State shall not participate in the discussions of the European Council or Council or in decisions concerning it. A qualified majority shall be defined in accordance with Article 238(3)(b) of the Treaty on the Functioning of the European Union.
5. If a State which has withdrawn from the Union asks to rejoin, its request shall be subject to the procedure referred to in Article 49.

V3. Hoe zal de EU reageren – coöperatief of niet-coöperatief?

De EU heeft de keuze om óf coöperatief óf niet-coöperatief te zijn. Rationeel gezien hebben de lidstaten van de EU er belang bij om de negatieve economische effecten van een Brexit zo veel mogelijk te beperken. “Wat slecht is voor het VK, is slecht voor Europa”, klinkt misschien iets te simpel, maar er zit wel degelijk een kern van waarheid in. Een scheiding “volgens het boekje” heeft de voorkeur, bijvoorbeeld in de vorm van een snel afgesloten en veelomvattend vrijhandelsakkoord. Zo’n coöperatieve strategie neemt een groot deel van de economische en financiële onzekerheid weg en het is dan een kwestie van tijd voordat het weer (bijna) business as usual is. Het is echter de vraag of dit reëel is. Ondanks dat het herstel in de eurozone rust op een zeer fragiele fundering en de economie vrij gemakkelijk van het geplande groeipad af kan vallen, spelen politieke overwegingen misschien wel een belangrijkere rol.

Het is niet onrealistisch om te denken dat Europese beleidsmakers ervoor kiezen om het economische herstel in de waagschaal te stellen in de hoop het grotere doel te realiseren: een “Ever Closer Union” die de cohesie binnen de EU27 moet versterken. Dit betekent dat de EU een harde lijn inneemt tegenover het Verenigd Koninkrijk om zo de prikkel bij andere lidstaten om hetzelfde pad te volgen weg te nemen. Dit zou betekenen dat er uiteindelijk een veel slechter en restrictiever akkoord komt te liggen, voor zowel het VK als de EU. Aan de andere kant kan dit wel de cohesie binnen, en daarmee het functioneren van, de Europese Unie op de lange termijn versterken. Houd wel in gedachten dat het de goede wil vereist van 27 landen om coöperatief te zijn, maar de onwil van slechts één land om tot een non-coöperatieve strategie te komen.

We verwachten dat de EU kiest voor een harde lijn. Gezien de wijdverbreide opkomst van populistische en eurosceptische partijen denken we dat de meeste lidstaten zich als een havik opstellen. Bovendien zijn er binnenkort verkiezingen in Nederland (maart 2017), Frankrijk (lente 2017), Duitsland (augustus 2017) en Italië (niet later dan mei 2018).

De EU moet ook nadenken over de interne strategie. Wanneer het Verenigd Koninkrijk Artikel 50 inroept, kunnen de 27 resterende lidstaten besluiten:

a) Om de politieke en economische integratie te versnellen. Dit wordt gemakkelijker wanneer het VK zijn invloed in de Europese Raad kwijt is en kan de macht van de EU versterken – zowel intern via de interne markt, als extern op het vlak van geopolitiek en handel met de VS, China et cetera. Dit kan echter wel op de nodige weerstand stuiten bij de kleinere en/of de perifere lidstaten wanneer dit meer macht voor de Duits-Franse as betekent.

b) Om de status quo in stand te houden. Ondanks dat dit lijkt te helpen om de eurosceptici in toom te houden, denken wij dat dit met name de eurozone blootstelt aan nieuwe “post-Brexit”-krachten. Deze kunnen de haarscheurtjes binnen de muntunie alleen maar groter maken. Als de politieke turbulentie toeneemt, is het aannemelijk dat ook de risicopremies op de financiële markten weer oplopen, waardoor ook de spreads op de staatsobligaties van de perifere landen groter worden. Het gevaar is dat de politiek in Europa wel vaker de neiging heeft om de status quo in stand te houden.

Hoe dan ook zal er speculatie zijn over de vraag of andere EU-lidstaten nu het risico lopen om dezelfde route als het VK af te leggen. In dat geval wordt de Ever Closer Union een halt toegeroepen en erodeert de samenhang binnen de EU. Het kan ook bijdragen aan de creatie van een Europa met “twee snelheden”, waarin verschillende subgroepen van landen ervoor kiezen om alleen op bepaalde vlakken samen te werken. Tenslotte kan het leiden tot een herbalancering van de macht ten faveure van Frankrijk en Duitsland en ten koste van voorstanders van een meer liberaal (Angelsaksisch) economisch beleid.

V4. Wat zijn de mogelijke handelsmodellen na een Brexit?

We kijken naar drie verschillende scenario’s om de mogelijke handelsmodellen te verkennen: 1) het VK wordt lid van de Europese Economische Ruimte (EER) zoals Noorwegen, 2) de EU en het VK sluiten een handelsakkoord zoals met Zwitserland of 3) de onderhandelingen lopen stuk en er is geen overeenkomst. We hebben deze scenario’s omschreven in de tabel hieronder (voor een verdere uitwerking van de scenario’s zie ook Prins (2016)). Het is echter duidelijk dat zowel het VK als de EU er veel tijd en energie in moet steken om binnen twee jaar tot een akkoord te komen. Normaliter duren zulke onderhandelingen veel langer. Het is dus de vraag of dit wel kan worden gehaald. Tot die tijd kan dit proces voor veel volatiliteit zorgen, vooral in de waarde van het pond. Momenteel is het nog onduidelijk hoe de relatie tussen het VK en de EU zal worden vormgegeven.

Sectie B – Monetair beleid

Een adequate respons van de centrale banken is cruciaal om de marktimpact van een Brexit zoveel mogelijk te beperken. Een verkeerd gekozen beleid kan de turbulentie op de financiële markten alleen maar versterken, terwijl een goed gekozen beleid liquiditeitsproblemen en marktvolatiliteit zoveel mogelijk kan vermijden.

Ondanks dat de huidige situatie niet direct te vergelijken is met die van 16 september 1992, toen de Britse regering het Britse pond moest terugtrekken uit het Europees Wisselkoersmechanisme (ERM), is er wel een aantal overeenkomsten. De economie van het VK kende toen bijvoorbeeld ook een “twin deficit” (een tekort op zowel de lopende rekening als de overheidsbegroting). Dit is ook nu een belangrijke bron van volatiliteit. Aan de andere kant is de inflatie nu erg laag, zeker in vergelijking met begin jaren negentig, en is GBP nu al een zwevende wisselkoers. De centrale banken hebben door de financiële crisis van 2008-2009 in elk geval genoeg ervaring opgedaan om de effecten van de Brexit-stem zoveel mogelijk in te dammen, zeker als het gaat om liquiditeit in het financiële stelsel.

Figuur 1: Economische groei en inflatie VK
Figuur 1: Economische groei en inflatie VKBron: Macrobond
Figuur 2: Lopende rekening en begrotingssaldo
Figuur 2: Lopende rekening en begrotingssaldoBron: Macrobond

V5. Hoe reageert de Bank of England?

Zolang er nog geen overeenkomst is bereikt over de precieze voorwaarden van de Brexit, wat mogelijk wel enkele jaren kan duren, zullen er voor bedrijven nog geen significante veranderingen in de economische, financiële of juridische omgeving zijn. Desondanks neemt de onzekerheid over de toekomstige situatie wel toe, waardoor het sentiment onder huishoudens en bedrijven zal verslechteren. Dit heeft op zijn beurt weer een neerwaartse invloed op de geaggregeerde vraag. Wanneer de wereldgroei een tik krijgt door de Brexit, en de turbulentie op de financiële markten toeneemt, is het bijkomende gevaar dat óók de externe vraag afneemt.

In dit licht hintte de gouverneur van de Bank of England (BoE), Mark Carney, een week na het referendum op extra verruimende maatregelen deze zomer. Daarnaast blijft het liquiditeitsloket open tot eind september. Naar verwachting kan dit worden verlengd tot zo lang als nodig wordt geacht.

De Bank of England heeft nog voldoende speelruimte voor verruimende maatregelen. De beleidsrente staat al sinds 2009 op 0,50%. Wel heeft de BoE eerder aangegeven dat 0,50% de laagst mogelijke beleidsrente is in verband met de balanspositie van de zogeheten building societies. Het is daardoor aannemelijk dat de Bank of England eerst aan meer kwantitatieve verruiming denkt, voordat zij de rente verder verlaagt. Aan de andere kant: nood breekt wet. In elk geval is het beleid er op gericht om de rente aan de korte kant van de curve zo laag mogelijk te houden. Wij denken dat de zorgen van de Bank of England over de terugval in de geaggregeerde vraag groter zijn dan die over het inflatierisico dat voortkomt uit een zwakker pond. Aan de andere kant: als het pond té veel verzwakt, gaat het inflatierisico een steeds grotere rol spelen.

V6. Hoe zullen andere centrale banken reageren?

Een van de belangrijkste thema’s die we meermaals hebben aangestipt, is dat de groei van de wereldeconomie zowel traag als fragiel is. De matige productiviteitsgroei is structureel van aard; er is geen ruimte meer tot nieuwe schuldcreatie om een hoger groeitempo te genereren en het monetaire beleid is in zekere mate ineffectief gebleken. Ook de markt begint steeds meer voor dit idee te vallen. De negatieve rentes en het extreem ruime monetaire beleid zorgen voor een misallocatie van kapitaal en vergroten de kloof tussen arm (inkomens groeien nauwelijks) en rijk (prijzen van activa stijgen fors). Het is dan niet verwonderlijk dat dit bij de stembus tot uiting is gekomen. De trage economische groei, waar grote delen van de bevolking ook nog eens maar in beperkte mate van kan profiteren, en de huidige geopolitieke omgeving –die zich uit in de vluchtelingencrisis– hebben vruchtbare grond gecreëerd voor de huidige anti-establishmentbeweging.

De Brexit versterkt deze gedachtegang alleen maar. In de Europese context impliceert dit dat de huidige haarscheurtjes in de muntunie kunnen uitgroeien tot echte barsten (zie ook vraag 3). Wanneer de markt dit risico gaat inprijzen, zullen de spreads en risicopremies weer oplopen. Wanneer dit leidt tot nieuwe onzekerheid in de eurozone, bijvoorbeeld via afnemende bedrijfsinvesteringen en een toenemende spaarquote, betekent dit dat de ECB zich gedwongen ziet om nieuwe stimulusmaatregelen aan te kondigen. Het OMT-programma kan hiervoor worden ingezet, maar dan moet een lidstaat wel zelf een officieel verzoek indienen. Het is daardoor meer aannemelijk dat de ECB eerst het bekende pad bewandelt. Een verdere verlaging van de depositorente en hints naar een mogelijke uitbreiding van QE komen dan om de hoek kijken. Of dit nog effectief zal zijn, is echter zeer de vraag.

Ook aan de andere kant van de Atlantische Oceaan blijft een Brexit niet zonder gevolgen. De kans op een renteverhoging in de VS in juli is nihil, nu de binnenlandse dynamiek aan kracht lijkt te verliezen. Daarnaast staan de Amerikaanse exporten onder druk door de appreciatie van de dollar als gevolg van de vlucht van investeerders naar een veilige haven en de verwachte groeiafzwakking in het VK en de eurozone. We verwachten daarom dat de Fed pas in december weer de beleidsrente zal gaan verhogen. Er zijn echter slechts een paar extra negatieve verrassingen nodig om de renteverhoging helemaal af te stellen.

Figuur 3: Instroom van kapitaal heeft het tekort op de lopende rekening gefinancierd
Figuur 3: Instroom van kapitaal heeft het tekort op de lopende rekening gefinancierdBron: Macrobond
Figuur 4: Het Britse pond heeft wel vaker een crisis meegemaakt
Figuur 4: Het Britse pond heeft wel vaker een crisis meegemaaktBron: Macrobond

Sectie C – Marktimpact

De reactie die we na het referendum op de beurzen zagen, is een goede graadmeter van hoe beleggers kijken naar de vooruitzichten van het VK. De impact op de Britse economie kan aanzienlijk zijn. Dat heeft een aantal instanties al uitgebreid becijferd. Markten hebben de neiging om direct fel te reageren, maar het is nog lang niet zeker welk handelsmodel er uiteindelijk komt. Desalniettemin zorgt de onzekerheid er wel voor dat de risicopremies op Britse activa toe kunnen nemen en de neerwaartse druk op de waarde van het pond groeit, des te meer omdat de Brexit vooraf maar voor een klein deel was ingeprijsd op de financiële markten.

V7. Wat is de impact op het Britse pond?

Sinds de jaren zeventig heeft het Britse pond al een aantal crises doorgemaakt (zie ook figuur 4). De ERM-crisis van 1992 en de financiële crisis van 2008 zijn twee belangrijke voorbeelden. Nu hebben de beleggers wel de kans gehad om zich te hedgen tegen het risico: het referendum was immers al lang aangekondigd. Desondanks daalde het Britse pond scherp. Tegenover de dollar verzwakte het Britse pond met ruim 11% in de eerste twee handelsdagen na het referendum. Wanneer de rust weer wat meer is teruggekeerd, kan het pond weer iets herstellen. Er zijn drie factoren die onze visie op het pond in het bijzonder bepalen:

1) Het hoge tekort op de lopende rekening (figuur 2) maakt het pond kwetsbaar voor een plotselinge depreciatie. Het Britse lopende-rekeningtekort wordt traditiegetrouw gefinancierd door directe buitenlandse investeringen (FDI) en door portfolio-investeringen. Wanneer de FDI afnemen of zelfs omkeren in een uitstroom en de portfolio-investeringen worden afgebouwd, neemt de neerwaartse druk op het pond toe. Het Verenigd Koninkrijk is altijd een belangrijke toegangspoort geweest tot de Europese Unie en dit was voor investeerders in opkomende markten altijd erg interessant. Wanneer het VK de Europese Unie verlaat, verliest het ook een groot deel van deze functie.

2) Ongeveer de helft van de kortetermijnfinanciering van het Britse bankensysteem is gedenomineerd in een andere munt (met name dollar en euro). De toegenomen onzekerheid kan ervoor zorgen dat er niet genoeg vreemde valuta beschikbaar is. De Bank of England stipte dit risico zelf ook al aan. De centrale banken zullen waarschijnlijk genoeg liquiditeit, ook in vreemde valuta, beschikbaar stellen, maar het is aannemelijk dat de nieuwe positie van het VK in het financiële stelsel ook haar weerslag zal hebben op het pond. Dit effect wordt groter wanneer de Britten uiteindelijk geen goede deal met de Europese Unie weten te sluiten. Het belangrijkste risico is dat er geen directe toegang meer is tot de interne markt en er problemen ontstaan met Europese bankvergunningen in het VK (en vice versa). In dat geval ontstaan er handelsbarrières die de uitwisseling van financiële diensten over en weer bemoeilijken, waardoor ook de positie van Londen als het financiële centrum van Europa niet meer is gewaarborgd.

3) We denken dat de Bank of England zich meer zorgen maakt om de ontwikkelingen in de geaggregeerde vraag dan om de inflationaire impact die een zwakker pond met zich meebrengt. Met andere woorden, de beleidsreactie van de Bank of England zal er niet op gericht zijn om het pond te versterken.

Figuur 5: Door nieuwe zorgen over de eurozone kunnen de “break-up”-premies weer oplopen
Figuur 5: Door nieuwe zorgen over de eurozone kunnen de “break-up”-premies weer oplopenBron: Macrobond
Figuur 6: Wereldwijde risk-off? Zwakkere grondstoffenprijzen en valuta opkomende markten
Figuur 6: Wereldwijde risk-off? Zwakkere grondstoffenprijzen en valuta opkomende marktenBron: Macrobond

V8. Hoe reageren de andere munten?

Een Brexit heeft de grootste directe economische impact op landen die door handel sterk verbonden zijn met het Verenigd Koninkrijk. Dit zijn Ierland, Nederland, België en Luxemburg. Op wereldschaal is de eurozone als geheel het meest met het VK verweven. Dit zorgt ook voor een neerwaartse druk op de euro. Een wereldwijde sell-off in risicovolle activa, door toegenomen risico-aversie onder beleggers, pakt daarentegen juist goed uit voor de traditionele veilige havens, zoals de Japanse yen, de Zwitserse frank en ook de Amerikaanse dollar.

Dit komt ook doordat er het risico is op een domino-effect. Een recente enquête van IPSOS-Mori liet zien dat 45% van de bevolking van acht verschillende EU-landen een referendum wil over de Europese Unie en dat 33% van de bevolking zou stemmen voor een exit. Opvallend is dat vooral in de 'traditionele' landen zoals Italië en Frankrijk de eurosceptici steeds meer terrein winnen (denk aan de Italiaanse Vijfsterrenbeweging of het Front National van Marine Le Pen).

We zagen ook dat het Britse pond minder wegzakte tegenover de euro dan tegenover de dollar. Dit komt omdat de eenheid binnen de eurozone ook weer ter discussie zal komen te staan.

Afhankelijk van het economische lot van het VK in de komende jaren kunnen andere EU-lidstaten er over nadenken om dezelfde route als de Britten te nemen, of in elk geval te kijken of ze dezelfde concessies als Cameron kunnen verkrijgen. Zeker wanneer de Britse onderhandelingen met de EU soepel verlopen, neemt dit risico toe. Wanneer de EU zich hard opstelt, lijkt dit risico weer wat kleiner te zijn. In elk geval moet er een nieuwe overeenkomst met de Britten worden gesloten, en dit geeft de andere lidstaten binnen de EU de mogelijkheid om zich te profileren. Elk land heeft zijn eigen belangen (gericht op de belangrijkste binnenlandse industrieën) en er is een kans dat er nieuwe discussies en onenigheid ontstaan tussen de verschillende lidstaten. Een stagnatie, of zelfs een terugval, in de Europese integratie beperkt de invloed van de EU op het wereldtoneel. In het slechtste scenario valt het blok in delen uit elkaar. Voorlopig is het echter nog niet zo ver en is de kans klein dat dit de EU te gebeuren staat.

Een terugkeer van de “euro break-up” risicopremie, gelijk aan wat we hebben gezien tijdens de Europese schuldencrisis van 2011-2012, kan derhalve niet worden uitgesloten. Zeker niet wanneer de markt twijfelt aan de capaciteiten van de ECB om met de huidige beleidsmaatregelen de koersbewegingen in het gareel te houden. Tenslotte zorgt de toegenomen risicoperceptie, en de marktbeweging in de richting van veilige havens, in de regel voor nieuwe neerwaartse druk op de munten van opkomende markten.

Disclaimer

De op/via deze publicatie door Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna:"Rabobank") verstrekte informatie is uitsluitend aan Nederlandse afnemers gericht en is geen beleggingsadvies of enige andere beleggingsdienst in de zin van artikel 1: 1 van de Wet op het financieel toezicht.

De inhoud van deze publicatie is gebaseerd op betrouwbaar geachte openbare informatiebronnen. Er wordt echter geen garantie of verklaring gegeven omtrent de juistheid en volledigheid van de informatie, noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend. U dient zelf na te gaan of eventueel in deze publicatie opgenomen beleggingsadviezen in overeenstemming zijn met het voor u vastgestelde doelrisicoprofiel. U kunt daarover ook contact opnemen met uw adviseur van de Rabobank.

De in deze publicatie opgenomen informatie/adviezen zijn geen expliciete of impliciete beleggingsaanbeveling en kunnen op ieder moment zonder verdere aankondiging worden gewijzigd. De verstrekte informatie is uitsluitend indicatief en kan zonder voorafgaande waarschuwing worden gewijzigd. Aan de verstrekte informatie kunnen geen rechten worden ontleend. De waarde van beleggingen kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Rabobank alsook (eventuele) overige leveranciers van informatie aan deze publicatie(s) aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud van deze publicatie en de daarop/daardoor verstrekte informatie. Rabobank aanvaardt ook geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud van publicaties die niet door Rabobank worden onderhouden en waarnaar wordt verwezen of die verwijzen naar de publicaties van Rabobank. Afnemer van de informatie is verantwoordelijk voor de keuze en het gebruik van de informatie.

De informatie mag uitsluitend door de afnemer zelf worden gebruikt. Afnemer mag de informatie niet overdragen, verveelvoudigen, bewerken of verspreiden. Afnemer is verplicht aanwijzingen van Rabobank omtrent het gebruik van de informatie op te volgen. Ten aanzien van de inhoud van de informatie bestaat geen overnemingvrijheid; alle auteursrechten, ook die bedoeld in art.15 Auteurswet worden voorbehouden. Nederlands recht is van toepassing. Iedere lokale Rabobank en de andere onderdelen van de Rabobank Groep die als een beleggingsonderneming zijn aan te merken, zijn als zodanig geregistreerd bij de Autoriteit Financiële Markten te Amsterdam.

© Coöperatieve Rabobank U.A., Croeselaan 18, 3521 CB Utrecht, The Netherlands

Delen:
Auteur(s)
Elwin de Groot
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 1389 2916
Stefan Koopman
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 71 21328
Carlijn Prins
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
06 1929 6455

naar boven