RaboResearch - Economisch Onderzoek

Vooruitblik vergrijzing en mantelzorg: wie is de mantelzorger van de toekomst?

Themabericht

Delen:

Naar de overzichtspagina De levensloop van overmorgen

  • Vergrijzing leidt tot een sterke toename van het aantal chronisch zieken
  • Steeds grotere nadruk op zelfredzaamheid en mantelzorg
  • Grotere rol persoonlijke dienstverlening en technologische innovatie

Inleiding

Met het ouder worden neemt de behoefte aan mantelzorg toe. Veel ouderen hebben hulp nodig met huishoudelijke of administratieve taken, vervoer, of begeleiding bij artsenbezoek. Dit geldt nog meer wanneer sprake is van beperkingen gerelateerd aan specifieke gezondheidsproblemen, zoals revalidatie na een ongeval of operatie, of chronische ziekten zoals dementie. De kans op chronische ziekten neemt toe met het stijgen van de leeftijd (zie kader). Een vergrijzende samenleving brengt daarom nieuwe opgaven met zich mee op het gebied van ouderenzorg.

Box 1: Toename aantal chronisch zieken verwacht

Diabetes
Diabetes is de meest voorkomende chronische ziekte. Bij de jongste leeftijdsgroepen komt diabetes vrijwel niet voor, maar vanaf 55 jaar stijgt het percentage mensen met diabetes sterk. Meer dan één op de zes (17%) van de 75-plussers heeft op dit moment diabetes. Volgens recent onderzoek zal maar liefst 30% van alle Nederlanders in de loop van zijn leven ooit diabetes krijgen (Erasmus Universiteit, 2016) en zal 9% insuline moeten gaan gebruiken. In totaal heeft momenteel ongeveer 4,5% (circa 750.000 personen) van de Nederlandse bevolking diabetes (CBS, 2014). Bij ongewijzigd beleid zal dit aantal volgens de Nederlandse Diabetesfederatie in 2025 bijna verdubbelen tot 1,4 miljoen mensen, circa 8,4% van de bevolking (Nederlandse Diabetes Federatie, 2012).

Dementie
Ook de kans op dementie stijgt sterk met de leeftijd: van 10% bij mensen boven de 65 jaar en ruim 20% bij mensen boven de 80 jaar tot 40% bij mensen boven de 90 jaar. Volgens schattingen gaat het om 260.000 mensen in 2014 en ruim een half miljoen in 2040 (RIVM, 2014 en Deltaplan Dementie, 2012). Vergeleken met andere aandoeningen is de ziektelast van dementie hoog, niet alleen voor de persoon zelf maar ook voor mantelzorgers. Circa 70% van de mensen met dementie woont thuis en krijgt (intensieve) mantelzorg.
Roken, obesitas, beroerte of diabetes verhogen de kans op dementie. Een afname van het aantal rokers is dus gunstig om de kans op dementie te verkleinen. Ook de ‘cognitieve reservecapaciteit’ (een combinatie van opleidingsniveau, werk en mentale activiteiten zoals meertaligheid) verkleint de kans op dementie (Alzheimer Nederland, 2011).

Leefstijl en medische vooruitgang
Verbeteringen in leefstijl verminderen de kans op ziekten zoals diabetes en dementie. Volgens prognoses van het RIVM (2014b) is er echter nauwelijks sprake van een verbetering van leefstijl. Het percentage rokers zal verder dalen (van 23% in 2012 naar 19% in 2030) en dat is positief. Maar op andere terreinen is er sprake van stilstand. Het percentage mensen met overgewicht blijft gelijk (48%), evenals het aantal mensen dat weinig beweegt (één op de drie) en het percentage zware drinkers (10%).
Als er in de toekomst een medische doorbraak is die één of meer aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, kanker, diabetes of dementie kan voorkomen of genezen dan worden de prognoses op het gebied van gezondheid een stuk gunstiger.

Traditionele ouderenzorg niet meer betaalbaar

De recente hervormingen in de zorg hebben ertoe geleid dat de rol van de overheid in de ouderenzorg kleiner wordt. Alleen ouderen met een zware zorgindicatie komen nog in aanmerking voor een plaats in een verpleeghuis. Ouderen zullen langer zelfstandig wonen en ook meer zelf moeten regelen en betalen, bijvoorbeeld als het gaat om huishoudelijke hulp. De gemeentelijke regelingen zijn alleen bestemd voor ouderen die niet in staat zijn om zelf hulp te regelen en te betalen. Voor een uitgebreide bespreking, zie ons Themabericht Grootschalige hervormingen zorgstelsel in 2015 (Rabobank, 2014).

Ouderen zullen daarom steeds meer een beroep doen op mantelzorg. In vergelijking met voorgaande generaties hebben toekomstige ouderen -babyboomers en latere generaties- echter minder kinderen. En deze kinderen hebben bovendien een hogere arbeidsparticipatie dan voorgaande generaties. Nu geldt ook al dat de combinatie van betaald werk en mantelzorg tot uitdagingen leidt (SCP, 2015) en dat zal in de toekomst nog sterker gelden.

Toenemend beroep op mantelzorg

Een gemiddeld zorgnetwerk rond een kwetsbare thuiswonende oudere bestaat uit drie mantelzorgers en zeven thuiszorgmedewerkers (Vrije Universiteit Amsterdam, 2013). Inmiddels zijn ruim vier miljoen Nederlanders actief als mantelzorger. Velen van hen helpen weliswaar langdurig (langer dan drie maanden), maar niet heel intensief (maximaal acht uur per week). Circa 600.000 mantelzorgers bieden hulp die zowel langdurig als intensief is (SCP, 2015b). Empirisch onderzoek wijst uit dat vooral de ernst van de zorgvraag, de sterkte van de band met de zorgbehoevende en de geografische nabijheid van de mantelzorger van doorslaggevend belang zijn voor de uren mantelzorg die men levert. Mantelzorg wordt daarom primair verleend door de partner en de kinderen. Zij bieden hulp bij allerlei huishoudelijke werkzaamheden en regelen de financiën en administratie; van medische handelingen is doorgaans geen sprake. De term mantelzorg is daarmee wat misleidend, eerder is sprake van mantelhulp of mantelsteun. Ouderen zonder partner of kinderen kunnen moeilijker mantelzorg van familie krijgen en zijn aangewezen op buren, kennissen of andere vormen van informele hulp[1]. Als het aandeel mantelzorg in de totale zorgverlening nog moet toenemen, moeten er dus meer mantelzorgers komen, en/of de mantelzorgers moeten er nog een schepje bovenop doen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) voorspelt dat het aandeel mantelzorgers vooral onder ouderen zal toenemen (SCP, 2009b). De oudere partner-mantelzorgers zijn echter een kwetsbare groep met een verhoogd risico op overbelasting. Ouderen die mantelzorger zijn, besteden hieraan gemiddeld ruim twintig uur per week, terwijl mantelzorgers in de leeftijd van 50-65 jaar, die doorgaans voor hun ouders zorgen en in sommige gevallen voor een partner, hieraan circa negen uur per week besteden. Ongeveer 20% van de huidige groep 50-65-jarigen is mantelzorger (zie figuur 1).

Figuur 1: Aandeel mantelzorgers en uren besteed aan mantelzorg naar leeftijd
Figuur 1: Aandeel mantelzorgers en uren besteed aan mantelzorg naar leeftijdBron: Gezondheidsmonitor 2012 (CBS, RIVM, GGD)

Het SCP verwacht in mindere mate een toename van het aandeel jongere mantelzorgers, door hun beperkte tijd in verband met werk en reisafstand. Bijna de helft van alle mantelzorgers jonger dan 65 jaar combineert mantelzorg met betaald werk van 32 uur per week of meer (SCP, 2015). Het SCP signaleert dan ook een spanning tussen twee beleidsdoelen van de overheid: 'meer mensen langer aan het werk' en 'grotere eigen verantwoordelijkheid van burgers voor hun hulpbehoevende netwerkleden'. Vijftigers worden in deze context ook wel de ‘sandwichgeneratie’ genoemd, omdat zowel werk als zorg voor hun oude ouders en de eigen kinderen hun tijd opeisen (SCP, 2009b). Het geven van intensieve mantelzorg kan leiden tot vermindering van het aanbod van betaalde arbeid, bijvoorbeeld door vermindering van de wekelijkse arbeidsduur of vervroegde uittreding. Het verminderen van betaalde arbeid heeft echter belangrijke financiële consequenties, zowel individueel (door een daling van het inkomen en de pensioenopbouw) als collectief (door daling van de belastinginkomsten).

Ouderen leven langer en hebben –vergeleken met voorgaande generaties– steeds minder kinderen. Ook blijven steeds meer mensen kinderloos. Hierdoor ontstaat een mismismatch tussen het aantal potentiële ontvangers van mantelzorg en de belangrijkste verleners van mantelzorg. Deze mismatch zal steeds verder toenemen, vooral na 2022.
Demografische prognoses laten zien dat tot 2022 zowel het aantal 75-plussers als het aantal 50-65-jarigen toeneemt. Na 2022 zal het aantal 50-65-jarigen afnemen, terwijl het aantal 75-plussers blijft stijgen. De verhouding wordt daarmee steeds schever. Terwijl er nu nog bijna drie maal zoveel 50-65-jaren zijn als 75-plussers, zijn in 2050 beide leeftijdsgroepen ongeveer even groot (figuur 2). Het aandeel 75-jarigen is het grootst aan de randen van het landen en het laagst in de Randstad en het midden van het land (figuur 3).

Figuur 2: Groep 75-plussers steeds groter in verhouding tot 50-65 jarigen
Figuur 2: Groep 75-plussers steeds groter in verhouding tot 50-65 jarigenBron: CBS, eigen bewerking
Figuur 3: Groter aandeel ouderen aan randen van Nederland
Figuur 3: Groter aandeel ouderen aan randen van Nederland Bron: PBL, eigen bewerking

Voetnoot
[1] De termen mantelzorg en informele hulp worden vaak door elkaar gebruikt. Er is echter een verschil tussen de twee begrippen. Informele hulp is ‘alle hulp aan mensen met uiteenlopende gezondheidsproblemen die niet wordt gegeven in het kader van een beroep’. Hierbij gaat het zowel om hulp die mensen aan elkaar geven vanwege de onderlinge band die zij hebben (mantelzorg) als om vrijwilligerswerk op het terrein van zorg en ondersteuning (SCP, 2015b).

Nieuwe alternatieven

Bij gebrek aan ‘primaire mantelzorgers’ zullen mogelijk andere leden uit het sociale netwerk, zoals buren, vrienden en kennissen, mee gaan helpen en zal er een grotere rol zijn weggelegd voor vrijwilligersorganisaties, kerken en particuliere initiatieven (Vrije Universiteit, 2012). Het is de vraag in hoeverre vrijwilligersorganisaties meer mensen kunnen mobiliseren. Recente cijfers geven aan dat het aantal vrijwilligers de afgelopen jaren niet is gestegen (CBS, 2015).

De vraag naar mantelzorg zal volgens het SCP echter minder sterk stijgen dan het aantal ouderen. De sterkste rem op de vraag naar mantelzorg in het komende decennium is de veel betere sociaaleconomische positie van toekomstige ouderen (SCP, 2009b). Ouderen zijn gemiddeld steeds koopkrachtiger, omdat zij steeds vaker een aanvullend pensioen hebben opgebouwd (Rabobank, 2015). Ook hebben ouderen gemiddeld een hoger vermogen dan jongere generaties, zelfs als we alleen maar kijken naar spaartegoeden en de overwaarde op de woning niet meerekenen. Ouderen zullen daarom steeds vaker gebruik maken van betaalde diensten aan huis: van huishoudelijke hulp, reparatiediensten en maaltijdservice tot ‘mantelzorg student’ of ‘mantelzorg au pair’. Daarmee ontstaat er een markt voor het regelen en coördineren van (klus-)diensten en het vinden van betrouwbare persoonlijke dienstverlening (zie bijvoorbeeld De Buren, Mantelaar en Vertroetel je Ouders). Sommige ouderen zullen verhuizen naar woonvormen waarbij zij een servicepakket kunnen afnemen, zoals een aanleunwoning, serviceflat of woon-zorgcomplex (zie ook het Themabericht Woonkeuzes van jongeren en ouderen, Rabobank 2016). Waar de ‘markt’ geen oplossing biedt, kunnen maatschappelijke ondernemingen en nieuwe coöperaties mogelijk een passend dienstenaanbod leveren (Rabobank, 2015b). In Duitsland, dat al eerder en sterker vergrijsde dan Nederland, bestaan er ouderencoöperaties (‘Seniorengenossenschaften’) waarin vitale ouderen minder vitale ouderen helpen. Zij bouwen hiermee een ‘spaartegoed’ op dat zij kunnen laten uitbetalen in diensten wanneer zij zelf hulp nodig hebben. Deze werkwijze lijkt op lokale geldsystemen (‘LETS’) zoals Noppes in Amsterdam (Movisie, 2011). Ook in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Japan bestaan dergelijke ‘Time Banking’ systemen waarmee particulieren voor elkaar diensten verrichten.

Technologische innovaties zullen steeds belangrijker worden. Daarbij kan worden gedacht aan automatische of op afstand bestuurbare apparatuur in de woning (‘domotica’), bijvoorbeeld voor klimaatbeheersing, verlichting, toegangscontrole en alarmsystemen. Experts zijn van mening dat er veel meerwaarde valt te creëren met ‘low tech’ innovaties. Met andere woorden, de toegevoegde waarde moet niet worden gezocht bij spectaculaire en revolutionaire nieuwe technologieën, maar juist bij bestaande technologieën met bewezen toegevoegde waarde die breed kunnen worden uitgerold en toegepast (Idenburg & Van Schaik, 2014). Ouderen zijn steeds vaker digitaal vaardig: zij gebruiken nu al steeds vaker een smartphone of tablet en zullen deze gebruiken voor het onderhouden en aangaan van sociale contacten of het afnemen van dienstverlening en mantelzorg.

Conclusie

De vergrijzing zal leiden tot een toenemende vraag van ouderen naar ondersteuning bij huishoudelijke taken, persoonlijke verzorging en dagbesteding. Deze vraag zal nog meer toenemen naarmate de gezondheid verslechtert. Niet al deze ondersteuning kan door de partner of kinderen worden geleverd; mantelzorgende partners op hoge leeftijd zijn een kwetsbare groep met een verhoogd risico op overbelasting. En in vergelijking met de huidige ouderen hebben toekomstige ouderen minder kinderen, die bovendien een hogere arbeidsparticipatie hebben. Wel zijn deze toekomstige ouderen beduidend koopkrachtiger dan de generaties voor hen, zodat zij vaker betaalde diensten zullen afnemen voor in en om het huis.

Alleenstaande kinderloze ouderen met weinig financiële armslag en een klein sociaal netwerk kunnen echter nauwelijks een beroep doen op mantelzorg of betaalde diensten. De vraag is hoe gemeentes en andere partijen zoals vrijwilligersorganisaties, kerken en particuliere initiatieven deze groep het beste kunnen ondersteunen.

Literatuur

Alzheimer Nederland Wereld Alzheimer Dag rapport 2011 – Toekomstverkenning dementie in Nederland 2011-2050.

Centraal Bureau voor de Statistiek (M. Aaldijk, R. Bakker, M. Berger-van Sijl, M. Bronsveld-de Groot, T. Gelsema, M. Houben-van Herten, O. van Hilten, K. Riksen, L. Voorrips), 2014, Gezondheid en zorg in cijfers, 2014.

Centraal Bureau voor de Statistiek (H. Schmeets, J. Arends, J. van Beuningen, M. Coumans, W. Gielen, L. Moonen F. Peters, M. Vink), 2015, Sociale samenhang 2015. Wat ons bindt en verdeelt.

Deltaplan Dementie, 2012, Rapport Deltaplan Dementie 2012-2020.

Erasmus Universiteit (S. Ligthart, T.T. W. van Herpt, M.J.G. Leening, M. Kavousi, A. Hofman, B.H.C. Stricker, M. van Hoek, E. J.G. Sijbrands, O.H. Franco, A. Dehghan), 2016, Lifetime risk of developing impaired glucose metabolism and eventual progression from prediabetes to type 2 diabetes: a prospective cohort study, Lancet Diabetes & Endocrinology vol 4(1).

Idenburg & Van Schaik, 2014, Diagnose Zorginnovatie: over technologie en ondernemerschap, uitgeverij Scriptum, zie ook www.diagnosezorginnovatie.nl.

Movisie, 2011, Seniorengenossenschaften, Praktijkdossier vrijwillige inzet.

Nederlandse Diabetes Federatie (P.J. Idenburg, M. van Schaik, I. de Weerdt), 2012, Diagnose Diabetes 2025.

Rabobank (M. Badir), 2014, Grootschalige hervormingen zorgstelsel in 2015, Rabobank Themabericht.

Rabobank (T. Smid), 2015, Een toereikend pensioen is niet vanzelfsprekend, Rabobank Special.

Rabobank (H. Stegeman), 2015b, Social enterprises: hip, hype of houdbaar?, Rabobank Special.

Rabobank (L. Treur), 2016, Woonkeuzes van jongeren en ouderen, Rabobank Themabericht.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (M.J.J.C. Poos en S. Meijer), 2014, Dementie – Omvang van het probleem - Hoe vaak komt dementie voor en hoeveel mensen sterven eraan?, Nationaal Kompas Volksgezondheid.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2014b, Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014.

Sociaal en Cultureel Planbureau (A. de Boer, M. Broese van Groenou, J. Timmermans), 2009, Mantelzorg - Een overzicht van de steun van en aan mantelzorgers.

Sociaal en Cultureel Planbureau (K. Sadiraj, J. Timmermans, M. Ras, A. de Boer), 2009b, De toekomst van mantelzorg.

Sociaal en Cultureel Planbureau (E. Josten, A. de Boer), 2015, Concurrentie tussen mantelzorg en betaald werk.

Sociaal en Cultureel Planbureau (M. Klerk, A. de Boer, I. Plaisier, P. Schyns, S. Kooiker), 2015b, Informele hulp: wie doet er wat? Omvang, aard en kenmerken van mantelzorg en vrijwilligerswerk in de zorg en ondersteuning in 2014.

Vrije Universiteit Amsterdam (M. Broese van Groenou), 2012, Informele zorg 3.0 - Schuivende panelen en een krakend fundament, inaugurele rede uitgesproken op 28 juni 2012.

Vrije Universiteit Amsterdam (I. Zwart‐Olde, M. Jacobs, M. Broese van Groenou), 2013, Rapportage zorgnetwerken kwetsbare ouderen.

Naar de overzichtspagina Vooruitzichten wonen, werk en zorg

Delen:
Auteur(s)

naar boven