RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Nederlandse woningmarkt bouwt voort op gunstige marktomstandigheden

Kwartaalbericht Woningmarkt

Delen:
Deze publicatie is verouderd, Bekijk de recentste uitgave.
  • Economische groei zet door in 2016
  • De koopkracht neemt verder toe en er komen meer banen
  • Ook verwachten wij dat de hypotheekrente laag blijft       
  • Hierdoor neemt de woningprijs en het aantal woningverkopen in 2016 verder toe
  • De woningprijs stijgt met circa 2¾ tot 4¾% ten opzichte van 2015
  • Het aantal transacties stijgt naar 180 tot 200 duizend, van 178 duizend in 2015

Samenvatting

Economische dynamiek positief voor de woningmarkt

In 2015 zal de het BBP-volume naar verwachting met 2% zijn gegroeid ten opzichte van 2014. Wij voorzien voor 2016 een verdere groei, van 2½%. De stijgende koopkracht en de groei van de werkgelegenheid zijn positief voor de binnenlandse bestedingen en de woningmarkt.

Verdere toename transacties en woningprijs

Over het vierde kwartaal van 2015 telde het Kadaster bijna 52.500 transacties; sinds 2007 zijn er niet zoveel woningen in één kwartaal van eigenaar gewisseld. De woningprijs steeg 2,8% ten opzichte van het vierde kwartaal van 2014. Ook dat is de grootste toename sinds de crisis. Hoewel er regionale verschillen zijn, zien wij het aantal verkopen in bijna alle delen van ons land aantrekken waardoor er minder ruime markten ontstaan. Hierdoor kunnen de huizenprijzen verder toenemen.

In 2016 verwachten wij een verdere stijging van de prijzen en verkopen. Doordat per 1 januari 2016 geen forse beleidsmaatregelen zijn doorgevoerd, zijn er naar verwachting geen woningverkopen naar voren gehaald naar het vierde kwartaal, zoals in de afgelopen jaren wel het geval is geweest. Daardoor zal de terugval van het aantal woningverkopen ook minder groot zijn dan in voorgaande jaren. Het zeer grote aantal koopovereenkomsten (bij NVM-makelaars) in het vierde kwartaal onderbouwt deze verwachting. Tegelijkertijd verwachten wij niet dat de stevige toename in het aantal transacties van de afgelopen jaren (2014: + 39% en 2015: +16%) in 2016 doorzet. Onze prognose is die van een afvlakkende groei met tussen de 1 en 12% naar in totaal 180 tot 200 duizend verkopen. Voor de woningprijsindex verwachten we juist een snellere groei. De gemiddelde woningprijsindex stijgt naar verwachting met 2¾ tot 4¾% in 2016, na 0,9% stijging in 2014 en 2,8% in 2015.

Nationale hypotheekschuld stabiliseert, betaalcapaciteit stijgt licht

Door de aantrekkende woningverkopen nam de totale uitstaande Nederlandse hypotheeksom in het vierde kwartaal van 2015 naar verwachting verder toe. De schuld neemt af door aflossingen en toe door de nieuwe hypotheekproductie. Per saldo verwachten wij dat de omvang van de totale hypotheekschuld in 2016 gematigd verder oploopt.

De leencapaciteit van huishoudens zal naar verwachting in 2016 licht stijgen. De leencapaciteit wordt bepaald door de financieringslastpercentages, de hoogte van het huishoudinkomen en het hypotheekrentetarief. Doordat de minister van Financiën het advies van het Nibud heeft overgenomen om het tweede inkomen iets zwaarder mee te tellen, zijn de financieringslastpercentages voor tweeverdieners iets versoepeld. Verder gaan wij uit van een inkomenstoename en verwachten we dat de gemiddelde hypotheekrente in 2016 op een laag niveau zal blijven. Daardoor voorzien wij een toename van de leencapaciteit met gemiddeld bijna 1%. 


Infographic

 

Hoofdstuk 1: Economische achtergrond

De groei van de Nederlandse economie was in het tweede en derde kwartaal van 2015 zwak. Ook in het vierde kwartaal van vorig jaar zal de toename van het BBP-volume waarschijnlijk beperkt zijn geweest. Door het hoge startniveau van de economische activiteit en een sterke groei in het eerste kwartaal verwachten we over geheel 2015 toch een groei van 2% ten opzichte van 2014. In 2016 voorzien wij een versnelling van de groei naar gemiddeld 2½% (tabel 1).

Tabel 1: Kerngegevens Nederland
Tabel 1: Kerngegevens NederlandBron: CBS, Rabobank

De stijgende koopkracht -mede door de vijf miljard euro lastenverlichting-, de groei van de werkgelegenheid, de stijgende huizenprijzen en het toegenomen consumentenvertrouwen zijn positief voor de binnenlandse bestedingen. Door verdere economische groei in belangrijke handelspartners verwachten wij een iets hogere exportgroei in 2016. Internationale onzekerheden vormen hierop echter een belangrijk neerwaarts risico.


Koopkracht geholpen door lage inflatie en lastenverlichting

De Nederlandse inflatie is volgens de Europees vergelijkbare HICP in 2015 uitgekomen op gemiddeld 0,2%. Dit is de laagste notering sinds de start van de indicator in 1997. Wij verwachten dat de Nederlandse inflatie mede door de aantrekkende economie in 2016 geleidelijk zal toenemen en uitkomt op gemiddeld 1%. Door de olieprijsdaling van begin dit jaar kan dit mogelijk nog lager uitvallen.

De lage inflatie is positief voor het besteedbare inkomen van huishoudens. Sinds 2014 stijgen de cao-lonen weer harder dan het gemiddelde prijspeil, wat vooral in 2015 heeft bijgedragen aan een positieve reële loonontwikkeling (figuur 1). In 2016 zijn de belastingverlaging van vijf miljard euro en de verdere toename van de werkgelegenheid positief voor de ontwikkeling van het besteedbare huishoudinkomen. De relatief sterke stijging hiervan is gunstig voor de groei van de consumptieve bestedingen van huishoudens, maar ook voor de ontwikkeling van de woningprijs dit jaar (zie hoofdstuk 2).

Figuur 1: Positieve reële loonontwikkeling
Figuur 1: Positieve reële loonontwikkelingBron: CBS
Figuur 2: Groei uitzenduren duidt op stijging werkgelegenheid
Figuur 2: Groei uitzenduren duidt op stijging werkgelegenheidBron: CBS

Stijging werkgelegenheid in 2016 verwacht

In 2015 is de gemiddelde werkloosheid uitgekomen op 6,9%, een gematigde daling ten opzichte van de 7,4% in 2014. In 2016 verwachten wij een verder herstel op de arbeidsmarkt. Naast de aantrekkende economische groei wijst een aantal indicatoren op een verdere toename van de werkgelegenheid. De ontwikkeling van het aantal uitzenduren is een voorspeller voor de toename van het aantal werkzame personen op de private arbeidsmarkt (figuur 2). Het aantal uitzenduren neemt al zeven kwartalen op een rij toe en noteert het hoogste niveau sinds eind 2008, wat duidt op verdere groei van de werkgelegenheid. Daarnaast stijgt het aantal vacatures al negen kwartalen achter elkaar. Verder zal de daling van de werkgelegenheid in de zorg in 2016 waarschijnlijk minder sterk zijn dan in 2015, omdat de zwaarste klappen als gevolg van bezuinigingen en hervormingen in die sector vermoedelijk al zijn gevallen. Hiertegenover staat dat het arbeidsaanbod in 2016 waarschijnlijk ook zal toenemen door een hogere arbeidsparticipatie. Dit remt de afname van de werkloosheid. Per saldo verwachten we dat de werkgelegenheidsgroei groot genoeg zal zijn om de werkloosheid te laten dalen naar gemiddeld 6¼% in 2016.

Uitvoer gebaat bij groei handelspartners, internationale omgeving onzeker

De binnenlandse signalen staan dit jaar dus op groen. Voor wat betreft de groei van de uitvoer van goederen en diensten zal Nederland in 2016 profiteren van een verdere waardedaling van de euro ten opzichte van de dollar. Daarnaast voorzien we in 2016 een iets hogere economische groei in de eurozone, nog steeds het belangrijkste handelsgebied voor Nederland. Tegelijkertijd zijn er belangrijke internationale onzekerheden. Een sterkere Chinese groeivertraging dan verwacht, een mogelijke verzwakking van de wereldhandel of een te snelle renteverhoging in de Verenigde Staten vormen een neerwaarts risico voor onze verwachtingen voor de Nederlandse uitvoergroei. Toch zal de positieve binnenlandse dynamiek -die vooral van belang is voor de woningmarkt– bij een tegenvallende exportgroei naar verwachting niet opeens tot stilstand komen.

Auteur
Pieter van Dalen

Hoofdstuk 2: De markt van bestaande koopwoningen

In 2015 zijn 178.293 woningen van eigenaar gewisseld, een stijging van 16% ten opzichte van 2014. Het afgelopen jaar kende daarmee het hoogste aantal eigendomsoverdrachten sinds 2008. De prijzen zijn in 2015 (+2,8%) veel harder gestegen dan in 2014 (+0,9%). In 2016 verwachten wij een lagere groei van het aantal transacties (naar 180–200 duizend) en een verdere woningprijsstijging (2¾ tot 4¾%).

2.1 Factoren die de huidige woningmarktontwikkeling bepalen

De toename van de activiteit op de koopwoningmarkt zette in het vierde kwartaal van 2015 verder door. Belangrijke oorzaken voor deze ontwikkeling waren de gedaalde rente (hoofdstuk 3), het vooruitzicht dat de koopkracht in 2016 toeneemt en de solide economische groei (zie hoofdstuk 1). Dit biedt een klimaat waarin het consumentenvertrouwen groeit, de nieuwbouw aantrekt en de betaalbaarheid iets vermindert maar wel goed blijft.

Vertrouwen in de koopwoningmarkt

Figuur 3: Vertrouwen duidt op meer transacties
Figuur 3: Vertrouwen duidt op meer transactiesBron: VEH, CBS, bewerking Rabobank

Het vertrouwen van consumenten op de koopwoningmarkt steeg in de afgelopen maanden naar nieuwe recordhoogten. De Eigen Huis Marktindicator van de Vereniging Eigen Huis meet dit vertrouwen en noteerde in december 2015 een waarde van 112. Na een aantal maanden van lichte daling is het vertrouwen het laatste half jaar weer verder gestegen. Een hoog vertrouwen leidt in de regel tot een toename van het aantal transacties van bestaande woningen (figuur 3). 

Nieuwbouw

Dat het consumentenvertrouwen zich op een hoog niveau ontwikkelt, zien we ook terug in de sterke groei van het aantal verleende bouwvergunningen in de tweede helft van vorig jaar. Consumenten durven weer het risico te nemen om een nieuwbouwwoning te kopen die pas over minimaal één jaar wordt opgeleverd terwijl hun huidige koopwoning nog niet is verkocht. Baanzekerheid en het vertrouwen in economische groei is daarmee belangrijk voor het herstel van de nieuwbouwsector. Hierdoor reageert de nieuwbouwmarkt vertraagd en met een grote gevoeligheid op de economie. Wij verwachten dat de bouwsector in 2015 een van de sterkst groeiende sectoren van de Nederlandse economie is geweest.

Figuur 4: Stijging aantal vergunningen (tot en met november 2015)
Figuur 4: Stijging aantal vergunningen (tot en me november 2015)Bron: CBS, bewerking Rabobank

Ondanks de stijging blijft het aantal bouwvergunningen (huur en koop) in 2015 waarschijnlijk steken op slechts 55 duizend. Voor de koopsector komt het aantal bouwvergunningen naar verwachting net onder de 40 duizend uit (figuur 4). Dat is historisch gezien laag en maatschappelijk gezien te laag. Om aan de toenemende en veranderende woningvraag te kunnen voldoen, zouden jaarlijks 80 tot 90 duizend huur- en koopwoningen moeten worden gebouwd (ABF Research, Primos prognoses 2015). 

Betaalbaarheid

Figuur 5: Betaalbaarheid blijft goed
Figuur 5: Betaalbaarheid blijft goedBron: Calcasa

De betaalbaarheid van koopwoningen blijft in 2016 goed, maar is in het vierde kwartaal van 2015 iets verslechterd (Calcasa, 2015). Op het moment van aankoop geven huishoudens gemiddeld 16,5% van hun inkomen uit aan woonlasten (in het tweede kwartaal 16,1%). Daarmee is de betaalbaarheid van woningen goed te noemen; de woonlasten liggen nog steeds fors lager dan in voorgaande jaren. De betaalbaarheidsindex varieerde de afgelopen vijftig jaar tussen de 14% (1986) en de 32% (2008; figuur 5). Wij verwachten een zeer beperkte verslechtering van de betaalbaarheidsindex van Calcasa. Dat komt vooral door de laag blijvende hypotheekrentetarieven (hoofdstuk 3) en een stijgend huishoudinkomen (hoofdstuk 1).  

2.2 Meer transacties en een hogere woningprijs in het vierde kwartaal

Transacties en aanbod

Door de gunstige omstandigheden op de markt van bestaande koopwoningen gedurende het vierde kwartaal van 2015 wisselden 52.435 woningen van eigenaar. Dat is het hoogste aantal kwartaalverkopen sinds 2007. Er werden 1.826 woningen meer verkocht dan in het derde kwartaal en 1.121 meer dan in het vierde kwartaal van 2014. Het aantal transacties in het vierde kwartaal is vrijwel altijd meer dan in de andere kwartalen. Dit terugkerende patroon maakt het minder gemakkelijk om de onderliggende marktontwikkelingen te herkennen. Daarom corrigeren wij voor seizoenspatronen, waardoor we kwartaalcijfers zonder deze seizoenseffecten kunnen vergelijken.

Figuur 6: Aantal transacties per kwartaal, vierde kwartaal bijna altijd hoog
Figuur 6: Aantal transacties per kwartaal, vierde kwartaal bijna altijd hoogBron: CBS, bewerking Rabobank

In het vierde kwartaal van 2015 is het gecorrigeerde aantal met bijna drieduizend afgenomen (de blauwe lijn in figuur 6).[1] Helaas is de statistische methode die wij gebruiken om voor seizoenseffecten te corrigeren op dit moment minder goed bruikbaar.
Daardoor is het duiden van de recente marktontwikkelingen minder gemakkelijk dan een aantal jaren geleden het geval was. De oorzaak daarvan ligt in de vele beleidswijzigingen van de afgelopen jaren. De daling van de gecorrigeerde verkopen komt doordat de mate waarin het werkelijke aantal transacties in dit kwartaal is toegenomen minder groot is dan in de afgelopen jaren normaal was voor een vierde kwartaal (zie box). In tegenstelling tot de afgelopen jaren zal het aantal transacties in het eerste kwartaal van 2016 gecorrigeerd voor seizoenseffecten daardoor juist relatief hoog zijn. Het (wederom) nieuwe recordaantal geregistreerde koopovereenkomsten (NVM) in het vierde kwartaal van 2015 onderstreept deze verwachting.[2] 

Box 1: Seizoenscorrectie vierde kwartaal 2015

Het aantal verkochte woningen kent een specifiek patroon. In het vierde kwartaal worden ieder jaar relatief veel woningen verkocht. Dat heeft te maken met fiscale regels. Vanwege de vermogensrendementsheffing is het aantrekkelijk om de aankoop van een woning met (deels) eigen geld voor de jaarwisseling te doen. Daarnaast betekent een aankoop voor het jaareinde dat de gemaakte kosten voor de financiering van de woning nog in dat jaar fiscaal kunnen worden afgetrokken. Dit seizoenspatroon bestaat al jaren. Het gevolg van het hoge aantal verkopen in het vierde kwartaal is dat we ook ieder jaar een relatief laag aantal verkopen in het eerste kwartaal observeren.

Specifiek voor de recente jaren leidden veranderingen in de fiscale- en hypotheekregels per 1 januari van het jaar erop echter tot een extra hoge piek van woningtransacties in het vierde kwartaal van 2012, 2013 en 2014. Denk aan de beperking van het gebruik van spaar- en aflossingsvrije hypotheken, de stevige verlagingen van de financieringslastpercentages en de afschaffing van de verruimde schenkingsvrijstelling. Door de overdracht nog net in december te regelen, kon men nog onder de oude voorwaarden een lening aangaan. Hierdoor is het aandeel van het vierde kwartaal in het jaartotaal van de verkopen van bestaande koopwoningen opgelopen van ongeveer 27% in 2012 naar 33% in 2014. Wij noemden dit gedrag de eindejaarsrally. Deze verhoogde activiteit aan het einde van het jaar is in de afgelopen jaren zo vaak voorgekomen, dat onze statistische methode om voor seizoenseffecten te corrigeren dit als een normaal seizoenspatroon is gaan zien.

Per 1 januari 2016 zijn echter geen grote beleidswijzigingen doorgevoerd. Alleen de maximale hypotheeksom is per 1 januari 2016 afgenomen van 103% naar 102% van de taxatiewaarde. Daarentegen is de leencapaciteit van huishoudens juist iets gestegen (hoofdstuk 3). Dit laatste geeft juist redenen om de verkoop uit te stellen en niet, zoals vroeger, naar voren te halen. Hierdoor was er geen sprake van een eindejaarsrally in het vierde kwartaal van 2015.

De daling van het aantal seizoensgecorrigeerde transacties in het vierde kwartaal van 2015 valt daarom voor een belangrijk deel te verklaren door het uitblijven van grote beleidswijzigingen. De daling van drieduizend seizoensgecorrigeerde transacties ten opzichte van het derde kwartaal beoordelen wij daardoor ook niet als omslagpunt van groei naar krimp.

Figuur 7: Transacties in het vierde kwartaal 2015 lager door achterwege blijven van eindejaarsrally
Figuur 7: Transacties in het vierde kwartaal 2015 lager door achterwege blijven van eindejaarsrallyBron: CBS, bewerking Rabobank

In 2015 als geheel zijn 178 duizend woningen van eigenaar gewisseld. Figuur 7 geeft de ontwikkeling naar kwartaal per jaar. Dat is een toename van 16% ten opzichte van 2014, nadat het aantal woningverkopen in 2014 met 39% was toegenomen ten opzichte van het jaar ervoor.

Markt blijft behoorlijk ruim

Ondanks de groei in het aantal transacties is de markt voor bestaande koopwoningen nog steeds ruim. De krapte-indicator van de NVM (die het totale beschikbare koopwoningaanbod deelt door het aantal transacties) stabiliseerde in het vierde kwartaal op een seizoensgecorrigeerde waarde van 11, een niveau net onder dat van het vierde kwartaal van 2008 (13). De NVM spreekt van een krappe markt als de indicator een waarde heeft van minder dan 4 (Van der Heijden et al., 2015). Er is sprake van een normale markt wanneer de indicator ligt tussen de 4 en de 6 en tussen de 6 en 10 hanteert de NVM de term ontspannen markt. Een markt is ruim wanneer de indicator tot boven de 10 stijgt. Dit betekent dat er, landelijk, nog steeds sprake is van een ruime kopersmarkt.

Figuur 8: Krapte-indicator daalt
Figuur 8: Krapte-indicator daaltBron: NVM, bewerking Rabobank

Wel kent deze maatstaf voor krapte verschillen per segment. Zo blijft de markt ruim voor vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen, maar is de indicator onder de 10 gedaald voor de andere woningtypen (figuur 8). Regionale verschillen bespreken we in paragraaf 2.4. 

Woningprijs toegenomen

In het vierde kwartaal steeg de seizoensgecorrigeerde woningprijs ten opzichte van het derde kwartaal met 1,1% (figuur 9). Als we jaargemiddelden vergelijken, dan zien we dat de woningprijsindex tussen 2014 en 2015 met 2,8% steeg, na 0,9% groei in het jaar ervoor. De seizoensgecorrigeerde prijsindex van december 2015 staat 6,4% hoger dan tijdens het dal van juni 2013, maar nog steeds 15,9% lager dan het toppunt van juni 2008 (figuur 10).

Figuur 9: Woningprijsmutatie 3m/3m en mutatie op jaarbasis
Figuur 9: Woningprijsmutatie 3m/3m en mutatie op jaarbasisBron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 10: Nominale huizenprijzen
Figuur 10: Nominale huizenprijzenBron: CBS, Macrobond, bewerking Rabobank

2.3 Verwachtingen 2016

Wij verwachten dat het aantal verkopen van bestaande woningen in 2016 uitkomt tussen 180 en 200 duizend (figuur 11). Dat is een stijging van tussen de 1 en 12% ten opzichte van het jaar ervoor. Na een stijging van 39% in 2014 en 16% in 2015 neemt het groeitempo dit jaar dus opnieuw af. De woningprijsindex (PBK) laat in 2016 in onze ogen een stijging zien van tussen de 2¾ en 4¾% ten opzichte van 2015 (figuur 12). Daarmee neemt het tempo van de prijsstijging dus juist iets toe ten opzichte van de voorgaande jaren.

Deze inschattingen zijn gebaseerd op de solide economische groei, het toenemende huishoudinkomen en de verwachting dat de hypotheekrente laag blijft. Wel neemt de betaalbaarheid door de stijging van de woningprijs af, maar ook in 2016 zullen kopers gemiddeld minder aan woonlasten uitgeven dan het langjarig gemiddelde. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat het consumentenvertrouwen in de woningmarkt hoog blijft. Onzekerheden zijn er ook. Vooral negatieve ontwikkelingen in het buitenland zouden de Nederlandse economische groei mogelijk negatief kunnen beïnvloeden (hoofdstuk 1) en daarmee voor een minder positieve of zelfs negatieve ontwikkeling van het aantal woningverkopen en de woningprijs kunnen zorgen.

Figuur 11: Raming transacties 2016
Figuur 11: Raming transacties 2016Bron: Rabobank, Kadaster
Figuur 12: Raming huizenprijsontwikkeling 2016
Figuur 12: Raming huizenprijsontwikkeling 2016Bron: Rabobank, CBS

2.4 Verdere groei op regionale woningmarkten

Transacties en krapte

Kaart 1: Groei regionaal aantal transacties
Kaart 1: Groei regionaal aantal transactiesBron: Kadaster, bewerking Rabobank

Het landelijke herstel op de woningmarkt is ook ingezet in de veertig regio’s (Aalders en van Dalen, 2015). Tussen het derde kwartaal van 2014 en het derde kwartaal van 2015 nam het vierkwartaalstotaal van het aantal verkopen van bestaande koopwoningen in elke regio toe, variërend van 5% in Zeeuws-Vlaanderen tot 37% in Zuidwest-Overijssel (kaart 1). Zelfs in de perifere regio’s Oost-Groningen, de Achterhoek en Noord-Limburg was de stijging hoger dan 30%.

Meer transacties leiden bij een gelijkblijvend of minder hard stijgend aanbod tot een minder ruime markt. De krapte-indicator is in bijna alle regio’s terug op het niveau van eind 2008 (figuur 13). Amsterdam heeft te maken met een krappe markt en de andere drie grote steden met een gespannen markt (figuur 14).

Figuur 13: Krapte in bijna alle regio’s terug op het niveau van 2008K4
Figuur 13: Krapte in bijna alle regio’s terug op het niveau van 2008K4Bron: Kadaster en Huizenzoeker.nl, bewerking Rabobank
Figuur 14: Markt in de grote steden minder ruim dan landelijk gemiddelde
Figuur 14: Markt in de grote steden minder ruim dan landelijk gemiddeldeBron: NVM, bewerking Rabobank

Woningprijs

Figuur 15: Aantal gemeenten met een stijging/daling van de gemiddelde verkoopprijs
Figuur 15: Aantal gemeenten met een stijging/daling van de gemiddelde verkoopprijsBron: Kadaster, bewerking Rabobank

Regionaal zien we vooral verschil in de mate waarin de verkoopprijs[3] stijgt. Weliswaar neemt de prijs in een groot aantal gemeenten toe (figuur 15), maar er zijn groeiverschillen. Zo nam de woningprijs in Amsterdam over de afgelopen vier kwartalen met 11% toe, ver boven het landelijke gemiddelde (3,6%). Als we kijken naar woningmarktsegmenten, dan constateren wij dat vooral in de zeer sterk stedelijke gebieden de woningprijs sterk stijgt (gemiddeld 7,7% over de afgelopen vier kwartalen). Verder valt op dat het prijsherstel in de zeer sterk stedelijke gemeenten eerder startte. Het dieptepunt lag in het tweede kwartaal van 2013. De sterk en matig stedelijke gemeenten bereikten hun dieptepunt een kwartaal later. In de weinig en niet-stedelijke gemeenten lag het dieptepunt pas in het eerste kwartaal van 2014. Dit lijken kleine verschillen, maar zij tonen aan dat het herstel eerder optrad in de meer stedelijke gemeenten en zich van daaruit verspreidde. 

2.5 Een blik vooruit naar 2020, demografie wordt belangrijk

Demografie wordt in de komende jaren een belangrijke factor voor de woningmarkt

Figuur 16: Groei aantal huishoudens: meer 35-minners en 55-plussers
Figuur 16: Groei aantal huishoudens: meer 35-minners en 55-plussersBron: CBS, bewerking Rabobank

Jongeren zijn actiever op de koopwoningmarkt dan ouderen. Hierdoor is het aantal transacties ook afhankelijk van de demografische ontwikkelingen. De komende vier jaar komen er naar verwachting ongeveer 80 duizend 25-35-jarige en 400 duizend 55-plus huishoudens bij. Het aantal huishoudens onder de 25 jaar neemt af, net zoals de groep 45- tot 55-jarigen (figuur 16). 

De groep met de hoogste verhuisgeneigdheid wordt groter

Figuur 17: Percentage kopers binnen de leeftijdsgroepen
Figuur 17: Percentage kopers binnen de leeftijdsgroepenBron: CBS, Rabobank

Starters en jongvolwassenen zorgen voor dynamiek op de woningmarkt; in de leeftijdscategorieën tot 35 jaar is het aandeel kopers veel groter dan in de andere leeftijdscategorieën (figuur 17). Het aandeel 55-plussers dat een huis koopt, is het laagst. Uit de figuur blijkt verder dat de koopbereidheid in de crisisperiode (2008–2013) onder alle leeftijden is afgenomen en sinds 2014 weer toeneemt.

Om een inschatting te maken voor de komende jaren hebben wij de meest recente ontwikkeling doorgetrokken (figuur 17, onderbroken lijnen) waarbij wij rekening houden met het niveau van voor de crisis en met de huidige woningmarktsituatie. Wij verwachten bijvoorbeeld dat de jongste leeftijdscategorie tot 25 jaar minder koopbereid zal zijn dan vroeger (dus meer huren of bij ouders blijven wonen). Dit is een gevolg van veranderende regelgeving. De 25–35-jarigen hebben in de afgelopen jaren de koppositie van de allerjongsten overgenomen en zijn nu het meest actief op de koopwoningmarkt. Dit komt overeen met ons beeld dat koopstarters steeds ouder worden (De Vries en Van Dalen, 2015). Een andere reden waarom de groep 25–35-jarigen na de crisis zo veel actiever is op de koopwoningmarkt is waarschijnlijk dat zij hun (eerste) koop in de crisisperiode hebben uitgesteld. Het lijkt erop dat er sprake is geweest van een inhaalvraag. Ook bij ouderen neemt de koopbereidheid toe. De oorzaak daarvan ligt naar ons idee vooral in het feit dat steeds meer 55-plussers in een koopwoning wonen waardoor het percentage gekochte woningen in deze leeftijdscategorie automatisch toeneemt.

Effect op aantal transacties

Als we de demografische ontwikkeling combineren met de mate waarin groepen actief zijn op de koopwoningenmarkt, dan concluderen we dat het aantal verkochte woningen door demografische ontwikkelingen tot en met 2020 waarschijnlijk met circa 18% toeneemt (figuur 18). We zien wel verschillen per cohort. Het aantal kopers tot 25 jaar daalt (-14%), net zoals het aantal 35–45-jarigen (-6%) en het aantal 45-55-jarigen (-4%). Stijgers zijn de 25-35-jarigen (25%) en de 55-plussers (83%). De spectaculaire stijging van het aantal 55-plussers komt vooral doordat er jaarlijks zoveel huishoudens in die leeftijdsgroep bijkomen.

Figuur 18: Aantal verkochte woningen naar leeftijd koper (marktaandelen)
Figuur 18: Aantal verkochte woningen naar leeftijd koper (marktaandelen)Bron: CBS, Rabobank

Deze uitkomsten zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de verhuisgeneigdheid van de leeftijdsgroepen. Stel dat we de trends in figuur 17 niet doortrekken maar constant houden, dan neemt het aantal transacties geen 18% maar slechts 2% toe. Ook zal dan de stevige groei van het aantal 55-plussers niet terug te zien zijn.

Wij concluderen dat het profiel van de potentiële huizenkoper er over een aantal jaren naar verwachting anders uitziet dan nu. De koopwoningmarkt zal nog meer een markt worden met forse marktaandelen voor 25–35-jarigen, terwijl 55-plussers mogelijk bewegen van minst belangrijke tot tweede groep (figuur 18).

Auteurs
Paul de Vries en Rogier Aalders

Hoofdstuk 3: Hypotheekontwikkelingen

De totale uitstaande hypotheeksom is in het vierde kwartaal van 2015 naar verwachting verder opgelopen, in lijn met een toename van het aantal nieuwe verstrekkingen. In 2015 als geheel is de omvang van de hypotheekschuld na de daling van 2014 en 2013 weer iets gestegen. Voor de meeste huishoudens zal de leencapaciteit in 2016 toenemen. Daarbij is het onze verwachting dat de gemiddelde hypotheektarieven in 2016 op een laag niveau zullen blijven.

3.1 Omvang hypotheekschuld toegenomen

Het totale uitstaande hypotheekbedrag nam in het derde kwartaal van 2015 met ruim € 2,5 miljard toe en kwam hierdoor uit op € 637,6 miljard (figuur 19).[4] Het volume van de verstrekkingen was dus groter dan de aflossingen. Cijfers over de totale hypotheekschuld in het vierde kwartaal van 2015 (inclusief hypotheken verstrekt door verzekeraars en pensioenfondsen) zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar. Maar op basis van beschikbare maandcijfers van door banken verstrekte hypotheken verwachten wij dat de totale hypotheekomvang in het vierde kwartaal nagenoeg onveranderd is gebleven.

Zelfs wanneer de hypotheekschuld in het vierde kwartaal niet is toegenomen, dan is de totale uitstaande hypotheeksom voor 2015 als geheel gestegen. In het laatste kwartaal van 2014 bedroeg de totale hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens nog € 633,7 miljard; aan het eind van het derde kwartaal van 2015 was dit € 637,6 miljard (figuur 19). 

Figuur 19: Omvang uitstaande hypotheekschuld
Figuur 19: Omvang uitstaande hypotheekschuldBron: DNB
Figuur 20: Nieuwe verstrekkingen
Figuur 20: Nieuwe verstrekkingenBron: Kadaster, bewerking Rabobank

Toename nieuwe hypotheken

In het vierde kwartaal van 2015 is voor een bedrag van € 12,6 miljard (€ 11,1 miljard seizoensgecorrigeerd) aan nieuwe woninghypotheken verstrekt (figuur 20). Dit was een stijging van respectievelijk 6,1% ten opzichte van hetzelfde kwartaal het jaar ervoor en een daling van 9,8% ten opzichte van het derde kwartaal van 2015 (seizoensgecorrigeerd). In het vierde kwartaal is het aantal over- of bijsluiters nagenoeg gelijk gebleven (figuur 20). Maar in vergelijking met voorgaande kwartalen is het niveau van het aantal over- of bijsluiters relatief hoog. De historisch lage hypotheekrente is voor steeds meer mensen een reden om de hypotheek over te sluiten naar een andere verstrekker of om meer te lenen[5].

Voor 2016 verwachten wij dat het aantal nieuwe verstrekkingen verder zal toenemen, in lijn met de beperkte stijging van het aantal woningtransacties en de woningprijs (zie hoofdstuk 2).

Hogere aflossingen

Tegenover de toename van nieuwe verstrekkingen stonden in 2015 ook relatief hoge extra aflossingen. Dit heeft een dempend effect op de stijging van de totale hypotheekschuld. Hoewel de totale uitstaande hypotheekschuld in 2015 naar verwachting is toegenomen, is er net als in de afgelopen jaren wel extra afgelost op hypotheken. De afgelopen jaren is het bedrag van de extra aflossingen dan ook toegenomen.

De extra aflossingen zijn vooral ingegeven door de aanhoudend lage spaarrente. Ook onderwaarde kan een reden zijn geweest om extra af te lossen. Maar deze onderwaarde speelt een beperktere rol dan in de jaren ervoor, aangezien de restschuldproblematiek in het afgelopen jaar verder is afgenomen (Van Dalen en De Vries, 2015). Verder is gebleken dat maar een beperkt deel van de extra aflossingen wordt gedaan door mensen die onder water staan (DNB, 2015). Zolang de spaarrente laag is, zullen veel huishoudens er nog voor kiezen om hun hypotheek af te lossen of vermogen op te bouwen in een (bank-)spaarhypotheek in plaats van hun reguliere spaartegoeden te laten stijgen. Aan de andere kant wordt aflossen via schenkingen vanaf 2017 weer voor een groter bedrag fiscaal aantrekkelijk gemaakt. Dit kan ervoor zorgen dat mensen extra aflossingen uitstellen.

Per saldo verwachten wij dat de omvang van de totale hypotheekschuld in 2016 gematigd zal oplopen. Tegenover de verwachte stijging van nieuwe verstrekkingen als gevolg van hogere woningverkopen en woningprijzen staan net als in de afgelopen jaren aanhoudend extra aflossingen op hypotheken.

3.2 Leencapaciteit neemt naar verwachting toe in 2016

De financieringslastpercentages zoals het Nibud die voorstelt, bepalen samen met het inkomen en de hypotheekrente de zogenoemde leencapaciteit en daarmee de maximale hypotheeklening voor huishoudens. Sinds de crisis zijn de maximale financieringslastpercentages flink verlaagd. Hierdoor daalde de leencapaciteit. Maar de dalende hypotheekrentes en stijgende inkomens compenseerden deze aanscherping aanzienlijk (Van Dalen en De Vries, 2016). De leencapaciteit is in de periode 2008-2015 bijvoorbeeld met ongeveer 8% gedaald. Zonder de daling van de hypotheekrente en zonder de inkomensstijging zou dit respectievelijk circa 13% en 17% zijn geweest.

De verwachte ontwikkeling van de gemiddelde leencapaciteit is daarmee sterk afhankelijk van aannames over de verwachte ontwikkeling van de hypotheekrente en het inkomen. Op basis van de verwachte ontwikkeling van deze drie factoren kunnen we bepalen wat de verwachte leencapaciteit voor 2016 is. Wij verwachten dat de gemiddelde leencapaciteit dit jaar met bijna 1% toeneemt.

Voor wat betreft de financieringslastpercentages (het percentage van het inkomen dat huishoudens maximaal aan hypotheeklasten mogen uitgeven; de ‘Nibud-norm’) geldt als belangrijkste wijziging dat in de normen van 2016 het tweede inkomen niet voor 33%, maar voor 50% meetelt. Verder gaan wij voor dit jaar uit van een geraamde stijging van het huishoudinkomen van 1,6% (CPB, 2015) en verwachten wij gemiddeld genomen een daling van de kapitaalmarktrente, van 0,1%-punt.

3.3 Lage niveaus hypotheekrentes

Nadat de hypotheekrentes in het derde kwartaal van 2015 enigszins stabiliseerden, zijn ze in het laatste kwartaal van 2015 weer verder gedaald (figuur 21). In december 2015 bedroeg het gemiddelde tarief voor nieuwe verstrekkingen 2,62% bij een rentevaste periode van één tot en met vijf jaar, 2,77% voor een rentevaste periode van zes tot en met tien jaar, en 3,21% bij een rentevaste periode langer dan tien jaar (DNB). In januari 2015 was dit nog respectievelijk 2,95%, 3,28% en 3,86%. Hiermee hebben de gemiddelde hypotheektarieven nieuwe laagterecords bereikt voor alle rentevaste perioden.

Bij de hypotheekrenteontwikkeling was in augustus tot en met oktober 2015 een tweedeling zichtbaar (figuur 21). De tarieven voor rentevaste perioden tot en met tien jaar daalden wel, maar de tarieven voor langere looptijden liepen juist iets op. Dit zagen we ook terug in de stijging van de zogenoemde ‘spreads’ bij lange looptijden van de kapitaalmarktrente, ten opzichte van de 10-jaars euro swaprente. Deze zijn april tot juli 2015 voor de 20-jaars euro swaprente en de 30-jaars euro swaprente met circa 0,30% gestegen. Dit heeft bijgedragen aan een opwaartse druk op de hypotheekrentetarieven voor looptijden langer dan tien jaar. In december 2015 daalde de hypotheekrente voor een rentevaste periode van langer dan tien jaar weer terug naar het niveau van juli 2015. Wel blijft het verschil met zes tot en met tien jaar vast wat hoger dan eerder het geval was.

De 10-jaars euro swaprente daalde begin februari 2016 naar 0,62% (figuur 22). Op korte termijn verwachten we een lichte stijging naar 0,85% op een termijn van drie maanden, om vervolgens weer terug te zakken naar 0,70% op een termijn van twaalf maanden. Daardoor is de gemiddelde 10-jaars swaprente in 2016 naar verwachting iets lager dan vorig jaar.

Figuur 21: Hypotheekrentes nieuwe hypotheken
Figuur 21: Hypotheekrentes nieuwe hypothekenBron: DNB
Figuur 22: Dalende swaprentes
Figuur 22: Dalende swaprentesBron: Macrobond

Verder blijkt uit recente emissies van gesecuritiseerde hypotheekportefeuilles (residential mortgage-backed securities; RMBS) en door hypotheken gedekte obligaties (covered bonds) door banken en verzekeraars dat de daarbij behorende spreads in de afgelopen maanden licht zijn opgelopen. Deze spreads kunnen worden beschouwd als een indicator voor de risicopremie die banken moeten betalen als zij kapitaalmarktfinanciering aantrekken voor hypotheekverstrekking. Verzekeraars en pensioenfondsen daarentegen zijn minder afhankelijk van externe financiering omdat zij hypotheken verstrekken als belegging van de door deelnemers betaalde pensioen- of verzekeringspremies. Deze partijen spelen een steeds grotere rol op de hypotheekmarkt en oefenen daarmee via toegenomen concurrentie een neerwaartse druk uit op de hypotheektarieven.

Per saldo verwachten wij dat de gemiddelde hypotheekrente in 2016 op een laag niveau zal blijven.

Auteur
Björn Giesbergen

Voetnoten

[1] Onze seizoenscorrecties schonen waargenomen ontwikkelingen voor meerjarige maand- of kwartaaleffecten.

[2] Weliswaar is er sprake van een nieuw record aan koopovereenkomsten afgesloten door NVM-makelaars, maar waarschijnlijk gaat het niet om een record voor de totale koopwoningmarkt omdat het marktaandeel van NVM-makelaars is toegenomen.

[3] Voor de regionale verkoopprijsanalyse is geen Prijsindex Bestaande Koopwoningen (PBK) beschikbaar. Wij gebruiken daarom het vierkwartaalsvoortschrijdende gemiddelde van de gemiddelde verkoopprijs. De nadelen van deze maatstaf hebben we beschreven in onze Special over het herstel op de regionale woningmarkten (Aalders en Van Dalen, 2015).

[4] Deze € 637,6 miljard betreft de bruto hypotheekschuld. Dit is niet gecorrigeerd voor opgebouwd kapitaal in spaarhypotheken (SEW) en kapitaalverzekeringen (KEW). Onderzoekers van DNB schatten dit opgebouwde kapitaal op € 31-37 miljard (DNB, 2015). Doordat het opgebouwde kapitaal in spaarhypotheken in de komende jaren door het cumulatief renderende vermogen voor een relatief grote groep huishoudens steeds sneller toeneemt, zal de netto hypotheekschuld minder snel stijgen dan de bruto hypotheekschuld en zal deze netto schuld zelfs kunnen dalen terwijl de bruto schuld toeneemt.

[5] Overigens registreert het Kadaster geen renteaanpassingen bij dezelfde hypotheekverstrekker gedurende of aan het einde van de rentevaste periode.

Literatuur

CPB (2015). Decemberraming 2015: economische vooruitzichten 2016.

DNB (2015). Dutch mortgages in the DNB loan level data. Occasional Studies, vol. 13-4. De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

Heijden, Van der H., Groetelaers D., Dol, K. & Lamain C. (2015) Concurrentie en keuze op de markt voor nieuwe koopwoningen, 2015.

Van Dalen en De Vries (2015). Nederlandse woningmarkt: langzaam maar zeker meer huizen boven water. Rabobank, Utrecht.

Van Dalen en De Vries (2016). Stijgende inkomens en dalende hypotheekrente compenseren voor een aanzienlijk deel de strengere Nibud-normen. Rabobank, Utrecht.

Bijlage grafieken

Prijzen en transacties
Prijzen en transactiesBron: CBS, bewerking Rabobank
Verschillende huizenprijsdefinities
Verschillende huizenprijsdefinitiesBron: CBS, Calcasa, NVM, Kadaster
Verleende bouwvergunningen
Verleende bouwvergunningenBron: CBS
Kapitaalmarkt: verschillende landen
Kapitaalmarkt: verschillende landenBron: Macrobond
Driemaands Euribor
Driemaands EuriborBron: Macrobond
Hypotheekrente nieuwe contracten naar looptijd
Hypotheekrente nieuwe contracten naar looptijd [b]Bron: DNB, Rabobank
Volume bestaande hypotheken naar instelling
Volume bestaande hypotheken naar instellingBron: DNB
Volume nieuwe hypotheken naar rentevaste periode
Volume nieuwe hypotheken naar rentevaste periodeBron: DNB
Ontwikkeling Nederlandse werkloosheid
Ontwikkeling Nederlandse werkloosheidBron: CBS
Internationale werkloosheid
Internationale werkloosheidBron: Eurostat
Internationale huizenprijsontwikkeling
Internationale huizenprijsontwikkelingBron: Dallas Fed
Economische verwachtingen
Economische verwachtingenBron: CBS, Rabobank

Kerngegevens

Kerngegevens

Colofon

Het Kwartaalbericht Woningmarkt is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank. De in deze publicatie gepresenteerde visie is gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen. Deze omvatten onder andere Macrobond, Kadaster, NVM, DNB, CPB en CBS. De afsluitdatum van deze publicatie is 4 februari 2016.

Deze gegevens van deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. Rabobank aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten. Het betreft algemene informatie die aan veranderingen onderhevig is.

Aan de verstrekte informatie kunnen geen rechten worden ontleend. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Rabobank en alle andere aanbieders van informatie uit deze brochure en op de websites waarnaar deze verwijst, aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud hiervan of voor informatie die op of via de sites wordt verstrekt.

Gehele of gedeeltelijke overname is uitsluitend toegestaan met bronvermelding. De afnemer van de informatie is verantwoordelijk voor de keuze en elk gebruik van de informatie. De afnemer is verplicht aanwijzingen van de Rabobank omtrent het gebruik van de informatie op te volgen. Nederlands recht is van toepassing.

Kennis en Economisch Onderzoek is ook te vinden op internet: www.rabobank.com/economie.

Voor overige informatie kunt u bellen met het secretariaat van KEO op tel. 030 – 2162666, of mailen naar ‘economie@rabobank.nl’.

Tekstbijdragen:
Paul de Vries, Pieter van Dalen, Rogier Aalders en  Björn Giesbergen

Tekstredactie: 
Rogier Aalders en Enrico Versteegh

Eindredactie:
Tim Legierse, hoofd Nationaal Onderzoek, Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek

Productiecoördinatie:
Christel Frentz

© 2016 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)
Paul de Vries
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666
Pieter van Dalen
Rabobank KEO
030 21 2666
Rogier Aalders
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 31393
Björn Giesbergen
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 62562

naar boven