RaboResearch - Economisch Onderzoek

De wereld drijft in olie

Economisch commentaar

Delen:
  • Overschot aan olie houdt prijzen laag in 2016
  • Lage olieprijzen zijn per saldo een plus voor de wereldeconomie, maar vormen wel een risico voor inflatieverwachtingen
  • Bovendien verslechteren de economische omstandigheden in olie exporterende landen

Olie in overvloed

Begin dit jaar is de prijs van Brent olie tot onder USD 30 per vat gedaald, van USD 45 per vat eind november. De recente prijsdaling lijkt te zijn gedreven door marktsentiment (figuur 1), aangezien de fundamenten van de oliemarkt niet aanzienlijk zijn veranderd. Er word weliswaar nog altijd meer olie geproduceerd dan geconsumeerd, maar dat beeld is niet wezenlijk anders dan gedurende heel 2015 (figuur 2). Wat aanbod betreft is het einde van de ‘varkenscyclus’ in schalieolie dichterbij, maar innovatie en kostenreductie hebben de VS schalieproductie veel weerbaarder gemaakt tegen lage prijzen en ook is de OPEC meer gaan produceren. De olievraag neemt ook nog altijd toe, maar neerwaartse herzieningen van mondiale economische groei en zorgen over de Chinese economie voedden het negatieve sentiment op de oliemarkt. Dit ondanks dat China (goed voor 10% van de totale olieconsumptie) in 2015 10% meer olie importeerde en 3% meer consumeerde (Figuur 2). Met olievoorraden op historisch hoge niveaus en een aanhoudende overproductie van 1m vaten per dag, blijven we drijven in olie in 2016 en dus blijven de prijzen naar onze inschatting laag, USD 40 per vat gemiddeld over het jaar.

Figuur 1: Beurzen en olieprijs in tandem
Figuur 1: Beurzen en olieprijs in tandemBron: MSCI Barra, ICE, Rabobank
Figuur 2: Nog steeds overaanbod olie
Figuur 2: Nog steeds overaanbod olieBron: IEA, US EIA, China General Administration of Customs

De wereld heeft baat bij een lage olieprijs, maar de risico’s worden prominenter

Een lagere olieprijs is netto positief voor de wereld, aangezien ruim 80% van landen in de wereld netto importeur van olie is. De baten slaan vooralsnog minder sterk neer in extra consumentenbestedingen dan aanvankelijk werd gedacht. Deels komt dit omdat een groter dan verwacht deel ervan wordt gespaard. Ook is er de vrees dat de groei in de VS zal afzwakken vanwege lagere investeringen en ontslagen in de energiesector. Echter, de directe invloed van de energiesector op de reële economie van de VS is beperkt omdat zij slechts 1,7% van het BBP bedraagt. In 2016 zal de wereldeconomie wat minder profiteren van de lage olieprijs, omdat vraagfactoren een grotere rol zijn gaan spelen bij de daling van de olieprijs. Dit betekent dat de lagere olieprijs meer een symptoom is geworden van afzwakkende groei dan een autonome impuls vanuit de aanbodzijde.

Figuur 3: Inflatie blijft laag
Figuur 3: Inflatie blijft laagBron: Macrobond

Een risico voor de wereldeconomie is het effect van lagere olieprijzen op inflatieverwachtingen. De inflatie in ontwikkelde landen is al laag en zou (weer) negatief kunnen worden (figuur 3). Als dit verankerd raakt in inflatieverwachtingen kan een negatieve spiraal ontstaan waarbij toekomstige aankopen en investeringen worden uitgesteld in de hoop op lagere prijzen in de toekomst, wat weer leidt tot lagere prijzen (deflatie). Maar bovenal maakt lage (negatieve) inflatie de afbouw van schulden lastig, omdat de geldontwaarding deze over tijd minder (niet) uitholt. Om het risico van deflatie tegen te gaan zullen veel centrale banken waarschijnlijk verder monetair verruimen, met alle negatieve bijwerkingen die gepaard gaan met een lange periode van ruim beleid.

Daarnaast lokt ruim monetair beleid van de ene centrale bank hetzelfde beleid uit bij de andere centrale bank, omdat de munt van het land dat het meest verruimt het goedkoopst zal zijn en oneerlijk concurreert met andere landen. Dit vermindert de effectiviteit van het ruime monetaire beleid, omdat het primaire effect ervan juist via een zwakkere munt loopt. Het gevolg is dat centrale banken wereldwijd minder beleidsruimte overhouden en in toenemende mate slechts de negatieve bijwerkingen ervan voeden.

Sommige producenten hebben minder drijfvermogen

Olieproducenten worden sterk geraakt door de lage olieprijs. Met name kwetsbaar zijn olieproducenten met een hoge olieafhankelijkheid. Die zien hun economische groei, publieke financiën en de externe balansen verslechteren (tabel 1). En niet iedereen heeft genoeg vet op de botten. Enkele landen zien hun economie krimpen, hoewel in de meeste landen olie niet de enige schuldige is (bijvoorbeeld de sancties in het geval van Rusland). De impact op de publieke financiën is het grootst in het Midden-Oosten. Relatief lage schulden en aanzienlijke buffers zullen deze landen de ruimte geven om hun begrotingstekorten voorlopig te blijven financieren. Maar aangekondigde bezuinigingen gaan wel gepaard met risico’s op sociale onrust. Dit risico is vooral aanwezig in landen waar olie de voornaamste inkomstenbron van de overheid is, en waar ongelijkheid en armoede groot is, zoals Angola.

Tabel 1: Situatie van olie exporteurs verslechterd
Tabel 1: Situatie van olie exporteurs verslechterdBron: Macrobond, Rabobank

De meeste olieproducenten zagen ook hun lopende rekeningen balansen verslechteren en sommige hebben hun deviezen sterk gebruikt om hun valuta te verdedigen. Echter de meeste hebben wel genoeg deviezen om aan hun externe verplichtingen te voldoen in 2016. Nigeria, Azerbaijan, Ecuador en Kazachstan zitten krapper bij kas, hoewel de laatste wel een fonds heeft dat genoeg liquiditeit biedt. De situatie is precair op alle fronten in Venezuela, waar een default in de tweede helft van het jaar waarschijnlijk is.

Delen:
Auteur(s)
Alexandra Dumitru
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 60441
Raphie Hayat
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 51295

naar boven