RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

De eurozone – wanneer is het huis af?

Special

Delen:

“… the task of completing Europe’s monetary house continued to resemble the home renovation project that never ends.” (Eichengreen, 2015)

  • In de afgelopen jaren is de muntunie versterkt, maar er moet nog een aantal belangrijke stappen worden gezet
  • Op het terrein van beleidsinstrumenten zijn flinke bijstellingen nodig; we doen aanbevelingen op het terrein van economisch en begrotingsbeleid
  • Ook aan de structuur moet verder worden gewerkt: het voltooien van de bankenunie en het conceptueel uitwerken van de kapitaalmarktunie dienen prioriteit te krijgen

Inleiding

Sinds het uitbreken van de crisis is binnen de eurozone een aantal belangrijke hervormingen doorgevoerd, zoals de (gedeeltelijke) invoering van de Bankenunie. Wij maken de balans op en gaan na welke instituties nog nodig zijn om de Europese Monetaire Unie (EMU) te versterken. De eurozonecrisis werd vooral veroorzaakt door (i) een gebrek aan mechanismen en instituties die het ontstaan van grote macro-economische en budgettaire onevenwichtigheden konden voorkomen en (ii) een gebrek aan instituties die schokken konden opvangen (zie Wijffelaars en Loman, 2015a). Daarom gaan wij na welke maatregelen inmiddels zijn genomen om deze twee hoofdproblemen aan te pakken en welke maatregelen nog nodig en/of wenselijk zijn.

We richten ons daarbij eerst op directe beleidsinstrumenten in de vorm van economisch, begrotings- en monetair beleid en concluderen dat op de eerste twee terreinen nog flinke aanpassingen nodig zijn. Daarna komen ook twee structurele hervormingen aan bod. De Bankenunie dient te worden voltooid om de kwetsbaarheid van banken voor zwakke staatsfinanciën te verminderen. Op termijn dient ook een Europees depositogarantiestelsel te worden ingevoerd, maar daarvoor dient wel aan bepaalde voorwaarden te worden voldaan. Een Kapitaalmarktunie zou kunnen leiden tot een versterking van de muntunie, maar om dat te bereiken dient het concept Kapitaalmarktunie wel eerst nader te worden uitgewerkt.

Beleidsinstrumenten

2.1 Economisch beleid

Procedure voor Macro-economische Onevenwichtigheden
In 2011 is de Procedure voor Macro-economische Onevenwichtigheden (PMO) ingevoerd. Deze procedure is gericht op het opsporen, voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden die het functioneren van de Europese Unie in gevaar zouden kunnen brengen. Met een aantal stappen signaleert de PMO trends die tot 'booms en busts' zouden kunnen leiden. Vervolgens zou de PMO moeten helpen de juiste beleidsreacties vorm te geven om deze risico’s in te perken en te beheersen (zie voor regelgeving Verduijn, 2013a en Wijffelaars, 2014a).

Het idee achter de PMO is goed. Macro-economische onevenwichtigheden waren in het bijzonder in Ierland en Spanje de primaire oorzaak van de crisis (Wijffelaars en Loman, 2015d, 2015g). In de huidige vorm is de PMO echter onvoldoende in staat om excessieve onevenwichtigheden en de daarmee samenhangende negatieve spillover-effecten te voorkomen of adequaat aan te pakken (Wijffelaars en Stegeman, 2014). Daartoe dient de sanctieprocedure van de PMO te worden versterkt.

Aanbeveling
De sanctieprocedure van de PMO zou meer in lijn moeten worden gebracht met die van het Stabiliteits- en Groeipact (Wijffelaars en Stegeman, 2014). Ten eerste moet de Europese Commissie met sancties kunnen afdwingen dat landen ook maatregelen nemen om de opbouw van buitensporige onevenwichtigheden te voorkomen en niet enkel om deze achteraf te corrigeren. Ten tweede zou de EC ook sneller en/of meer automatisch landen moeten bestraffen waar buitensporige onevenwichtigheden toch ontstaan en niet worden afgebouwd. Nu heeft de EC kort gezegd de vrijheid om hier vanaf te zien als de lidstaten beterschap beloven. 

Macroprudentieel beleid
Een belangrijk instrument bij het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden is macroprudentieel beleid, dat wil zeggen beleid gericht op de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het invoeren van maatregelen die een al te ruime kredietverstrekking voor vastgoedprojecten, die voor de crisis een belangrijke rol speelde in Ierland en Spanje, tegen te gaan. Macroprudentieel toezicht bestond voor de crisis nauwelijks, maar is de afgelopen jaren versterkt. Inmiddels zijn op specifiek macroprudentieel terrein in Bazel III-verband voor banken contra-cyclische buffers en systeembuffers ingevoerd (zie Giesbergen, Loman en Weernink, 2015).

Macroprudentieel beleid is overigens niet het enige antwoord op het voorkomen of het corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden. Deze hoeven namelijk niet altijd het gevolg te zijn van ontwikkelingen in het financiële stelsel. Daarbij zijn macroprudentiële instrumenten primair gericht op het bewaken van de stabiliteit van het financiële systeem en dus niet per definitie op de macro-economische onevenwichtigheden zelf.

Aanbevelingen
Macroprudentieel toezicht kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van nieuwe crises, maar staat nog steeds redelijk in de kinderschoenen. Verdere aandacht voor dit beleidsterrein lijkt daarom gerechtvaardigd.

Allereerst gaat het om het instrumentarium. Hoewel bovengenoemde buffers het financiële systeem weerbaarder kunnen maken, is het maar de vraag of dit voldoende is om de vorming van nieuwe zeepbellen te voorkomen. Wanneer nieuwe zeepbellen dreigen te ontstaan, kan de inzet van meer ingrijpende macroprudentiële maatregelen nodig zijn, zoals het beperken van het bedrag dat consumenten kunnen lenen ten opzichte van hun inkomen (zie bijvoorbeeld Turner, 2015). Dergelijke maatregelen zijn echter vaak politiek omstreden.

Ook is er een coördinatievraagstuk. De verantwoordelijkheid voor macroprudentieel beleid ligt in de eurozone vooral op het nationale niveau, al vindt wel afstemming plaats via de European Systemic Risk Board en heeft de ECB topping up bevoegdheid voor systeembuffers en contra-cyclische buffers. Het is de vraag of op deze manier wel genoeg Europese afstemming plaatsvindt.

Nationale concurrentieraden
Nog op te tuigen nationale concurrentieraden kunnen ook bijdragen aan het voorkomen van de opbouw of aan de bestrijding van macro-economische onevenwichtigheden. Voor de crisis liepen de arbeidskosten per product in veel crisislanden bijvoorbeeld sterk op ten opzichte van de kernlanden, en dan in het bijzonder ten opzichte van Duitsland. Deze raden moeten uiterlijk in 2017 zijn geïnstalleerd. Een concurrentieraad is een raad met experts die onder andere de eigen overheid moet adviseren op het gebied van beleid dat de internationale concurrentiekracht van lidstaten kan bevorderen (Europese Commissie, 2015a)[1]. Hierbij moeten de raden de landspecifieke aanbevelingen in acht nemen die de EC jaarlijks aan lidstaten doet in het kader van het Europees Semester[2]. Concurrentiebevorderend beleid kan er voor zorgen dat onevenwichtigheden op de lopende rekening van de betalingsbalans afnemen (Wijffelaars en Loman, 2015b).

Aanbeveling
Volgens de huidige voorstellen zullen de raden hun eigen nationale overheid enkel van advies voorzien en een overheid kan besluiten deze adviezen in de wind te slaan. Om het effect van de raden te vergroten, zou het advies bindend moeten zijn of enkel kunnen worden genegeerd indien de overheid maatregelen neemt met eenzelfde impact.

2.2   Begrotingsbeleid

Met name in Griekenland, maar ook in Italië en Portugal, was de crisis voor een belangrijk deel het gevolg van het voor de crisis gevoerde begrotingsbeleid (Wijffelaars en Loman, 2015c, 2015e, 2015f). Sinds de oprichting van de muntunie bestaan er al begrotingsregels waar lidstaten zich aan moeten houden. Zo mogen het overheidstekort en de overheidsschuld niet groter zijn dan respectievelijk 3% en 60% van het BBP. Deze regels zijn verankerd in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). Problemen ontstonden mede doordat regels vaak niet werden nageleefd, daar ze onvoldoende afdwingbaar waren. Daarnaast waren de regels onjuist vormgegeven, met te veel focus op het feitelijke begrotingstekort in plaats van de overheidsschuld en de gezondheid van de overheidsfinanciën op de middellange termijn.

Aanpassingen begrotingsregels
Tussen 2011 en 2013 zijn de begrotingsregels meermalen aangepast om de vormgeving en naleving te verbeteren (zie Verduijn, 2013a)[3]. Begin 2015 heeft de Europese Commissie (EC) daarnaast vastgelegd hoe er binnen de bestaande regelgeving meer rekening kan worden gehouden met (i) de stand van de economie (geldt enkel in de preventieve arm[4]) en (ii) de hervormingsinspanning van lidstaten. Dit omdat in de crisisjaren is gebleken dat grove bezuinigingen in een laagconjunctuur een (schulden-)crisis niet per definitie oplossen en de juiste hervormingen en investeringen op termijn door hogere economische groei juist kunnen zorgen voor beter houdbare overheidsfinanciën (Kalf en Wijffelaars, 2016; Wijffelaars en Loman, 2015; Stegeman et al., 2014).

Wij zijn van mening dat de begrotingsregels de afgelopen jaren zijn verbeterd. De eurozone is momenteel beter in staat is om de opbouw van zwakke overheidsfinanciën te voorkomen dan voor de recente crisis. Er is echter nog een aantal verbeterpunten:

(i) Integreer het Stabiliteits- en Groeipact en de Procedure voor Macro-economische Onevenwichtigheden

De Europese Commissie zou groeiverhogende structurele hervormingen in een lidstaat daadwerkelijk af moeten kunnen dwingen in ruil voor meer begrotingsruimte. Doordat de EC momenteel niet bij machte is om in het kader van het SGP hervormingen in lidstaten af te dwingen, bestaat het risico dat overheidsfinanciën (verder) verslechteren wanneer de EC gebruik maakt van de in 2015 benadrukte flexibiliteit van de regels.

Om een dergelijke verslechtering te voorkomen, zouden het SGP en de PMO moeten worden samengevoegd tot één pact/procedure (Wijffelaars en Stegeman, 2014). Deze laatste zou dan wel krachtiger moeten worden vormgegeven.

(ii) Controle op naleving van de begrotingsregels moet strenger

Lidstaten ontliepen ook in de afgelopen jaren nog vaak sancties. Dit tast de geloofwaardigheid van de regels aan, met als risico dat andere lidstaten zich ook niet langer aan de regels zullen houden[5].

(iii) Ontwerp een inkomstenregel gelijk aan de bestaande uitgavenregel

Net zoals er een maximum wordt gesteld aan de discretionaire groei van overheidsuitgaven, zou er ook een maximum moeten worden gesteld aan de discretionaire krimp van overheidsinkomsten om de gezondheid van de staatsfinanciën op de middellange termijn te waarborgen. Dit verkleint de mazen in de huidige regelgeving die het voor landen mogelijk maakt om sancties te ontlopen als zij in feite de regels overtreden (Giesbergen en Wijffelaars, 2016).

Opvangen van schokken
De bovenstaande aanbevelingen richten zich op het voorkomen van zwakke overheidsfinanciën. Een sterke muntunie vereist op het terrein van begrotingsbeleid echter ook mechanismen die schokken helpen absorberen. Steunprogramma’s van gezamenlijke EU-/eurozonelidstaten en het IMF hebben lidstaten tijd gegeven om de schokken op te vangen, maar doordat deze in de vorm van leningen en pas na politieke inmenging (onderhandelingen) plaatsvinden, is het schokabsorberend vermogen wel begrensd[6]. Automatische schokabsorptiemechanismen buiten de balans van de ECB (zie 3.1) zijn in de eurozone nauwelijks aanwezig. Zo bedraagt de begroting van de Europese Unie slechts 1% van het BBP van de EU.

Het ontbreken van automatische schokabsorptiemechanismen op begrotingsterrein betekent allereerst dat er sprake is van een belangrijk coördinatievraagstuk wanneer zich een schok voordoet. Het aanpassingsproces voor crisislanden werd gedurende de eurozonecrisis bijvoorbeeld verzwaard doordat ook niet-crisislanden bezuinigingen doorvoerden. Ruimer begrotingsbeleid in niet-crisislanden met gezondere overheidsfinanciën had de pijn in crisislanden mogelijk kunnen verzachten. Meer coördinatie tussen lidstaten over begrotingsbeleid is daarom noodzakelijk.

Ook wanneer er beter wordt gecoördineerd, blijft de demping van schokken via begrotingsbeleid relatief beperkt. Op de wat langere termijn zou de introductie van beperkte overdrachtsmechanismen de muntunie kunnen versterken, maar alleen wanneer hier ook gedeeltelijke gemeenschappelijke controle tegenover staat en moral hazard wordt voorkomen.

Aanbevelingen
(iv) Maak het advies van de Europese Begrotingsraad aan de Europese Commissie bindend

In 2015 is de Europese Commissie in dit kader begonnen met het opzetten van een onafhankelijke ‘begrotingsraad’ die uiterlijk in 2017 moet zijn geïnstalleerd. De begrotingsraad moet de EC informeren en adviseren over hoe ruim of strak het begrotingsbeleid in de eurozone als geheel, binnen de kaders van de regelgeving, zou moeten zijn (Europese Commissie, 2015). De Europese Commissie kan hier dan rekening mee houden bij landspecifieke aanbevelingen ten aanzien van het begrotingsbeleid aan lidstaten. De instelling van een begrotingsraad kan de eurozone helpen beter schokken op te vangen als deze er voor zorgt dat lidstaten met gezonde overheidsfinanciën beleid (mogen) verruimen op het moment dat lidstaten met zwakke financiën de broekriem moeten aantrekken. Volgens de huidige opzet krijgt de raad echter enkel een adviserende rol, waardoor zijn impact mogelijk beperkt is.

(v) Geef de Europese Commissie meer handvaten om begrotingsbeleid eurozonebreed beter te kunnen coördineren

Om ervoor te zorgen dat het begrotingsbeleid in de verschillende landen goed op elkaar is afgestemd en het begrotingsbeleid in de eurozone als geheel ruim of juist strak genoeg is, zou het goed zijn om de verantwoordelijkheid hiervoor op termijn (gedeeltelijk) te centraliseren in Brussel (Wijffelaars, 2014b). Een andere oplossing zou zijn om de EC ook de mogelijkheid te geven lidstaten op straffe van een boete te dwingen geld uit te geven als dit in het belang is van de unie als geheel. Het bovenstaande is politiek gezien voor nu geen realistische oplossing, maar tijden kunnen veranderen.

(vi) Verken hoe schokken op langere termijn via begrotingsbeleid kunnen worden opgevangen

Schokken binnen de eurozone zouden beter kunnen worden opgevangen wanneer er meer overdrachten tussen landen plaats zouden vinden. Dit blijft echter omstreden, zeker zolang landen in hoge mate zelf hun economische beleid kunnen voeren. Een Europees werkloosheidsfonds zou bijvoorbeeld weliswaar goed schokken kunnen opvangen, maar kan alleen werken wanneer bijdragende lidstaten zich ervan verzekerd voelen dat in de andere lidstaten een goed functionerend arbeidsmarktbeleid wordt gevoerd. Een eurozone waarin nationale overheden over veel beleidsterreinen macht houden, is moeilijk te verenigen met grootschalige overdrachten zoals die bijvoorbeeld plaatsvinden in de VS. Om moral hazard te voorkomen, kunnen beperkte overdrachtsmechanismen ook alleen worden geïntroduceerd wanneer begrotingsregels en de PMO in de praktijk goed blijken te werken. Wat dat betreft is er nog een lange weg te gaan.

2.3 Monetair beleid

In het bijzonder tijdens de acute fase van de Europese schuldencrisis speelde de ECB een cruciale rol bij het opvangen van de crisisschokken. Vooral in de vorm van het long-term refinancing operations (LTRO) programma verving de ECB private kapitaalstromen, waardoor zij het ineenstorten van bancaire stelsels in de crisislanden en daarmee ook van de EMU zelf voorkwam (Rabobank, 2013). Ook was het de ECB die met de belofte om alles te doen wat nodig was om de euro in stand te houden en de daarop volgende lancering van het Outright Monetary Transactions (OMT) programma ervoor zorgde dat crisislanden weer (betaalbare) toegang kregen tot marktfinanciering. Door de belofte van Draghi en de lancering van OMT werd de ECB de facto niet alleen lender of last resort voor banken maar ook voor nationale overheden.

Aanbeveling
De ECB heeft haar arsenaal aan monetaire beleidsinstrumenten bijna uitgeput. Zij kan hoe dan ook niet alle schokken opvangen; daarvoor zijn ook andere mechanismen binnen de eurozone nodig, in het bijzonder een betere coördinatie van het begrotingsbeleid. Daarbij zou het wel goed zijn een plan B voorbereid te hebben voor het geval de eurozone wordt getroffen door nieuwe zware schokken.

Structureel

3.1 Bankenunie

De Bankenunie is waarschijnlijk de belangrijkste hervorming die in de eurozone is doorgevoerd, maar deze unie is nog niet compleet. De crisis bracht aan het licht dat nationaal georganiseerd toezicht vaak tekortschoot en daardoor het ontstaan van onevenwichtigheden niet kon voorkomen. Tijdens de crisis vergrootte de wisselwerking tussen zwakke banken en overheden met een zwakke begrotingspositie de problemen in de crisislanden. De Bankenunie moet deze wisselwerking wegnemen. Tenslotte zou de Bankenunie ook kunnen bijdragen aan het absorberen van schokken. De Bankenunie kan namelijk grensoverschrijdende fusies en overnames van banken faciliteren en het resulterende meer geïntegreerde bankenstelsel zou asymmetrische schokken kunnen helpen opvangen. Daar staat echter tegenover dat dergelijke fusies de omvang van banken en daarmee de too big too fail-problematiek zou kunnen vergroten.

Inmiddels zijn de eerste twee pijlers van de Bankenunie ingevoerd; de derde pijler, een Europees depositogarantiestelsel (EDIS), ontbreekt nog.

Dankzij de eerste pijler, het gemeenschappelijke bankentoezicht (Single Supervisory Mechanism, SSM), vallen de grootste banken in de eurozone nu onder direct toezicht van de ECB. Hierdoor is het toezicht op afstand gezet van nationale autoriteiten en hebben toezichthouders beter zicht op grensoverschrijdende bancaire activiteiten. De tweede pijler is het gemeenschappelijke afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism, SRM) dat per 1 januari 2016 volledig in werking is getreden. Deze vloeit voort uit de per 1 januari 2015 in werking getreden richtlijn over herstel en afwikkeling van banken (Bank Recovery and Resolution Directive, BRRD). Door banken afwikkelbaar te maken en de creatie van een (per 2024 geheel) gemeenschappelijk afwikkelfonds moeten de kosten voor de overheid van problemen bij banken sterk worden teruggedrongen.  Het resolutiefonds ter waarde van 1% van de gedekte deposito’s van banken in de eurozone (op dit moment ongeveer EUR  55 miljard) wordt geleidelijk opgebouwd uit bijdragen van banken en moet uiterlijk in 2024 geheel zijn gevuld.

Aanbevelingen
(i) Europees depositogarantiestelsel is op iets langere termijn onmisbaar

Op het gebied van depositogarantiestelsels is vooralsnog alleen sprake geweest van een harmonisering. Het zijn echter nog steeds nationale overheden die moeten bijdragen wanneer de met bijdragen van banken opgebouwde depositogarantiefondsen uitgeput raken (in principe is deze bijdrage tijdelijk, want wanneer tekorten ontstaan dragen banken ex post bij). Hierdoor blijven nationale overheden kwetsbaar voor problemen en blijven banken ook extra kwetsbaar wanneer de nationale overheid in de problemen raakt. Eind 2015 presenteerde de commissie een voorstel voor een EDIS (European Deposit Insurance Scheme) dat voorziet in een gefaseerde invoering van een volledig gemeenschappelijk stelsel, dat per 2024 geheel zou moeten zijn ingevoerd. Vooralsnog stuiten de voorstellen op veel kritiek vanuit de Noord-Europese landen. Het is begrijpelijk dat eisen worden gesteld aan risicodeling binnen een EDIS (zie daarvoor bijvoorbeeld de volgende aanbeveling) en de andere pijlers van de Bankenunie dienen goed te functioneren voordat over wordt gegaan tot verdere risicodeling, maar een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel lijkt op de wat langere termijn onmisbaar voor een sterke eurozone.

(ii) Verklein de hoeveelheid door de eigen overheid uitgegeven staatsschuld op de balans van banken

Verder is het gegeven dat banken vaak grote hoeveelheden staatsobligaties van hun eigen overheid op hun balans hebben staan van belang (Verduijn, 2013b). Hierdoor kunnen zorgen over de overheidsfinanciën van een land zelfs na invoering van een EDIS problemen geven voor individuele banken. Dit probleem zou kunnen worden ondervangen door de introductie van eurobonds (Boonstra, 2012) of door een maximum vast te stellen aan de hoeveelheid door de eigen nationale overheid uitgegeven staatsschuld op de balans van banken.

3.2 Kapitaalmarktunie

Eind september 2015 publiceerde de Europese Commissie een Actieplan voor een Europese Kapitaalmarktunie, die per 2019 zou moeten worden ingevoerd. Kapitaalmarktunie is een containerbegrip waaronder uiteenlopende initiatieven zijn geschaard, zoals een herziening van de prospectusrichtlijn en het opstellen van een securitisatierichtlijn, maar kent in principe twee dimensies: het vergroten van de rol van kapitaalmarkten in de EU en het integreren van kapitaalmarkten binnen de EU. Een meer geïntegreerde kapitaalmarkt zou kunnen bijdragen aan het absorberen van schokken, aangezien deze schokken dan in hogere mate bij buitenlandse investeerders en/of kredietverstrekkers terechtkomen, waardoor de impact op de binnenlandse economie wordt gedempt. Daarnaast zou een verschuiving van activiteiten van de bancaire sector naar de kapitaalmarkt ertoe kunnen leiden dat de problemen in de bancaire sector minder gevolgen hebben voor de economie en dit de Bankenunie dus zou kunnen versterken.

Aanbeveling
De manier waarop de Kapitaalmarktunie kan bijdragen aan het versterken van de muntunie behoeft nadere uitwerking door de Europese Commissie. Het is allereerst maar zeer de vraag in hoeverre en op welke termijn de voorstellen, die bovendien op veel terreinen nog moeten worden uitgewerkt, echt zullen leiden tot meer geïntegreerde kapitaalmarkten. Het wegnemen van belangrijke obstakels in de vorm van verschillen tussen faillissements- en belastingwetgeving zal bijvoorbeeld waarschijnlijk snel op bezwaren van lidstaten stuiten.

Daarnaast is op dit moment nog niet duidelijk op welke manier toezicht plaats zal vinden. Waar het zogenaamde 5-presidentenrapport (Europese Commissie, 2015c) van juni 2015 stelt dat de Kapitaalmarktunie uiteindelijk moet leiden tot een Europese toezichthouder voor de kapitaalmarkt, wordt in het in september 2015 gepresenteerde plan juist gemeld dat geen institutionele hervormingen nodig zijn. De bestaande institutionele structuur zou daarbij juist ook een belemmering kunnen zijn voor integratie (Véron, 2015). Een extra complicatie hierbij is dat de Kapitaalmarktunie is bedoeld voor alle lidstaten van de EU en dus niet voor de eurozonelidstaten in het bijzonder. Terecht stelt de EC dat een Kapitaalmarktunie de financiële stabiliteit moet versterken, maar er is juist ook een risico dat een meer geïntegreerde kapitaalmarkt tot grotere zeepbellen leidt of dat kapitaalmarktintegratie in crisistijden afbrokkelt.

Voetnoten

[1] De invoering van nationale concurrentieraden is een onderdeel uit het zogenoemde ‘vijf presidentenrapport’ (Europese Commissie, 2015c). In sommige landen bestaan deze raden al of worden dergelijke taken al als onderdeel van een ander takenpakket vervuld door andere instellingen.

[2] Het Europees Semester is een jaarlijkse cyclus waarin de Europese Commissie beoordeelt of de budgettaire en economische beleidsplannen van lidstaten in lijn zijn met het Stabiliteits- en Groeipact en de Procedure voor Macro-economische Onevenwichtigheden. Is dit niet het geval dan dienen landen maatregelen te nemen.

[3] Voor een beknopt overzicht van de totale huidige regelgeving onder het Stabiliteits- en Groeipact, zie infographic.

[4] In de preventieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact kijkt de Europese Commissie of het structurele begrotingstekort van een lidstaat niet te groot is en of de overheidsuitgaven niet te hard groeien. Het structurele begrotingssaldo is het feitelijke begrotingssaldo geschoond voor de stand van de economie en eenmalige inkomsten en uitgaven. Dit is het tekort dat zou bestaan als de economie (conjunctuur) in evenwicht is. In economisch goede tijden (dus in een hoogconjunctuur) zal het structurele begrotingssaldo veelal slechter zijn dan het feitelijke begrotingssaldo en vice versa.

[5] Wij laten hier buiten beschouwing of de huidige gestelde maximale waarden voor bijvoorbeeld het begrotingstekort en de overheidsschuld de juiste zijn. Het gaat ons hier puur om het punt dat naleving van regels noodzakelijk is om de gewenste impact van de regels te bereiken, dus de opbouw van onevenwichtigheden te voorkomen.

[6] De verlenging van looptijden en de verlaging van de rente op in het bijzonder de aan Griekenland verstrekte leningen (die in netto-contante-waarde-termen gemeten de lening gedeeltelijk omzet in een schenking) rekken deze begrenzing wel op.

Literatuur

Boonstra, W. (2012), Special Eurobonds, Conditional Euro T-Bills as a transitional regime. Rabobank.

Eichengreen, B. (2015). Hall of Mirrors, The Great Depression, The Great Recession and the Uses – and Misuses – of History.

Europese Commissie (2015a). Completing Europe’s economic and monetary union – A system of national competitiveness boards.

Europese Commissie (2015b). Completing Europe’s economic and monetary union – An advisory European fiscal board.

Europese Commissie (2015c). Completing Europe’s economic and monetary union. Five presidents report.

Europese Commissie (2015). An advisory European fiscal board

Giesbergen, B. en M. Wijffelaars (2016). Nederlandse begroting: na het jubeljaar 2016 dreigen zure bezuinigingen in 2017. Mejudice.

Giesbergen, B., H. Loman en M. Weernink (2015). Wat te verwachten van macroprudentieel beleid?. Rabobank.

Kalf, J. en M. Wijffelaars (2016). Veelbelovende hervormingen Spanje en Italië, maar baten komen later. Rabobank.

Loman, H. (2015). Plan B: monetaire financiering. Rabobank.

Stegeman, H., Badir, M. en M. Weernink (2014). Het groeiperspectief van de eurozone. Rabobank.

Turner, A (2015). Between Debt and the Devil: Money, Credit, and Fixing Global Finance.

Verduijn, M. (2013a). Institutionele herinrichting eurozone. Rabobank.

Verduijn, M. (2013b). Bankenunie: implicaties voor de Europese bankensector. Rabobank.

Véron, N (2015. Europe’s Capital Markets Union and the new single market challenge. blog post on Bruegel.org

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015a). The eurozone (debt) crisis - causes and crisis response. Rabobank.

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015b). The eurozone crisis - where are we right now?. Rabobank.

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015c). Eurozone (debt) crisis: Country Profile Greece. Rabobank.

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015d). Eurozone (debt) crisis: Country Profile Ireland. Rabobank.

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015e). Eurozone (debt) crisis: Country Profile Italy. Rabobank.

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015d). Eurozone (debt) crisis: Country Profile Portugal. Rabobank.

Wijffelaars, M. en H. Loman (2015g). Eurozone (debt) crisis: Country Profile Spain. Rabobank.

Wijffelaars, M. (2014a). Onevenwichtigheden in de EU vereisen aanpak. Rabobank.

Wijffelaars, M. (2014b). Ruimere EU-begrotingsregels alleen met grotere rol Brussel. Mejudice.

Wijffelaars, M. en H. Stegeman (2014). Europese Commissie kijkt toe terwijl Europa uit balans blijft. Mejudice.

Delen:
Auteur(s)

naar boven